Richard Flanagan

Richard Flanagan

Vraag 7

 

 

In 2014 kreeg de Australische Tasmaniër Richard Flanagan de Booker Prize voor The Narrow Road to the Deep North. Tien jaar later werd Question 7 bekroond met de Baillie Gifford Prize voor non-fictie (Flanagan weigerde het prijzengeld, omdat de sponsor zijn inkomsten uit de fossiele industrie haalt).

 

Ik hou niet van het woord ‘non-fictie’ – het klinkt te negatief, zelfs ontkennend. Elke literatuur is creatie en dus fictie; de werkelijkheid wordt pas zichtbaar door wat onze cultuur, onze geschiedenis, onze taal zichtbaar maakt. Wie nood heeft aan een geruststellende categorisatie als ‘fictie versus non-fictie’, zal door Vraag 7 omvergeblazen worden: het boek overstijgt elk hokje. Als openingscitaat krijgen we een fragment uit een bijna tweehonderd jaar oude recensie van Moby Dick: “De auteur heeft in het ongewisse gelaten of zijn werk historisch, autobiografisch, journalistiek, tragisch of romantisch is, of het hier een almanak, melodrama of fantasie betreft. Wellicht is het dat alles tezamen, wellicht ook niet. De vraag wordt gesteld, maar hoe luidt het antwoord?”

 

Autobiografisch, heel zeker: een zoektocht naar de geschiedenis die bepalend was voor zijn vader, opgegroeid in het Tasmanië dat net een genocide achter de rug had, dwangarbeider in een Japanse koolmijn tijdens WO II, onderwijzer in het regenwoud. Een en ander culmineert in het laatste hoofdstuk, waarin het verhaal over de bijna-verdrinkingsdood van de auteur zelf al het voorafgaande een andere kleur geeft.

 

Historisch, heel zeker: van het Britse klassensysteem en racisme, ook in het jappenkamp (een Britse officier weigert samen met een Aussie emmers vol stront te dragen, niet omwille van de stront, wel omwille van de Aussie), tot de geschiedenis van de atoombom, met de Marsmannetjes van het Manhattanproject (de Hongaars-Joodse wetenschappers, met Leo Szilard in de hoofdrol), dat alles “in de hoop dat we daarachter de waarheid van het waarom zullen vinden. Maar er is geen waarheid. Er is alleen dat waarom.”

 

Essayistisch, met verrassende stellingen. Zo blijken de verhalen van H.G. Wells uit het begin van de vorige eeuw voorspellend en inspirerend. Leo Szilard haalde er niet alleen het idee, maar zelfs de benaming van de atoombom vandaan, en Flanagan begrijpt de bezetting van Tasmanië door de Britten als een invasie van Marsmannen.

 

Tragisch: de moeder die, zoals menige moeder, het beste voorheeft met haar kinderen en als stokoude vrouw huilt en blijft huilen wanneer ze zich herinnert hoe ze hen geslagen heeft.

 

Romantisch: de verhouding van de veel jongere Rebecca West met de veel oudere H.G. Wells: “ze hinderden en irriteerden elkaar van het begin af aan en van het begin af aan waren ze onlosmakelijk lichamelijk aangetrokken tot elkaar”.

 

Literair: Vraag 7, die als uitgangspunt dient, ontleent Flanagan aan een gelijknamig kortverhaal van Tsjechov (toen ik deze Rus lang geleden tijdens een zeer eenzame winter ontdekte, las ik zijn verzameld werk van A tot Z, in de prachtige Van Oorschot-editie). Literatuur moet geen antwoorden bieden, wel de noodzakelijke vragen stellen. Wat die zevende vraag is, ontdek je tijdens het lezen.

 

Op de achterflap van het boek verneem je dat het vijf sterren kreeg van De Standaard, Humo en Knack, waarbij een recensent opmerkt dat vijf sterren eigenlijk niet volstaan. Helemaal mee akkoord, dit boek is simpelweg ‘hors catégorie’.

 

Richard Flanagan (2026)

Vraag 7

S.l., Koppernik, 244 pagina’s.

ISBN 978 90 836 1624 701