Frans de Waal

Frans de Waal

Anders. Gender door de ogen van een primatoloog.

De titel prikkelt, de voorbije jaren is LGBTQ+ een ideologisch en politiek mijnenveld geworden, met rabiate voor- en tegenstanders. Wie er in het openbaar over spreekt, zelfs met wetenschappelijk onderbouwde argumenten, mag zich verwachten aan applaus van de ene groep en boegeroep van de andere. In plaats van op zoek te gaan naar wat we weten en wat niet, verdedigt elk het eigen grote gelijk, waarbij hooggeschoolde mensen met modder gooien en puberale argumentaties gebruiken. Ondertussen is het debat zo verhit dat de oorspronkelijke inzet vaak niet eens meer duidelijk is. Gaat het nu over de vraag of niet-heteroseksuele genderidentiteiten ook biologisch bepaald zijn en dus ‘normaal’? Of over het omgekeerde, over de invloed van opvoeding en cultuur op onze seksuele identiteit en gedrag?
Wie daarop antwoorden verwacht, zal deze niet vinden in het nieuwste boek van Frans de Waal. Slechts één van de dertien hoofdstukken handelt expliciet over homoseksualiteit bij dieren. Het ‘anders’ in de titel verwijst in hoofdzaak naar verschillen tussen mannen en vrouwen. Elf van de dertien hoofdstukken zijn toegespitst op specifiek gedrag en de verschillende wijze waarop het voorkomt bij de twee geslachten (zoals spelen, verleiding, geweld, verzoening, verzorgen). En ja, het is ook een spiegel voor de mensaap die wij zelf zijn.

Wie de auteur kent, weet wat het boek brengt: een aaneenschakeling van wetenschappelijke bevindingen, doorspekt met zowel hilarische als aangrijpende voorbeelden. Het leest als een trein en is een aanrader voor wie van dieren houdt. Natuurlijk lezen we het ook en waarschijnlijk zelfs vooral om zicht te krijgen op onszelf, vaak met de bedoeling ons eigen gedrag te vergoelijken: ‘Zie je wel, als ik dit doe, heeft dat alles te maken met onze evolutionaire onderbouw’. Begrijp: ik was mijn handen in onschuld, het zit in de genen. Paradoxaal genoeg zijn we eveneens overtuigd van onze ‘vrije wil’, en al helemaal als we het hebben over onze succesvolle prestaties.

Wetenschappelijk beschouwd liggen de zaken een flink stuk complexer. Ja, bepaalde gedragskenmerken hebben een overduidelijke evolutionaire basis. Nee, ze komen niet bij iedereen voor. Ten eerste omdat iets wat waar is op groepsniveau (mannen zijn veel agressiever dan vrouwen), niet hoeft op te gaan voor een bepaald individu (sommige mannen zijn nauwelijks agressief en ik ken minstens één vrouw bij wie je beter uit de buurt blijft). Ten tweede, het gaat over ‘disposities’, kenmerken die in de kiem aanwezig zijn, maar slechts tot ontwikkeling komen op grond van interacties met de omgeving. Dat we evolutionair geprogrammeerd zijn voor bepaald gedrag, doet ons het belang van de context uit het oog verliezen. Bovendien geeft de vaststelling dat de verschijningsvorm van disposities sterk afhangt van de omgeving ons de mogelijkheid om in te zetten op contexten die vervelend gedrag afremmen en het gewenste bevorderen.

Eens we deze nuanceringen begrijpen, kunnen we oog hebben voor de verschillen tussen mannen en vrouwen. Bij primaten, welteverstaan, en dat op grond van gedragsobservatie. Psychologen gebruiken helaas nog altijd te vaak zelfbeoordelingsvragenlijsten om zicht te krijgen op het menselijk gedrag, met als resultaat dat ze vooral zicht krijgen op sociale wenselijkheid, dat wil zeggen op hoe hun proefpersonen gezien willen worden. Gedragsonderzoek bij mensapen is vele malen betrouwbaarder.

Spelen
In de zestiger jaren ontstond het idee dat man of vrouw zijn grotendeels of zelfs exclusief het gevolg was van aangeleerde rolpatronen. Zo zouden jongetjes net jongetjes worden omdat ze autootjes, technische dingen en natuurlijk wapens als speelgoed kregen, terwijl meisjes het met poppen en keukentjes moesten stellen. Geef kinderen ander speelgoed en ze ontwikkelen een andere genderidentiteit, zo luidde de conclusie.

Ondertussen weten we dat dit een illusie is – de voorkeur voor de aard van het spel en zelfs voor speelgoed ligt overduidelijk evolutionair ingebakken. Dat geldt niet alleen voor mensenkinderen, ook de kleintjes van primaten vertonen spontaan seksegebonden voorkeuren. Jongens kiezen autootjes en spelen veel ruwer (‘rough and tumble play’), meisjes geven de voorkeur aan poppen, doen het rustiger en houden van fantasiespelletjes. Deze kenmerken zijn universeel, en verklaren waarom mannelijke en vrouwelijke kinderen liefst met hun seksegenoten spelen. Terzijde: biologisch beschouwd is spelen vooral léren, het ontwikkelen en inoefenen van vaardigheden, vaak door het imiteren van oudere dieren naar wie de jonkies opkijken (‘na-apen’). Disposities liggen evolutionair vast, niet de eigenlijke vaardigheden want die vragen oefening.

Agressie
‘Als er één aspect van het sociale leven is dat door gender wordt beïnvloed, dan is het wel lichamelijk geweld’, schrijft de Waal. Mannen zijn agressiever, vooral fysiek. Vrouwen zijn minder agressief en gebruiken andere methodes (zoals uitsluiting) om hun agressie te uiten. De aanleiding voor geweld verschilt tussen de twee geslachten. Bij vrouwen is dé aanleiding elke bedreiging van haar kroost. Bij mannen heeft agressie te maken met rivaliteit en hiërarchie, met het oog op seks.

Bij chimpansees kunnen mannen wreedaardig agressief zijn tegenover soortgenoten, zelfs als het leden van de ‘ingroup’ betreft; ze kunnen coalities vormen met het oog op het uitvoeren van een moord – de omschrijving is niet verkeerd gekozen. Chimpansees kennen ook oorlog, waarbij één groep in staat is een andere volledig uit te roeien. Oorlog is een mannenaangelegenheid, mannen tegen mannen. Agressie tegenover vrouwen komt voor, maar is zeldzaam en er zijn grote verschillen op dit vlak tussen de groepen. Verkrachting bestaat niet, behalve bij oerang-oetans (en eenden!) en helaas, bij Homo sapiens, die het zelfs als oorlogswapen gebruikt.

Een bijzondere schokkende vorm van agressie is kindermoord. Wanneer een mannetje een hogere positie in de hiërarchie verwerft (op grond van geweld) en vrouwen ‘overneemt’, doodt hij vaak het nageslacht van de vorige man. In de bonobosamenleving is infanticide onbestaande, en dat is niet de enige uitzondering. Dit is de enige mensaap waar de vrouwen als groep hiërarchisch hoger staan dan de mannen. Ook het doden van soortgenoten komen bij hen niet voor. Wat wèl een constante is, zijn seksuele interacties tussen iedereen in elk denkbaar standje, met als resultaat een vredevolle samenleving. Dat vrouwen de leiding hebben, betekent niet dat agressie helemaal ontbreekt. Indien nodig kan een bonobovrouw gewelddadig uit de hoek komen, ook tegen een man die de sociale rangorde niet respecteert – het kan hem een vinger of zelfs een testikel kosten.… Lees verder

Dominique Willaert

Dominique Willaert

Dansen op een ziedende vulkaan. Een onderzoek naar het onbehagen en de woede in onze cultuur.

Elke maatschappijcriticus krijgt vandaag de dag de vraag voorgeschoteld of ons tijdperk vergelijkbaar is met de jaren dertig van de vorige eeuw. Ook toen was er een economische crisis, ook toen heerste er een polarisatie en ook toen haalde racistisch rechts de overhand. In 1930 publiceerde Sigmund Freud een ondertussen klassiek essay, Das Unbehagen in der Kultur (cultuur staat voor maatschappij). Tegenwoordig duikt de term ‘onbehagen’ overal op, samen met verwijzingen naar het boek. Wat men er meestal niet bij vertelt is dat in Freuds optiek het onbehagen in eerste instantie te maken heeft met onze innerlijke verdeeldheid (tussen lichaam en bewustzijn, tussen drift en tederheid, tussen agressie en liefde), waarvan de uiting voor een flink stuk bepaald wordt door de maatschappij.

Sommige culturen bevorderen agressie en haat, andere halen het beste in ons naar boven, maar geen enkele maatschappij kan de verdeeldheid opheffen. In het licht van wat er nauwelijks tien jaar na de publicatie van het essay volgde, was Freuds conclusie ronduit profetisch: ‘Beslissend voor het lot van het mensdom lijkt mij de vraag of en in welke mate haar culturele ontwikkeling erin zal slagen de verstoring van het samenleven door menselijke agressie en zelfvernietigingsdrift de baas te worden.’

Dat onbehagen en woede tegenwoordig hoogtij vieren, hoeft geen betoog, terwijl onze wereld behoorlijk anders is dan die van 1930. In Dansen op een ziedende vulkaan geeft theatermaker en activist Dominique Willaert (1968) zijn analyse en verklaring, met als doel uit te monden bij de volgens hem noodzakelijke veranderingen. In zijn inleiding legt hij uit waarom hij zich op de psychoanalytische mensvisie baseert: het staat hem toe al te eenzijdige verklaringen te vermijden; de verantwoordelijkheid voor het onbehagen ligt zowel bij het individu als bij de maatschappij. Aan de maatschappelijke kant legt hij de grond van de malaise bij economische machten en de door hen veroorzaakte ongelijkheid. Dit besef dringt nauwelijks door, want op aanstoken van machthebbers in en buiten politieke partijen wordt de oorzaak van alle ellende aan de ‘vreemdelingen’ en ‘de linkse elite’ toegeschreven. Langs de kant van het individu herkent hij klassieke freudiaanse verdedigingsmechanismen: ontkenning (kop in het zand) en vooral projectie (de ander is schuldig, niet ik). Heel vaak gaan deze mechanismen gepaard met een knieval voor een ‘sterke leider’ die recht en orde belooft te herstellen.

Dergelijke verdedigingsmechanismen keren zich na verloop van tijd tegen de persoon zelf – ook dat wist Freud al. De onmiddellijke winst is het opheffen van de innerlijke twijfel en van de noodzaak keuzes te maken die pijn doen. Ondertussen stapelt het verlies zich op – de klimaatverandering en de sociale ongelijkheid blijven toenemen. De titel van het boek is goed gekozen, want de vulkaan waarop we dansen, bereikt steeds sneller het punt waarop de uitbarsting zal volgen. Na de inleiding brengt Willaert in vijf hoofdstukken een beargumenteerde analyse van de huidige malaise. In het slot geeft hij zijn visie op de toekomst.

Collectieve woede, reactionair of emancipatorisch?
Het eerste hoofdstuk legt de relatie tussen onbehagen en woede. Collectieve woede kan emancipatorisch werken of reactionair. Tegenwoordig overheerst de reactionaire versie die zich in naam van de vrijheid tegen democratische waarden keert. De verklaring vindt Willaert in de manipulatie van het ressentiment, het zich tekortgedaan voelen in combinatie met machteloosheid. Beide gevoelservaringen zijn sterk aanwezig bij de verliezers van de globalisering, van werknemers over (schijn)zelfstandigen tot moegetergde ambtenaren. Hun terechte woede werd de voorbije decennia gerecupereerd door racistisch rechts, die hun ‘de vijand’ aanwijst: de vreemdelingen, de virologen, de groenen. De democratische en linkse partijen hebben deze boot niet alleen gemist (ze lieten deze groep in de steek, lees Didier Eribon, zie hier), ondertussen gaan ze zelfs mee in de beschuldigingen van rechts.

Ontwrichtende economie en medeplichtige politici
In het volgende hoofdstuk zet Willaert de ontwrichtende werking van de wereldeconomie uiteen én de medeplichtigheid van machtspolitici. ‘Flexibiliteit’ is een toverwoord waarmee lagere lonen, werkonzekerheid, onduidelijke en vooral langere werktijden vergoelijkt werden (ter illustratie: vergelijk eens de werkvoorwaarden van nieuw aangeworven arbeidskrachten in de supermarkten met deze van hun oudere collega’s). Rechtse partijen beloven hun kiezers verandering, terwijl ze in realiteit hard bijdragen aan deze negatieve evolutie, door de uitverkoop van publieke diensten, door het tegenhouden van een rechtvaardige fiscaliteit, door het aanpakken van langdurig zieken. Willaert toont met feitelijke voorbeelden hoe hun beslissingen, zowel op nationaal als op Europees niveau, regelrecht ingaan tegen het belang van hun kiezers. Op welke manier ze daarmee wegkomen komt aan bod in hoofdstuk vier, over de informatieverspreiding.

Vermarkting van het nieuws
Hoe komt het dat een grote groep kiezers hun stem geeft aan partijen die hen benadelen? Willaert vindt een verklaring in de evolutie van de informatieverstrekking. Oorspronkelijk waren kranten de spreekbuizen van verschillende ideologische groepen – hun berichtgeving was gekleurd, de lezer wist dat en net daardoor kwam er debat. Mediamagnaten hebben de voorbije veertig jaar grote kranten opgekocht, met het oog op de reclame-inkomsten. Als resultaat schoof de berichtgeving op naar de sensationele kant, met een ondertoon die, op een paar uitzonderingen na, steeds rechtser werd. Ondertussen hebben papieren kranten afgedaan (net zoals het door een publieke omroep verzorgde journaal), de laatste vijftien jaar zet het internet de toon. Door de typische werking van de zoekmachines, de ‘algoritmes’, leidt het zoeken van informatie naar een bevestiging en zelfs een versterking van wat de zoeker al weet. Gegevens die het eigen gelijk of de eigen angsten weerleggen, krijgt de surfer nauwelijks te zien.

Doelbewuste desinformatie en hersenspoeling
Het wordt nog vele malen erger zodra je je op Facebook en aanverwanten begeeft. Extreemrechtse partijen besteden pakken geld aan het posten van desinformatie op alle sociale media. Ze doen dat bovendien op een verdoken manier, bijvoorbeeld door het verbergen van de bron, zodat de surfer niet beseft hoe donkerbruin tot zwart die wel is. Onderzoek toont hoe ondermijnend dit is voor kritische reflectie en hoe bevorderlijk voor polarisatie. Vanuit reële bekommernissen maken mensen een eigen combinatie van juiste en foute berichten over uiteenlopende onderwerpen (big pharma, seksschandalen, klimaatverandering, camerabewaking, wetenschappelijke fraude), waarna ze tot het besluit komen dat overheid, wetenschap en media hen ‘bedriegen’.… Lees verder

Ewout Kattouw

Ewout Kattouw

Wie is nou eigenlijk gek? De cliënt, de psychiatrie of de maatschappij?

De Belgische Christine Van Broeckhoven is een wereldautoriteit op vlak van onderzoek naar dementie, en naar aanleiding van haar zoveelste wetenschappelijke onderscheiding werd ze in de lente van 2012 geïnterviewd. Tijdens dat gesprek verwijst ze naar het feit dat ze zwaar depressief geweest is (De Standaard, 12 mei 2012). Op de vraag of ze antidepressiva genomen heeft, antwoordde ze: ‘Ik heb dat geweigerd. Omdat ik ook weet dat zulke pillen niet echt werken. […] Ik had een zware depressie, inclusief zelfmoordneigingen, en ik ben zeker dat ik er niet sneller bovenop zou zijn geraakt met medicatie.’ De reactie van de journalist – ‘Dat is een sterke uitspraak!’ – getuigt van zijn verrassing, en dus van het feit dat hij niet op de hoogte is van wat Van Broeckhoven, als topwetenschapster, duidelijk wel weet. Antidepressiva werken nauwelijks en veroorzaken veel neveneffecten; voor zover ze al een positief resultaat hebben, valt dat grotendeels toe te schrijven aan het placebo-effect.

Van Broeckhoven heeft gelijk. Onderzoek gebaseerd op de resultaten die de farmaceutische firma’s zelf hadden ingediend bij de Amerikaanse Food en Drug Administration toont dat het verschil inzake werkzaamheid tussen antidepressiva en een placebo statistisch minder dan tien procent is en klinisch grotendeels verwaarloosbaar. Deze vaststelling, die door tien groepen onafhankelijke beoordelaars bevestigd werd, heeft nog steeds geen aanleiding gegeven tot een radicale ommekeer in de behandeling van depressie. Integendeel, het aantal voorschriften blijft stijgen. Wat de voorbije jaren nog vele malen duidelijker werd, zijn de invaliderende neveneffecten – de pillen helpen je niet, maar je wordt er wel afhankelijk van, en eens je ermee stopt, worden de neveneffecten ondraaglijk.

Tot op de dag van vandaag zijn artsen en patiënten zich hiervan veel te weinig bewust. De farmaceutische industrie zorgt voor een doelbewuste misleiding (bekijk Dopesick). Bovendien past het gebruik van medicijnen als veronderstelde ‘quick fix’ perfect in het heersende sociaaleconomische klimaat. Vandaar het enorme belang van een tegengewicht, zoals bijvoorbeeld geboden kan worden door goed onderbouwde getuigenissen van mensen die het slachtoffer werden van hun ‘behandeling’. Het voorbije decennium zijn er verscheidene gepubliceerd. Wie is nou eigenlijk gek? van Ewout Kattouw is het meest recente, en steekt met kop en schouders uit boven al zijn voorgangers.

In vogelvlucht

Het boek is geen afrekening, geen zwart-wit aanklacht tegen de ‘slechte’ psychiatrie, terwijl alle gegevens voorhanden waren om dat te doen. Ewout Kattouw heeft een evenwichtig werk geschreven, waarin hij persoonlijke ervaringen afwisselt met wetenschappelijke onderbouwde gegevens, met als doel een bijdrage te leveren tot een betere organisatie van de psychiatrische hulpverlening. Dit boek moet verplichte lectuur worden voor artsen-in-opleiding, zoveel is duidelijk.

In vogelvlucht krijg je als lezer het volgende voorgeschoteld. Je leert de jonge Ewout kennen, zijn gezinsachtergrond en de problemen die hij had als adolescent, zoals hij en mensen uit zijn omgeving zich herinneren. Dit staat in schril contrast tot het vervolg, met name zijn tragische ervaringen – tragisch is een understatement – met de psychiatrie. Het relaas daarover is ondermeer gebaseerd op de medische verslagen en op gesprekken met toenmalige hulpverleners.Vervolgens lezen we hoe hard ontwenning wel is en hoeveel tijd dat vraagt – ontwenning van de enorme hoeveelheid medicijnen die hij voorgeschreven kreeg. Pas daarna volgt het hoofdstuk waarin hij zijn herstelperiode beschrijft, met als insteek de vraag wat er hem geholpen heeft en wat niet. Het boek eindigt met hoofdstukken die breder gaan dan het persoonlijke. Zo krijgen we de reflecties te lezen van acht wetenschappers (er zitten een aantal toppers bij), die al jarenlang een pleidooi houden voor een andere aanpak in de psychiatrie. Het boek besluit met een beschouwende conclusie die op een constructieve manier aangeeft waar het vandaag vaak fout loopt en hoe we een andere weg kunnen inslaan met de hulpverlening. Tot slot komt er nog een uitvoerig en pragmatisch addendum met aanbevelingen voor het starten, monitoren én afbouwen van psychofarmaca, samen met een verwijzing naar een door de auteur opgerichte, daarbij aansluitende stichting https://www.stichting-pill.nl.

Een ziekmakende hulpverlening

De combinatie persoonlijk verhaal en onderbouwde bespiegelingen maakt dit tot een zeer sterk boek. Nauwelijks achttien jaar oud raakt de schrijver verzeild in een problematiek die net iets zwaarder is dan wat de gemiddelde adolescent meemaakt. Samen met zijn ouders zoekt hij hulp, eerst bij de huisarts, later bij een psychiater. Binnen de kortste keren komt hij in de maalstroom van de medisch-psychiatrisch-farmacologische hulpverlening terecht. Hij krijgt een psychiatrisch label – een eerste – samen met een voorschrift voor anti-depressiva. Wat volgt is een aaneenschakeling van langdurige opnames in de psychiatrie en beperkte ambulante hulpverlening. Geen enkele hulpverlener neemt de moeite om met hem te praten en naar hem te luisteren (depressie is een verstoorde chemische balans in de hersenen, toch?). De pillen helpen niet, integendeel, en het ontbreken van een dragende psychosociale hulpverlening duwt hem steeds verder de dieperik in. Hij zal die pas twintig jaar later krijgen (en er eerst heel veel moeite mee hebben).

Het resultaat van zijn traject in de hulpverlening is vele malen zwaarder dan de problemen waarvoor hij oospronkelijk hulp zocht. Op drieëntwintig jaar tijd krijgt hij 21 (!) verschillende psychiatrisch-diagnostische labels opgeplakt, die nauwelijks aansluiten bij zijn problemen maar telkens bij de nieuwste hype in de psychiatrische diagnostiek (ADHD is er eentje van). Een van de laatste diagnoses in de rij is zonder twijfel de meest correcte: PTSS, posttraumatische stressstoornis, met als trauma ondermeer de gedwongen verblijven in een isolatiecel.

Gedurende die drieëntwintig jaar krijgt hij 41 (!) verschillende psychofarmaca voorgeschreven, waaronder 13 verschillende antidepressiva. Hij wordt hoe langer hoe zieker, waarbij in terugblik zijn lichamelijke én mentale toestand te wijten is aan de ziekmakende bijwerkingen van de medicijnencoctail. Op geen enkel ogenblik leggen de medische hulpverleners een verband tussen de verslechtering van hun patiënt en de psychofarmaca die ze hem voorschrijven, terwijl dat o zo duidelijk is. Ook zijn familie blijft het volste vertrouwen hebben in de aanpak van de artsen, terwijl zijn toestand van kwaad naar erger gaat. Het is zonder meer een wonder dat hij dit overleefd heeft en er zich heeft uit kunnen losrukken.… Lees verder

Peter Wohlleben

Peter Wohlleben

De lange adem van bomen. Hoe bomen leren om te gaan met klimaatverandering en hoe dat ons kan redden.

Peter Wohlleben is een Duitse bosbouwdeskundige die wereldwijd bekend werd met zijn eerste boek, Het verborgen leven van bomen. Hij hoort thuis in het rijtje van Suzanne Simard en Merlin Sheldrake , want net zoals zij biedt hij een volledig andere blik op het leven boven en onder de bosbodem. Kort samengevat: een bos is een gemeenschap waarin afzonderlijke elementen helemaal niet afzonderlijk zijn, het is een levend geheel gebaseerd op uitwisselingen van energie, voedingsstoffen, water én informatie. Deze blik illustreert het nieuwe paradigma in de wetenschap: systemisch (dat wil zeggen: niet langer gericht op afzonderlijke dingen) en dynamisch (niet langer gericht op tastbare materie). De platoonse idee over de overanderlijkheid van vormen heeft afgedaan, we keren terug naar het presocratische ‘alles vloeit, niets blijft’ van Heracleithos.

Typerend voor Wohlleben is dat hij uitdrukkelijk op de barricades gaat staan. Hij beschrijft hoe onze manier om bossen te exploiteren bijdraagt tot onze ondergang. De vervanging van echte en dus gemengde bossen – gemengd op vlak van soorten en leeftijd – door monoculturen van productiehout van dezelfde leeftijd is rampzalig. Dat had Simard ook al beschreven, met wetenschappelijk harder bewijs, maar Wohlleben slaagt er beter in de dramatische gevolgen duidelijk te maken.

Dat de klimaatverandering effecten heeft op bomen en bossen, is overduidelijk. Het omgekeerde – dat bomen en bossen letterlijk levensbelangrijke hulp kunnen bieden om de klimaatverandering te keren – beseffen we nog te weinig. Meteen zijn dit de twee onderwerpen van het boek, met op de achtergrond een derde, de menselijke domheid.

Zieke bossen
Ik herinner me levendig hoe mijn buurman, een tachtigjarige boer van de oude stempel, vijfentwintig jaar geleden al zei dat de bomen niet meer groeiden en dat er iets niet klopte. De combinatie droogte en temperatuurstijging maakt hen steeds zwakker. Hun energiefabriekjes – de bladeren – vallen vroeger stil (de fotosynthese stopt omdat ze hun blad vervroegd moeten laten vallen), waardoor ze hun noodzakelijke jaarlijkse reserves niet voldoende kunnen opbouwen. Nieuwe parasieten, geïmporteerd door menselijk verkeer, beschouwen aangeplante ‘cultuur’bossen als een gratis fastfoodtent waar ze zich ongebreideld kunnen voortplanten.

Dergelijke bossen, hoe mooi ze ook ogen, zijn geen echte bossen – Wohlleben vergelijkt ze met maïsvelden waar zorgvuldig geselecteerde rassen opgefokt worden terwijl al de rest (onderbegroeiing en andere bomen) moet verdwijnen. Net zoals in de industriële landbouw zijn er steeds meer chemische middelen nodig om de opbrengst te behouden. Om de vijfentwintig jaar volgt een radicale oogst (nadien rest enkel blote grond), met steeds zwaardere machines die de bodem nog meer beschadigen.

Het is een treurig verhaal, vooral omdat de houtvesterij dezelfde fouten blijft herhalen en zelfs nog uitbreidt, dankzij ‘groene’ (!) sponsoring. Wetenschappelijk onderzoek zoals dat van Suzanne Simard wordt genegeerd, ook door een bepaald slag wetenschappers die – o toeval – onderzoek uitvoeren op grond van forse onderzoeksgelden uit de houtvesterijwereld. Echt onafhankelijk onderzoek bestaat nog nauwelijks, en laat onafhankelijkheid nu net een van de twee voorwaarden zijn voor de betrouwbaarheid van de resultaten (de tweede voorwaarde is repliceerbaarheid, d.w.z. dat andere onderzoekers tot dezelfde bevindingen komen).

Gezondmakende bossen
Bomen en bossen zijn miljoenen jaren oud – evolutionair beschouwd hebben zij enorme leerprocessen doorgemaakt waardoor zij over aanpassingsmogelijkheden beschikken waar wij tot voor kort geen enkel besef van hadden. Kort samengevat: bossen zijn ‘intelligent’, ze weten hoe ze problemen kunnen overleven, ze hebben het allemaal al eens meegemaakt. Ze weten wat ze moeten doen in geval van droogte of wateroverlast, in geval van extreme koude of hitte, ze kunnen vrij goed omgaan met parasieten met wie ze al eeuwenlang dezelfde omgeving delen. Bovendien blijken ze in staat deze kennis door te geven aan hun nakomelingen, wat op zich al een reden is om zoveel mogelijk oude bomen te behouden. Dit is geen esoterisch gelul, het zijn vaststellingen op grond van geavanceerde onderzoekstechnieken. De onderzoeksresultaten van het voorbije decennium lichten nog maar het tipje van de sluier op, ik ben benieuwd wat er de komende jaren uit de bus zal komen.

Wat reeds langer bekend was, wordt nu op nog veel grotere schaal bevestigd. Bossen zijn airco’s én waterpompen, zuurstofleveranciers én CO2-stofzuigers – hoe ouder het bos, des te meer dit het geval is. Uit klimaatarcheologisch onderzoek blijkt dat bossen gedurende millennia ons klimaat gemààkt hebben, zowel op vlak van water als van zuurstof – dé twee voorwaarden voor leven zoals wij het kennen. Geen wonder dat we de grootste biodiversiteit kunnen vinden in een echt bos; de verdwijning ervan, is simpelweg een verdwijning van leven.

Don’t look up!
Dergelijke wetenschappelijke bevindingen op basis van nieuwe, digitaal gestuurde onderzoeksmogelijkheden zijn zeer overtuigend. Het verrassende is dat ze vaak aansluiten bij oeroude kennis van zogenaamde natuurvolkeren. Dit is het thema van Braiding Sweetgrass. Indigenous Wisdom, Scientific Knowledge and the Teachings of Plants, een boek geschreven door Robin Wall Kimmerer, een onderzoekster die tot de ‘native Americans’ behoort.
Eveneens verrassend is de weigering van velen om empirisch onderbouwde en herhaaldelijk bevestigde gegevens ernstig te nemen. Een dergelijke weigering is hét kenmerk van dit tijdperk: de klimaatverandering wordt ontkend, de noodzaak om de landbouw te hervormen wordt genegeerd, verkiezingsuitslagen worden ontkend, een pandemie wordt ontkend (ondertussen wordt er wel oeverloos geëmmerd over de gevaren van vaccins), en dat alles in naam van ‘vrijheid’, van ‘kritische zin’, zelfs van ‘wetenschap’.

Ik heb onwetendheid altijd beschouwd als het gecombineerd gevolg van onderdrukking, sociale klasse en het gebrek aan opleidingsmogelijkheden. Dat is inderdaad vaak genoeg het geval. Helaas heb ik het voorbije jaar met stijgende verbijstering moeten vaststellen dat ook hoogopgeleide mensen die opgegroeid zijn in het vrije westen dergelijke onzin uitkramen en blijven weigeren kennis te nemen van argumenten die hun ideeën weerleggen. Op die manier dragen ze bij tot de ondergang die ze vrezen en sleuren ze de rest van ons ook mee.

Specifiek in dit boek voert Wohlleben een aantal wetenschappers op die bij hoog en bij laag de nieuwe onderzoeksresultaten ontkennen en blijven zweren bij de oude aanpak.… Lees verder

Jan Bleyen
Janne Janssens & Michèle Stappaerts

Jan Bleyen

Ooit zal ik iemand zijn. Vriend zonder papieren.

Janne Janssens & Michèle Stappaerts

Het begin van mijn leven was toen ik nog niet bestond. Het boek van Fatima en Helen.

Korte tijd nadat ik Peter Venmans’ Gastvrijheid uit had, kreeg ik twee op elkaar lijkende boeken op mijn leesplank die naadloos aansluiten bij het thema. Deze zonnige Paasdag is een goed moment om er aandacht aan te besteden. Pasen, waar staat dat ook alweer voor? Niet eens zo lang geleden kende iedereen de Zeven werken van barmhartigheid uit het hoofd, met op nummer vier ‘De vreemdelingen herbergen’. Beide boeken vertellen het verhaal van nieuwkomers, opgetekend door mensen die het hart op de juiste plaats dragen (en daarvoor hoef je geen doordesemd katholiek te zijn).

Jan Bleyen is een doctor in de geschiedenis die zich na het behalen van zijn doctoraat herschoolde tot onderwijzer en onder meer taallessen geeft aan immigranten. In die context leerde hij Manso kennen, een puber die Sierra Leone ontvlucht is. Bleyen tekende zijn verhaal op, recht voor de raap, zonder de dingen en de jongen mooier voor te stellen dan ze, dan hij is. Als lezer leer je niet alleen een puber kennen uit een andere cultuur, maar onrechtstreeks ook jezelf. Ondertussen is Manso een jongeman die al tien jaar in België woont en nog altijd niet over de nodige ‘papieren’ beschikt. Wat de gevolgen daarvan zijn, dat kunnen u en ik ons niet voorstellen. Wij nemen het vliegtuig naar overal, we foeteren op de vervelende controles in luchthavens en vervolgens gedragen we ons alsof we thuis zijn. Voor een meerderheid van de wereldbevolking geldt dat niet, en dat is nog zacht uitgedrukt.

Janne Janssens en Michèle Stappaerts leerden twee niet-Vlaamse leeftijdsgenotes kennen, met als gevolg dat ze op een andere manier naar de wereld leerden kijken. De impact was zo groot dat ze het besluit namen hun verhalen uit te schrijven, met als resultaat dit boek. Het zou een avonturenroman kunnen zijn, met een zestienjarige heldin (Fatima) die Afghanistan ontvlucht, net zoals de even oude Helen die uit Eritrea ontsnapte. Twee oorlogsgebieden, twee regio’s waar vrouwen traditioneel onderdrukt worden – je ziet zo de Hollywoodblockbuster voor je (manhaftige Special Forces, helicopters, the whole works). Helaas is de keiharde realiteit van een andere orde. Je wil niet weten wat deze kinderen meegemaakt hebben voor, tijdens en zelfs na hun vlucht – en ja, af en toe ontmoeten ze ook mensen die deugen en die hen helpen.

Beide boeken zijn pijnlijk mooi om te lezen. Mooi, omdat de optekenaars een vergelijkbare poëtische stijl hanteren. Pijnlijk, omdat je beseft dat deze drie kinderen het gehaald hebben terwijl veel van hun lotgenoten minder geluk hadden en op zee verdronken zijn, onderweg vermoord of slaafgemaakt. Deze mensen wegzetten als ‘gelukszoekers’ en ‘profiteurs’ is een aanfluiting van alle menselijke waarden. Niemand laat zomaar familie en geboorteland achter zich; de beweegredenen om te vertrekken kunnen zeer verschillend zijn, maar komen in nagenoeg alle gevallen neer op een combinatie van oorlog en armoede. De mensen die erin slagen te ontvluchten, zijn niet zo onmiddellijk doetjes, wel overlevers die op jonge leeftijd meer meegemaakt hebben dan wij ons kunnen voorstellen. We leven in een paradijs waar we voortdurend over klagen, met dien verstande dat we het toch niet willen delen met anderen. Trumps muur in Mexico is klein bier in vergelijking met wat er aan de buitenkant van de Europese grenzen gebeurt, in onze naam en met onze stilzwijgende goedkeuring.

Even een spoiler, gebaseerd op elementaire historische kennis: geen enkele muur houdt stand, het is alleen een kwestie van tijd.

 

Jan Bleyen, met tekeningen van Charlotte Peys (2022)
Ooit zal ik iemand zijn. Vriend zonder papieren.
Antwerpen: Manteau, 188 pagina’s.
ISBN 978 90 223 3805 6

 

Janne Janssens & Michèle Stappaerts (2022)
Het begin van mijn leven was toen ik nog niet bestond. Het boek van Fatima en Helen.
Berchem: EPO, 292 pagina’s.
ISBN 978 94 6267 335 9

Peter Venmans

Peter Venmans

Gastvrijheid. Filosofisch essay.

Peter Venmans behoort tot het uitstervend ras van de romanisten – hij kreeg nog zijn opleiding in de periode voor de op angelsaksische leest geschoeide mismeestering van onze universiteiten. Zijn kennis als hispanist is een verfrissende uitbreiding op de tunnelvisie die tegenwoordig endemisch is in de academische wereld. Dat hij letterkunde combineerde met filosofie, maakt hem als auteur nog interessanter. Zijn laatste boeken (2016: Amor Mundi. Hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander?; 2019: Discretie. Essay over een vergeten deugd) tonen hoe hij gestaag zijn eigen weg baant, met onderwerpen die niet onmiddellijk ‘hot’ maar altijd relevant zijn, en vaak meer eigentijds dan de lezer wel vermoedt.

Gastvrijheid. Filosofisch essay is zijn laatste werk, waarvan hij tijdens het schrijven onmogelijk kon vermoeden hoe actueel het thema zou worden. Allemaal zijn we geschokt door wat er in Oekraïne gebeurt, en velen onder ons hebben zich ondertussen opgegeven om vluchtelingen in huis te nemen. Gastvrijheid zit in onze genen, samen met gastvijandigheid (niet alle mensen deugen). ‘Het gaat er niet om dat we deugen, maar dat we weten waarover we spreken’, en gastvrijheid is ‘een ambivalent begrip dat om nuance vraagt’ (p.13).

Betekenis wordt bepaald door context en geschiedenis, dat weet deze auteur maar al te goed. In de oneven hoofdstukken schetst hij een historische lijn vertrekkend bij de Odyssee en het oud-Griekse xenia en eindigend met de gastvrijheid tegen betaling, hospitality – in het Engels natuurlijk, ooit de taal van Shakespeare, tegenwoordig die van het kapitaal. In de hoofdstukken met een even nummer gaat hij achtereenvolgens te rade bij de etymologie (altijd een goed idee), vervolgens bij de ethiek en ten slotte bij de politieke filosofie. Het is een bijzonder geslaagde afwisseling.


In de historische hoofdstukken leer je als lezer de verschillen kennen tussen de homerische en de evangelische gastvrijheid, tussen verschillende zwervers (Odysseus versus Don Quichot), tussen toeristen en gasten; zelfs de verschillen tussen Vlaamse en Nederlandse B&B’s komen aan bod. De etymologie toont dan weer de complexiteit van het begrip. Met het latijnse hostis – gast en/of vijand – ontdekken we het immer ambivalente in onze houding tot de ander, wat ook terugkeert in het Duitse Das Unheimliche – het intieme vreemde, de intieme vreemden. O toeval, de stichting voor de ‘Maand van de filosofie’ koos ‘Intieme vreemden’ als jaarthema voor 2022. In het hoofdstuk over ethiek was ik vooral gefascineerd door de lezing die Venmans geeft aan Spinoza’s conatus begrip, ‘het streven om zichzelf in stand te houden’, als een activiteit van ‘het totaliserende ik’. Ik herken daar een oeraandrift in (het willen opgaan in en/of het willen overnemen van de ander) die altijd gepaard gaat met haar tegenovergestelde versie (het willen afstand nemen van, het willen autonoom staan); dat zal wel een gevolg zijn van mijn psychoanalytische bril.

Het slothoofdstuk, Politieke gastvrijheid, is brandend actueel, wat ons doet vergeten dat het al decennialang op onze agenda zou moeten staan, als ‘de existentiële crisis van Europa zelf’ (p.174). Venmans wijst op het onderscheid tussen individuele gastvrijheid en rechten van de mens, tussen moreel oordelen (wat doe je als individu?) en politiek oordelen (hoe kan een samenleving het best georganiseerd worden?), wat een flink deel van de complexiteit verklaart.

Zijn bronnen zijn niet van de minste, hij gaat onder meer te rade bij Immanel Kant en Hannah Arendt. Arendt staat het dichtst bij de uitdagingen van onze wereld: kunnen wij onze spontane neiging om vanuit ‘onszelf’ te denken laten varen en een poging ondernemen om te denken vanuit de wereld – politiek denken dus, waarbij de morele categoriën van goed en kwaad veel minder duidelijk zijn. Kant legt dan weer de nadruk op de rede en de universele wetten, wat in zijn tijd nog kon, maar m.i. vandaag de dag een gevaarlijke illusie is.

Een van de slotparagrafen, getiteld De gast als paria zet de kroon op het werk en stemt tot nadenken en denken. Als lezer kijk je met dit boek in een spiegel die niet altijd het beeld weergeeft dat je verwacht.

 

Peter Venmans (2022)
Gastvrijheid. Filosofisch essay.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact.
ISBN 978 90 214 3672 2
Lees verder

Geert Buelens

Geert Buelens

Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972.

Geert Buelens is een Vlaamse intellectueel met een vaste stek in Nederland. Als hoogleraar Nederlandse letterkunde in Utrecht heeft hij naam en faam als cultuurhistoricus, ondermeer met zijn boek De jaren zestig. Cultuurhistoricus betekent ook maatschappijcriticus, zoals duidelijk blijkt uit zijn nieuwste werk. De titel vat de hoofdlijn samen: ongeveer alles wat we tegenwoordig weten over de klimaatchaos en de noodzakelijke maatregelen om het tij te keren, wisten we een halve eeuw geleden ook al, maar we zijn vergeten dat we het wisten.

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Géraldine Schwarz, die in De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme toont hoe wij in Europa nog nauwelijks beseffen op welke manier het fascisme de vorige eeuw voet aan de grond gekregen heeft (zie hier) en hoe dit zich tegenwoordig dreigt te herhalen. Net zoals Schwarz legt Buelens haarfijn uit wat er tijdens en na de jaren zeventig gebeurd is, waarom de toenmalige bewustwording verdween en welke conclusies we daaruit kunnen en moeten trekken. De voorbije week werd het tweede deel gepubliceerd van het IPCC-rapport, het klimaatpanel van de VN, met de zoveelste wetenschappelijke onderbouwing van wat al een halve eeuw bekend is. In mijn krant van 1 maart werd de berichtgeving daarover weggemoffeld naar bladzijde 19 (!) terwijl het frontpaginanieuws zou moeten zijn. En ja, ik besef hoe belangrijk de oorlog in Oekraïne is, maar met verkeerde prioriteiten zal het ons in een zeer nabije toekomst vele malen heter of natter onder de voeten worden.

Sedert Freud weten we dat vergeten nooit neutraal is, maar deel uitmaakt van onze manier van emotioneel functioneren. Vergeten is een zusje van ontkenning (‘Wir haben das nicht gewusst’), gebeurt op grond van angst en kan collectief plaatsgrijpen. In het geval van de klimaatontkenning werd het vergeten zorgvuldig georchestreerd door de gecombineerde acties van bepaalde politieke groepen en de industrie, met letterlijk dodelijke gevolgen tot vandaag de dag. Buelens legt dit bloot en toont hoe grote energiebedrijven al heel vroeg weet hadden van de problemen die zijzelf veroorzaakten, op welke schaal ze leugens en bedrog verspreid hebben en hoe ze dat nog steeds doen.

Eerst nog dit: in weerwil van het onderwerp leest het boek bijzonder aangenaam, zeker voor lezers die de jaren zeventig min of meer bewust meegemaakt hebben. Buelens komt zeer beslagen op het ijs, beschikt over een uitstekende pen en als cultuurhistoricus schildert hij herkenbare beelden, van de toenmalige televisieseries (De Vlaamse jeugdreeks De kat, James Herriots All creatures great and small) tot de spaarpunten die je bij benzinestations kon inruilen tegen ‘geschenken’, beelden die mij telkens een brede glimlach van herkenning bezorgden.

Grenzen aan de groei
Met wat we vandaag weten is het ongelooflijk om vast te stellen hoeveel we vijftig jaar terug al wisten. In het jaar 1972 werd Grenzen aan de groei gepubliceerd, het rapport van de club van Rome – hun metingen en bijbehorende voorspellingen zijn grotendeels correct gebleken, behalve dat ze te rooskleurig waren. De impact van het rapport was bij de publicatie veel groter dan wij vandaag beseffen, ook al omdat een aantal milieurampen in de voorafgaande jaren het publiek wakker geschud hadden. In april ‘72 pakten wereldkranten zoals Le Monde, La Stampa, Die Welt en The Times uit met een gezamenlijke milieubijlage van tien pagina’s, waardoor de milieucrisis in Europa hét centrale debat werd.

Wat we al helemaal vergeten zijn, is dat overheden het rapport aanvankelijk ernstig namen – veel toenmalige politici hadden een natuurwetenschappelijke achtergrond, wat tegenwoordig nog nauwelijks het geval is. Bovendien was de invloed van lobbygroepen stukken kleiner. Zo werd 1972 een sleuteljaar in de Amerikaanse milieubescherming en kregen in Japan een reeks bedrijven strenge straffen opgelegd voor de door hen veroorzaakte milieuverontreiniging.

De centrale vaststelling van het rapport is vandaag de olifant in de kamer: de oorzaak van onze ecologische moord en zelfmoord ligt in het economische systeem. Groei verloopt niet lineair, wel exponentieel, met als gevolg dat er om de zoveel tijd een verdubbeling gebeurt van een vorige verdubbeling. Een voorbeeld: in 2000 reden er vier keer meer vrachtwagens op onze wegen dan in 1980; in 2020 waren dat er acht keer meer, en straks zijn het er zestien keer meer, met op de achtergrond een zestien maal hogere productie en consumptie; dergelijke toenames zijn een structureel gevolg van een jaarlijkse economische groei van drie procent. De oplossing is nog steeds dezelfde als in 1972; in het kielzog van het rapport vatte het boek A blueprint for survival die oplossing samen in een nieuwe term: de kringloopsamenleving.

In de publieke aandacht voor het rapport en de daarbij aansluitende beleidsbeslissingen herkent Buelens de tweede faze van een typische evolutie. In een aanvangsperiode was de kennis over het onderwerp slechts bij een kleine groep aanwezig. Vervolgens ontstond er een collectieve bewustwording, ook al als gevolg van een paar spectaculaire milieurampen. Deze tweede faze bood een momentum voor structurele veranderingen, maar helaas werd de kans niet benut. Daarna kwam er een periode van ontmoediging, gevolgd door halfslachtige regelgevingen die de illusie schiepen dat er toch iets gedaan werd. In de wetenschappelijk meetbare werkelijkheid bleef de vervuiling alleen maar toenemen.

Hoe sla je een revolutie neer? Door ze zelf te leiden
Dat vervolg met halfslachtige regelgevingen was geen toeval. Tijdens de tweede faze had de bewustwording ook een ander effect: een economisch machtige toplaag besefte dat de oplossingen geld zouden kosten. Hun geld. Nog in hetzelfde jaar 1972 werd de Amerikaanse Business Roundtable opgericht, een economische en financiële lobbygroep die vanaf dat ogenblik doelbewust zowel de overheid als de publieke opinie begon aan te sturen. Aan dergelijke lobbygroepen hebben we minstens twee valse overtuigingen te danken. De eerste is dat we moeten kiezen voor ofwel tewerkstelling en vooruitgang, ofwel stagnatie en armoede. De tweede is dat de teloorgang van het milieu de schuld is van de individuele burger die een te grote ecologische voetdruk zou hebben.

Beide stellingen zijn niet alleen verkeerd, het zijn bovendien leugens.… Lees verder

Annie Dillard

Annie Dillard

De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.

 

Als Marja Pruis (dé essayiste van het huidige Nederlandse taalgebied) op zoek moet gaan naar woorden om de kwaliteit van Dillards bundel te omschrijven, dan weet je dat er iets bijzonders op de plank ligt. Nadat ik De overvloed een tweede maal gelezen had (dat was nodig en ik deed het graag), heb ik het knap moeilijk om te omschrijven wàt ik gelezen heb. Dillard leert je opnieuw kijken naar ‘dingen’ omdat ze telkens heel hard naar juiste woorden zoekt om de lezer wakker te maken. Dertig onvergetelijke pagina’s over zand en stof (en Teilhard de Chardin)? Nooit zal ik zand nog op dezelfde manier kunnen bekijken. We vegen en poetsen om onze teraardebestelling uit te stellen. Een zonsverduistering? Een botsing op het onbegrip in ons begrijpen, op de futiliteit van al onze bekommernissen, toen onze generatie aan de beurt was om te leven. Vergeten hoe het was om zestien te zijn? Niets kon dit ernstige geval van zachtheid genezen, behalve, heel misschien, geweld.

Als ik dan toch een poging moet doen om te omschrijven waarover ze het heeft, dan kom ik het dichtst in de buurt (denk ik) als ik haar onderwerp benoem als de Goddelijke Komedie, waarin wij vol van onszelf een rol spelen terwijl de kosmos in en buiten ons zijn gang gaat.

Een boek met een diepgang en een stijl waar ik diep voor buig.

 

Annie Dillard (2020)
De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 253 pagina’s.
978 90 254 6192 8

 

Ton Lemaire

Ton Lemaire

Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.

 

Na het lezen van De eenzame stad (Olivia Laing) greep ik naar een boek over wandelen, omdat deze activiteit het idee van alleen zijn oproept (met dank aan J.J.Rousseau en diens Les Rêveries du promeneur solitaire). Voor wie Ton Lemaire niet kent: hij is een Nederlandse docent filosofie die in 1990 uit onvrede met de gang van zaken aan de universiteit naar de Dordogne trok en daar sedertdien op zijn eentje zo ecologisch mogelijk leeft. Om de paar jaar verschijnt er wel een boek van hem, en ik heb ze stuk voor stuk graag gelezen (heel corona-actueel is zijn in 2010 gepubliceerde De val van Prometheus). Zelfs wanneer hij over ogenschijnlijk ‘gewone’ onderwerpen schrijft, bereikt hij een diepgang die weinig auteurs gegeven is, bovendien in een lichtvoetige stijl.

Wandelen dus. In de inleiding lezen we dat een beschouwing over de plaats van wandelen een goede toegang kan bieden tot meerdere aspecten van onze samenleving, en zelfs kan uitmonden in een diagnose van de moderniteit. Raker kan ik het niet samenvatten, en als bonus krijgen we in het boek nog een mooi zicht op de geschiedenis. De verschillen tussen de Franse, Duitse en Angelsaksische cultuur maken dat ze ook anders wandelen, wat tot in hun tuinaanleg zichtbaar wordt – het verband tussen de Franse centralistische politiek en de strakke Versailleperken is even duidelijk als dat tussen de Britse ‘wilde’ parktuin en het Angelsaksische liberalisme.

Het boek is min of meer thematisch geordend, met onderwerpen zoals slenteren in de stad, trektochten in de natuur, iconische wandelaars, bedreigde voetgangers. Er struinen veel figuren door de tweehonderdvijftig pagina’s (de namenindex achteraan neemt drie bladzijden met dubbele kolommen in beslag), maar nooit wordt het ‘namedropping’, wel een mogen mee wandelen met markante denkers. Tussendoor krijgt de lezer rake redeneringen voorgeschoteld, bijvoorbeeld wanneer Lemaire afrekent met het gebruik van het woord ‘elitair’ als dooddoener (bepaalde standpunten zijn wel degelijk beter en een pleidooi voor gelijke rechten houdt niet in dat alle meningen gelijkwaardig zijn), of een vergelijking maakt tussen massatoerisme en klimaatvluchtelingen, of een koppeling legt tussen onze passieve mobiliteit (zittend halen we snelheden van 800 kilometer per uur) en wandelen (‘hiking’) als hype.

Na de twee laatste hoofdstukken ‘Lof van het lopen’ en ‘Kunst van het wandelen’ heb ik mijn wandelschoenen uit de kast gehaald en mijn agenda anders georganiseerd om er binnenkort weer op uit te kunnen trekken, op zoek naar de dubbelzinnige ervaring die Lemaire (met dank aan Camus) op het einde van zijn boek zo mooi samenvat. Wandelend vallen we samen met en verdwijnen we in de natuur, tot we opgeschrikt worden op het moment dat we de betekenissen verliezen die we er zelf ingelegd hebben en oog in oog komen te staan met de vreemdheid, het niet-menselijke van wat ons omringt.

Volgend weekend ga ik stappen.

 

Ton Lemaire (2020)
Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.
Amsterdam: Ambo/Anthos, 250 pagina’s.
ISBN 978 90 263 4787 0

Olivia Laing

Olivia Laing

De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn.

Tijdens een week waarin ik niet alleen was maar me wel alleen voelde, greep ik min of meer bewust naar De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn, geschreven door de mij onbekende Olivia Laing. Kort samengevat: het is een pareltje (parel, want 350 bladzijden). Laing heeft een vlotte pen, een stijl die mij aanspreekt en vooral, ze bezit de gave om mensen zowel raak als mild te beschrijven, een zeldzame combinatie. En ja, het gaat over eenzaamheid, maar niet met de afgezaagde, hoe-slecht-is-onze-maatschappij-toch ondertoon; het gaat over ‘het menselijke, het al te menselijke’.

Als jonge Britse volgt ze de man van haar dromen naar New York. De man bleek een vergissing te zijn, New York niet. Ze leeft er maanden alleen en gaat op zoek naar wat eenzaamheid betekende voor lotgenoten uit een vorig tijdperk die op een of andere manier met kunst bezig waren. Hoofdfiguren zijn Edward Hopper, Andy Warhol, David Wojnarowicz en Henry Darger, naast Valerie Solanas, Nan Goldin, Klaus Nomi en Peter Hujar. De helft van hen kende ik niet, alleen al daarom is het boek de moeite waard. Tussendoor komt haar eigen verhaal aan bod, samen met de meest zinvolle bespiegelingen over eenzaamheid die ik ooit las. Mijn exemplaar staat vol aangekruiste passages en snel in de kantlijn neergekrabbelde nota’s – dat zegt genoeg. Op de koop toe gaat de kwaliteit van haar tekst in stijgende lijn; Laing omcirkelt het onderwerp spiraalsgewijs tot steeds hogere niveaus, met als opstapjes bekende en minder bekende figuren. Als lezer neemt ze je mee in een wereld bewoond door mensen die je niet meer loslaten. Dit is een van de boeken die je voortdurend naar YouTube stuurt, om hen ‘in het echt’ te zien en te horen – de blik van Valerie Solanas, de films van Andy Warhol, de stem van ‘mutant chantant’ Klaus Nomi, de schilderijen van Henri Darger – ik bleef maar doorklikken.

Dit boek lezen voert je binnen in een universum van gekwetste kinderen (gekwetst is een understatement) die daarom eenzame volwassenen werden, ook wanneer ze later omringd werden door bewonderaars. Valerie Solanas staat vooral bekend als de waanzinnige vrouw die Andy Warhol neerschoot, waarbij vergeten wordt dat ze een radicale feministe was (ze beschouwde het gezin als de voornaamste oorzaak van vrouwelijke onderdrukking), auteur van het SCUM-manifest (Society for Cutting Up Men); snoeihard eenzaam en eenzaam snoeihard, na een kindertijd van seksueel misbruik en verwerping. Heel erg intelligent, op zoek naar gehoor dat ze niet krijgt, verworpen door vrouwengroepen die ze net wou verdedigen.

Zij wou vrouwen beschermen terwijl Henri Darger alle onheil wilde weghouden van kinderen. Ook hij was opgegroeid met geweld en misbruik, maar in tegenstelling tot Solanas leidde deze doodarme schoonmaker een onopgemerkt, eenzaam bestaan. Na zijn dood werd in zijn huurflatje een gedurende een halve eeuw opgebouwd oeuvre gevonden, een combinatie van waterschilderijen, collages en een manuscript, alles samen meer dan tienduizend pagina’s, met als onderwerp een oorlog tegen misbruik en slavernij van kinderen, met daarin een ‘onafhankelijkheidsverklaring van het kind’ met onder meer ‘het recht op normale slaap tijdens de uren van de nacht‘. Slik. Ik wil me niet voorstellen wat hij meegemaakt moet hebben.

Solanas en Darger groeiden op met extreem geweld, dat was zo mogelijk nog meer het geval voor David Wojnarowicz, kind-prostituee in Hell’s Kitchen (denk aan Mean Streets van Scorcese). Op zijn twintigste begint hij foto’s te maken, waarmee hij zijn eigen geschiedenis in beeld brengt. Kunst en seks zijn twee ontsnappingsroutes, weg uit de eenzaamheid én uit de gevangenis van het lichaam, ontsnapping die voor hem en vele anderen pas mogelijk werd in randzones – in dit geval Times Square en de verlaten havenloodsen van Chelsea in de jaren ’70. Seks verschijnt als oorzaak van en remedie voor eenzaamheid: verbinding met de ander en dus remedie tegen isolement; gebruik/misbruik van het driftig-agressieve lijf en dus oorzaak van isolement, met kunst als poging om zichtbaar te maken wat altijd aan gene zijde ligt: het verlangen naar heelheid, naar volledig zijn, met jezelf en met de ander. ‘Dat is toch de droom van seks? Dat je uit de kerker van het lichaam bevrijd zult worden door het lichaam zelf, dat eindelijk begeerd wordt, zijn vreemde taal begrepen.

Het boek is zo rijk dat ik het onbegonnen werk vind om het samen te vatten. Je kan er bijvoorbeeld razend interessante ideeën uit putten voor onze corona-eenzaamheid, ook al omdat Laing in één van de hoofdstukken de gevolgen van de aidsepidemie bespreekt (niet mogen aanraken of aangeraakt worden, sterven in isolement). Ik beperk me tot één idee. In een tijdperk waarin individualisering centraal staat, wordt ook de oorzaak van eenzaamheid bij het individu gelegd, niet alleen door de afwijzende anderen (‘Waarom volg je geen training in sociale vaardigheden?’) maar ook door het eenzame individu zèlf. ‘Het alomtegenwoordige, onweerlegbare besef dat het me aan iets ontbrak, dat ik niet de beschikking had over datgene waar mensen over horen te beschikken, en dat dit te wijten was aan een ernstige, ongetwijfeld niet mis te verstane persoonlijke tekortkoming van mij.’ Laing brengt uitvoerig en overtuigend de tegenovergestelde visie: eenzaamheid is een gevolg van oorspronkelijke afwijzingen, heel vaak in een traumatische context. Eenzaamheid ontstaat nooit in isolement, maar is het product van vicieuze sociale cirkels. Het startpunt ligt in een traumatiserende omgeving met afwijzende, of zelfs misbruikende anderen. Een dergelijk kind ontwikkelt een verhoogde waakzaamheid waardoor het als volwassene anderen gaat wegduwen of net aanhalen op een manier die hen op de vlucht doet slaan. Bovendien houden ze hun littekens verborgen, de echte en de figuurlijke, waardoor de buitenwereld hen nog minder begrijpt.

Eens geïnstalleerd houdt eenzaamheid zichzelf in stand omdat het letterlijk afstotend werkt en contact onmogelijk maakt. Eenzaamheid maakt ziek, de figuren die in het boek opgevoerd worden, hebben elk op hun manier een remedie ontwikkeld waarin agressie, liefde en kunst centraal staan.
Tot slot: ‘Ik geloof niet dat iemand leren kennen per se de remedie is tegen eenzaamheid.Lees verder

Didier Eribon

Didier Eribon

Terugkeer naar Reims.

Op mijn twaalfde – we schrijven 1967 – moest ik als oudste zoon van een ongeletterde familie dik tegen mijn zin op kostschool. Ongeweten en ongewild was ik een onderdeel van de toenmalige sociale mobiliteit die West-Europa zou veranderen. Kinderen werden getest op hun schoolse intelligentie, waarna hun ouders advies kregen welke opleiding aansloot bij de mogelijkheden van hun spruit (bij mij werd dat Grieks-Latijnse). In terugblik besef ik dat de school waar ik naartoe gestuurd werd, vooral kinderen rekruteerde uit de lagere middenklasse: zonen van bakkers, beenhouwers, automechaniekers, schoenlappers. Een groep die elkaar herkende en die van huize uit de ambitie met de paplepel meegekregen had. Er waren ook een handvol boerenzonen en een nog kleiner aantal jongens uit het arbeidersmilieu. Na zes jaar bleven enkel de kinderen uit de middenklasse over, de anderen hadden onderweg afgehaakt. Wij gingen door, het merendeel deed universitaire studies, twee ervan werden zelfs hoogleraar. Het resultaat was dat ik mij als jongvolwassene nergens nog thuis voelde – mijn familie voelde niet meer als thuis, en de intellectuele kringen waarin ik mij bewoog, evenmin. Ik herinner mij nog het ongemakkelijk gevoel na mijn doctoraatsverdediging toen de aristocratische voorzitter van de jury een praatje ging maken met mijn ouders – zij spraken nauwelijks Nederlands. Nu, meer dan dertig jaar later, voel ik mij beschaamd over de schaamte die ik toen voelde. De juiste emotie zou dankbaarheid geweest zijn.

Het boek van Didier Eribon is een meesterwerk (en dus leest het niet altijd even makkelijk), zowel literair als inhoudelijk. Het biedt een terugblik op zijn geschiedenis en die van zijn oorspronkelijke sociale klasse. Als bonus krijg je een verklaring voor het huidige succes van het hedendaags nationaalsocialisme. Geboren in 1953 als zoon van arbeiders in Reims is hij een van de weinigen die, dankzij onderwijs én een paar mensen die in hem geloofden, uit die klasse is kunnen wegstappen. Weglopen is een betere omschrijving, want op jonge leeftijd breekt hij met zijn familie, hoofdzakelijk omwille van zijn homoseksuele geaardheid. Hij zal pas dertig jaar later, na de dood van zijn vader, terugkeren en vooral, terugblikken.

Door de lectuur van dit boek heb ik voor het eerst doorvoeld begrepen op welke sluipende manier uitsluitingsmechanismen werken en onder andere als gevolg hebben dat slechts weinig arbeiderskinderen hoger onderwijs volgen – ze haken ‘spontaan’ af. Ik herinner mij een medeleerling uit mijn eerste jaar Grieks-Latijnse, zoon van landarbeiders en duidelijk heel erg intelligent. Na de zomervakantie was hij verdwenen. Op mijn achttiende deed ik een vakantiejob in een fabriek en ontmoette hem opnieuw – hij had geen enkele studie afgewerkt en stond al twee jaar aan de lopende band. Ik begreep niet, echt niet, hoe dat kon. Nu begrijp ik het wel.

Beide ouders van Eribon combineerden twee jobs – de vader een in de fabriek en een daarbuiten, de moeder in de fabriek met het huishouden daar bovenop. Hard werken belette niet dat ze voortdurend vernederd en gebrutaliseerd werden, zeker de moeder – een halve eeuw voor #MeToo was seksueel misbruik schering en inslag. Ze stemden communist, zoals alle Franse arbeiders tot diep in de jaren zestig, niet omdat ze overtuigd communist waren, wel als protest tegen het onrecht dat ze dagelijks moesten ondergaan.

De tragiek wil dat een onzichtbaar sociaal reproductiesysteem hun kinderen in hetzelfde gareel dwong. Het onderwijs weerde hen – ook vandaag de dag zijn er nog leerkrachten én scholen die kinderen uit de lagere sociale klasse het ‘advies’ geven om toch maar beroepsonderwijs te volgen. In het gunstige geval waar leerkrachten en scholen emanciperend te werk willen gaan, botsen ze op weerstand bij de kinderen (en hun ouders), die aan zelfselectie doen. De mogelijkheid om onderwijs te kunnen volgen, berust niet alleen op de intelligentie van het kind, maar ook en zelfs vooral op de steun bij en aandacht voor onderwijs in het thuismilieu, en op de sociale vaardigheden en omgangsvormen die het kind met zijn opvoeding meekrijgt. Dat alles maakt dat het zich ‘thuis’ voelt tussen de andere leerlingen. Of niet, waarna er in veel gevallen zelfeliminatie volgt. De kleren die je draagt, de taal die je gebruikt, de onderwerpen waarover je praat, de kennis die je van thuis meebrengt: als die niet sporen met de groep, dan lig je eruit; of hou je de eer aan jezelf en stap je er zelf uit.

Zijn homoseksuele geaardheid maakte Eribon tot een buitenbeentje in zijn eigen sociale klasse – homo zijn in Frankrijk in het algemeen en in het arbeidersmilieu van de jaren zestig in het bijzonder, je wil het niet meemaken. Op school was het zijn sociale klasse die hem tot outcast maakte.  Ik beeld mij in dat hij zich in de klas net iets minder vreemd voelde dan thuis, daardoor tegen alle verwachtingen in toch zijn diploma behaalde en naar Parijs kon vertrekken. Net zoals vele jongvolwassen homo’s begint hij in de grootstad een nieuw leven. Zijn intelligentie wordt opgemerkt en snel verwerft hij een plaats als journalist. Nog later studeert hij filosofie en sociologie en wordt hij een gevierd academicus.

Jarenlang blijft hij ervan overtuigd dat hij als kind verworpen werd omwille van zijn homoseksualiteit, en dat het hem een half leven gekost heeft om zich van die opgelegde inferieure positie los te maken. Op zijn zestigste beseft hij dat dit maar de helft van het verhaal is, misschien zelfs de minst belangrijke helft. Als zoon van niet-geschoolde arbeiders heeft hij zich even hard moeten bevrijden van de hem opgelegde identiteit onderaan de ladder. Naar buiten treden als homo in Parijs zal ongetwijfeld aangevoeld hebben als een bevrijding. De andere kant van wie hij is, blijft hij dertig jaar angstvallig verbergen. Voorbij de leeftijd van vijftig komt hij tot de pijnlijke vaststelling dat zijn vrienden en collega’s nauwelijks iets weten over zijn afkomst, omdat hij zijn eigen verhaal zorgvuldig verzwegen heeft op grond van diepe schaamte. Het schrijven van dit boek is een andere vorm van ‘uit de kast komen’.

Dertig jaar nadat hij zijn familie ontvlucht is, zoekt hij hen terug op.… Lees verder

Géraldine Schwarz

 

Géraldine Schwarz

De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme.

 

Na de lectuur van de twee vorige boeken (Van Duppen en Hoebeke; Bregman) komt het werk van Géraldine Schwarz toch wel als een koude douche. Slechts weinig mensen deugen in tijden van beproeving, mensen kunnen supersamenwerkers worden voor heel verkeerde dingen, en vooral: mensen zijn o zo beïnvloedbaar. Op grond vaneen persoonlijk motief – Schwarz is de dochter van een Duitse vader en een Franse moeder, beiden kort na WO II geboren – onderzoekt zij hoe haar Duitse en Franse familie, en ruimer, hoe Duitsland en Frankrijk, Italië en Oostenrijk hun oorlogsgeschiedenis verwerkt hebben. Bij de vertaling van het boek heeft de schrijfster een hoofdstuk over Nederland toegevoegd – haar zus was ondertussen getrouwd met een Nederlandse man, waardoor de familie Duits-Frans-Nederlands werd.

Het korte antwoord op de vraag naar de verwerking van de oorlogsgeschiedenis luidt:  veel te weinig en veel te laat. Het langere antwoord toont op welke manier en in welke mate zowel gewone mensen als overheidsinstanties (ja, ook in Frankrijk, en verrassend genoeg, zelfs in Nederland waar procentueel het hoogst aantal Joodse slachtoffers viel) meegewerkt hebben met de Nazi’s, en hoe ze dit decennia lang ontkend hebben.

Het is een bittere pil om slikken: mensen zoals u en ik zijn in staat een gruwelijk beleid toe te laten, er zelfs actief aan mee te werken, en gaan dat nadien ontkennen of vergoelijken. Schwarz toont minutieus aan hoe het gif van volksmenners vanaf de jaren dertig geleidelijk de geesten overnam, door aanvallen op de vrije pers (‘Lugenpresse’), op de universiteiten en op rechters. Hoe de nazi’s doelbewust uittestten hoe ver ze konden gaan (het begon met het uitmoorden van gehandicapten, gecamoufleerd als ‘genadedood’, het eindigde met de holocaust en het afslachten van een burgerbevolking in Rusland).  Pers, universiteiten en rechters waren onderweg al monddood gemaakt (vaak ook gewoon dood).

De schrijfster neemt uitdrukkelijk een ethisch standpunt in dat we al bij Sophocles’ “Antigone” vinden (Antigone begroef haar broer ondanks een wettelijk verbod): er is een hogere wet die de wet van de ‘polis’ of de staat overstijgt, zeker als beleidsvoerders wetten herschrijven waardoor misdaden gelegaliseerd worden. Weigeren mee te werken aan een dergelijk beleid is het minimum minimorum, actieve burgerlijke ongehoorzaamheid is beter. Uit haar relaas blijkt bovendien dat dit zelden bestraft werd. Maar ook dat slechts een minderheid verzet aantekende, in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en Italië (Bulgarije was toonaangevend in de weigering Joodse burgers uit te leveren). De overgrote meerderheid werden simpelweg meelopers, die vaak al gehoorzaamden vooraleer er een duidelijk bevel geformuleerd werd en  hielpen op die manier mee aan de steeds groter wordende onmenselijkheid.

Tegenwoordig heeft ongeveer iedereen het geloof verloren in de traditionele politieke partijen. De verklaring daarvoor is makkelijk te formuleren: de voorbije regeringen doen niet langer aan politiek in functie van hun kiezers, ze voeren een economisch beleid in functie van een kleine minderheid. Het gevolg is dat steeds meer mensen sympathie krijgen voor ultrarechtse, nationalistische partijen die een andere, meer ‘nationaal-socialistische’ aanpak beloven, zij het zonder het gebruik van die vlag en al helemaal zonder sociaal te zijn. Ik kan alleen maar hopen dat veel mensen dit boek zullen lezen, want naast het geloof in ‘de’ politiek zijn we ook ons geheugen verloren. Dit boek is een meer dan noodzakelijke wake up call.

Hieronder geef ik een aantal citaten uit ‘De geheugenlozen’. De vergelijking met het heden laat ik aan de intelligentie van de lezer over.

“(…) en toen de bezittende klasse doorkreeg dat Hitler de sociale orde niet omver zou werpen, steunde ze hem zonder aarzelen. Wat toegang tot (hoger) onderwijs betreft ondernam het regime niets om de sociale reproductie te doorbreken, en in de bedrijven bevoorrechtte het de werkgevers ten nadele van de werknemers: cao-regelingen, contractvrijheid en stakingsrecht werden afgeschaft, terwijl de vakbonden kapotgemaakt, hun bezittingen in beslag genomen en hun leiders gevangengenomen werden, (…) .” (Pp. 113-114).

“Door de filter van de nationaalsocialistische censuur was de kwaliteit van de cultuurprogramma’s aanzienlijk achteruitgaan, maar ter compensatie bood de staat een grote waaier ontspanningsactiviteiten aan (….). Het streefdoel was allerminst sociaal, maar ideologisch: de ban met de Volksgemeinschaft en daarmee ook met de Führer en de staat versterken.” (Pp. 115-116).

“Hitler had de Frauenemanzipation, die volgens hem ‘slechts een door het joodse intellect uitgevonden woord’ was, de oorlog verklaard.” (p.121).

“Meer in het algemeen voelde de conservatieve en hoogopgeleide elite zich aangesproken door de antisocialistische en antidemocratische toon van de Führer (…).” (p.123).

“Er is in ons leven een grens voorbij welke we niet meer mogen meedoen (…) dat is de basis van iedere ethiek en ieder recht.” (p.149).

“De Duitse president (Richard von Weisacker) eindigde zijn toespraak (in 1985) met: ‘we leren uit onze eigen geschiedenis waartoe de mens in staat is. Daarom moeten we ons niet inbeelden dat we als mens nu anders en beter zouden zijn geworden.'” (p.251).

“Door te geloven dat toegeven bij kleine dingen geen gevolgen heeft. Uiteindelijk wordt het een opeenstapeling, kleinigheid op kleinigheid, compromis op compromis. Je komt op een kruising tussen goed en kwaad te staan. Je aanvaardt, je aanvaardt. Je wijkt voor jezelf. Je vergeet de mens die je bent geweest, de mens die je zou moeten zijn. Je houdt jezelf voor een toeschouwer te zijn, terwijl je allang hoofdrolspeler bent. En als vanzelf aanvaard je het onherstelbare.” (p.282).

“Ik (Chris Dutilh, vrijwilliger bij het Nederlandse Verzetsmuseum) probeer jongeren bij te brengen dat je altijd de keuze hebt om verzet te plegen en niet te zwichten, maar dat dat moed vergt en een morele ethiek, en ik spoor hen aan die ethiek nu al te ontwikkelen door met anderen van gedachten te wisselen en boeken te lezen.” (Pp. 401-402).

“(…) Thierry Baudet (voor de Vlaamse lezer: denk aan Theo Francken cum suis) maakt gebruik van de klassieke retoriek van de populisten van vroeger en vandaag: hij zwaait met de dreiging van de ondergang van het land, jut de kiezers op tegen de journalisten, de academici, de traditionele politici, de Europese Unie en de klassieke zondebokken: de immigranten.… Lees verder

Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke
Rutger Bregman

 

 Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke

De supersamenwerker

 

Rutger Bregman

De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens.

Korte dagen, lange avonden, dus tijd voor een luie stoel onder de leeslamp, een glas wijn en een feel good-boek. Ik heb er twee en bespreek ze samen, eenvoudigweg omdat ze bij elkaar horen. Ze behandelen hetzelfde onderwerp (de wetenschappelijke onderbouwing van solidariteit en empathie) vanuit een verschillende invalshoek (natuurwetenschappelijk; menswetenschappelijk), ze hebben hetzelfde doel (het naar voren schuiven van een correcter mensbeeld), ze komen tot gelijkaardige conclusies, zij het met verschillende accenten (politiek-maatschappelijk; ontologisch-beschouwend).  Kortom, ze vullen elkaar mooi aan.

Beide werken zijn geschreven vanuit een persoonlijke missie. Dirk Van Duppen behoort tot de linkse PVDA en werkt sinds jaar en dag als arts bij Geneeskunde voor het Volk, zie https://www.humo.be/humo-archief/405975/dirk-van-duppen-het-grote-afscheidsinterview-voor-farmabedrijven-is-een-levensjaar-50-000-euro-waard; biochemicus Johan Hoebeke is eveneens lid van de PVDA en gewezen onderzoeksleider aan het Centre National de Recherche Scientifique (Frankrijk). Rutger Bregman is de zoon van een dominee en kreeg zowel kritisch nadenken als predikantschap met de paplepel mee. Beide boeken illustreren hoe wetenschap nooit neutraal kan zijn (maar wel objectief moet blijven). Alleen al de keuze van het onderwerp en de bijbehorende onderzoeksvragen hebben een sturend effect. Mensen uit neoliberale thinktanks zullen solidariteit nooit op hun onderzoeksagenda plaatsen, zij focussen op concurrentie.

De supersamenwerker dateert van 2016 en kreeg aanvankelijk weinig aandacht. Marxisme en ultralinks zitten tegenwoordig in het verdomhoekje. Ondertussen is er een vierde druk. De meeste mensen deugen werd reeds voor de publicatie de hemel in geprezen en kende binnen de kortste keren meerdere herdrukken. Beide boeken krijgen aanbevelingen van een rij prestigieuze professoren, met als opvallend verschil dat er bij De supersamenwerker zes tot de top behoren van de natuurwetenschappen. Het cliché dat natuurwetenschappers ‘rechts’ zouden zijn, vindt hier alvast geen bevestiging.

Ook een ander cliché gaat voor de bijl. In het Westen zijn wij er al eeuwenlang van overtuigd dat de mens (vooral de andere mens) door en door slecht is, en dat vanaf de geboorte; zonder strenge opvoeding en centraal gezag komt er ‘oorlog van allen tegen allen’ (Hobbes). In de vorige eeuw werd dat nog eens wetenschappelijk bevestigd ook, denk maar aan Milgram (de beul in ons) en Dawkins (Het zelfzuchtige gen). Confess, confess! Na het lezen van deze boeken kijk je op een andere manier in de spiegel: je ziet een in se zachtaardig wezen dat zich vooral goed voelt bij geven en krijgen en pas gewelddadig wordt na serieuze aanporring. Research van pakweg de laatste vijftien jaar weerlegt tweeduizend jaar zelfhaat en ontmaskert en passant heel wat slecht onderzoek.

De supersamenwerker bestaat uit twee delen, een wetenschappelijk-onderzoeksmatig en een historisch-wetenschappelijk. Het eerste deel bundelt research uit onder andere neurowetenschappen, experimentele evolutionaire psychologie en paleoantropologie. Het tweede deel bespreekt de geschiedenis van de manier waarop we naar onszelf kijken. Het gemeenschappelijke onderwerp van het geheel betreft intermenselijke verhoudingen, met accent op samenwerking.

‘Waarom wij samenwerken’, het eerste deel, is een bijzonder geslaagde weergave van heel veel recent onderzoek. Er is een uitvoerig notenapparaat waar een kritische lezer de bronnen kan natrekken (die zijn erg overtuigend). Wie een voorkeur heeft voor natuurwetenschappen komt ruim aan zijn trekken in de hoofdstukken over neurologie en evolutieleer, waaruit blijkt dat anderen helpen, empathie en altruïsme in onze biologische make-up ingebakken liggen. De ontdekkingen van de voorbije decennia zijn fascinerend, gaande van spiegelneuronen, oxytocine (het knuffelhormoon), over nervus vagus tot prosociaal gedrag bij kleuters –  veel te veel om hier op te sommen. Peuters vertonen spontaan help- en deelgedrag, maar wanneer ouders hen daarvoor belonen, doet dit het gedrag afnemen. Extrinsieke motivatie kan een intrinsieke motivatie om zeep helpen (bonussen, iemand?). Een andere, ondertussen dankzij Frans de Waal bekende vaststelling is dat alle sociale dieren zeer negatief reageren op oneerlijke verdelingen. De recente wereldwijde golf van straatprotesten tegen ongelijkheid toont hoe dit ook voor Homo sapiens geldt.

De mens heeft een goede inborst, maar wat dan met onze negatieve kanten? De omgeving selecteert overwegend voor alles wat samenwerking inhoudt, maar kan ook het zelfzuchtige in het individu bevorderen. Blijkbaar werkt zoiets zelfbestendigend, want hoe meer iemand bezit, hoe minder hij wil delen. Zelfs in het verkeer zijn er opvallende verschillen: chauffeurs van dure auto’s houden zich minder aan de regels en vertonen meer asociaal gedrag dan mensen met een gewone wagen. Wie nu mocht denken dat dergelijke chauffeurs andere genen hebben – de alfa male! –  vergist zich: plaats iemand langere tijd in een positie van machtshebber en hij of zij zal dit soort gedrag vertonen (meteen een belangrijk argument om niemand al te lang in zo’n positie te houden). Ons gedrag wordt bepaald door de combinatie sociale positie & omgeving.

Een reëel risico voor goed samenleven is de vaststelling dat wij van kindsbeen af een voorkeur hebben voor onze ‘ingroup’, en afstand houden van de ‘outgroup’. Risico, omdat dit de deur wagenwijd openzet voor manipulatie en conflicten op groepsniveau, tot (burger)oorlog toe. Tonnen sociaalpsychologisch onderzoek tonen hoe makkelijk wij te manipuleren zijn. Opvallend: groepsvorming gebeurt niet op grond van aangeboren kenmerken (het volstaat een groep in twee helften te verdelen en elke groep een t-shirt aan te trekken met een verschillend kleur), en groepsvorming gaat niet automatisch een vijandige richting uit (maar kan makkelijk in die richting geduwd worden). De politieke implicaties van dergelijke vaststellingen liggen voor de hand. Hebben we verbindende of mensen-tegen-elkaar-opzettende politici? Ruimer: hoe kunnen we een samenleving organiseren die het beste in ons naar boven haalt? Dit kan een nieuwe betekenis geven aan het woord ‘excelleren’ dat tegenwoordig te pas en vooral te onpas gebruikt wordt: excelleren in samenleven, in plaats van excelleren ten koste van de ander.

Het tweede deel, ‘De geschiedenis van het denken over samenwerking’ blijft voor een flink stuk putten uit de natuurwetenschappen, met een accent op genetica, evolutietheorie en zelfs op wat we weten over het ontstaan van het leven op zich. In dit deel tonen de auteurs aan hoe wetenschappelijke gegevens misbruikt kunnen worden om onethische praktijken te rechtvaardigen door hen te voorzien van een pseudowetenschappelijke onderbouw.… Lees verder

Frans de Waal

Frans de Waal

Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.

Biologie heb ik pas in mijn eerste jaar universiteit ontdekt, toen ik onderwijs kreeg van wijlen professor Hublé (https://www.ugentmemorie.be/personen/huble-jan-1923-2009). Zijn colleges waren een verademing tussen de toenmalige gortdroge psychologie- en pedagogiekvakken. Na mijn studies woonde ik vijftien jaar op een boerderijtje waar mijn kinderen opgroeiden tussen andere dieren – biologie-in-de-praktijk dus. Ik kijk nog altijd met plezier terug op mijn geitenwollensokkenperiode.

Frans de Waal is een even begenadigde verteller als Hublé en een wetenschapper om u tegen te zeggen. Met zijn onderzoek heeft hij niet alleen onze blik op dieren grondig gewijzigd, hij verplicht ons ook tot een grondige herziening van ons zelfbeeld. In zijn boeken veegt hij de vloer aan met twee misvattingen: dat dieren gevoelloze wezens zouden zijn én dat de mens rationeel functioneert. Alle dieren hebben emoties en bij het Homo sapiens-dier is rationaliteit slechts een dunne korst boven een kolkende binnenkant, gaande van angst en haat tot geilheid en liefde. Sterker nog: rationele kennis heeft alleen maar impact als ze emotioneel onderbouwd is.

Nu we toch bezig zijn, kunnen we nog een derde miskleun uit de wereld helpen: de illusie van het autonome BV-Ik, geruggesteund door een psychologie die nog altijd niet door heeft dat mensen tot de sociale diersoorten behoren. Onze gedragingen en gedachten hebben slechts een betekenis en een functie in verhouding tot anderen, desnoods een denkbeeldige ander. Psychologie is altijd sociale psychologie.

Overigens vormde de ontkenning dat dieren emoties vertonen geen enkel beletsel om tot een paar decennia terug chimpansees als oorlogszuchtige monsters te beschrijven – de ‘killer ape’ – én bovendien meteen de parallel te trekken met de mens. Wij hebben al eeuwenlang een uiterst negatief zelfbeeld – zondig, wellustig, moorddadig – wat ‘wetenschappelijk’ onderbouwd werd door onze slechte inborst te verklaren met een verwijzing naar ‘het beest’ in de mens.

Dergelijke vooroordelen zijn door en door fout. de Waal beschrijft hoe sociale dieren bijna het volledige gamma van emoties vertonen, zowel helpende als egoïstische, zowel liefdevolle als agressieve. Lachen en fronsen, empathie en sympathie, maar ook schaamte en schuldgevoel, machtswellust en wraak komen in afzonderlijke hoofdstukken aan bod, vol prachtige verhalen met voor dierenliefhebbers zeer herkenbare beelden. Het openingshoofdstuk (waar de titel van het boek naar verwijst) is ontroerend mooi: een oude man neemt afscheid van een stervende oude vrouw – ontroerend, ook al omdat het de stervende vrouw is die de man geruststelt.

De vrouw is een chimpansee, de man een hoogleraar biologie, je kan het hier bekijken (en meteen hoor je ook de Waal):

https://www.youtube.com/watch?v=1wEl8gNxWuk

Het laatste stuk van de titel ‘en wat ze zeggen over onszelf’ verwijst naar de kernboodschap van dit boek. Wij zijn zo behept met wie we denken te zijn dat we zelfs in dieren een bevestiging proberen te vinden van eigen angsten en verlangens. Wie een pessimistisch mensbeeld heeft, herkent een nauwe verwantschap tussen Homo sapiens en agressieve chimpansees. Optimisten herkennen zichzelf liever in de bonobo’s, met wie we genetisch even nauw verwant zijn, waar vrouwen de groep leiden en alle conflicten een oplossing vinden in seks (allen daarheen!). Zoals altijd is de waarheid een stuk complexer. Wat de Waal beschrijft, is dat sociale diersoorten zowel liefdevol als agressief uit de hoek kunnen komen, dat ze helpen maar ook pesten, dat ze troosten maar ook kwetsen. Het boek bulkt van de anekdotes, telkens als illustratie van degelijk onderzoek. Ter illustratie:

  • Feel good-experiment: een rat ontdekt een andere rat in een afgesloten bokaal, bevrijdt die spontaan en toont pas daarna belangstelling voor een tweede bokaal met daarin haar lievelingsvoedsel. Het wordt nog straffer. Wanneer dezelfde rat psychofarmaca (genre prozac) toegediend krijgt, toont ze geen belangstelling meer voor haar gevangen soortgenoot en gaat ze uitsluitend voor de chocoladechips! Ik vermoed dat bepaalde politici antidepressiva slikken, afgaande op hun weigering om mensen te helpen en hun voorkeur voor eigen-snoep-eerst.
  • Maffiosi: in Bali hebben Java-apen geleerd toeristen te bestelen en het gestolen goed (meestal een smartphone) pas terug te geven in ruil voor minstens een volledige zak pinda’s.
  • Pestkoppen: jonge chimpansees die zich (in gevangenschap) te pletter vervelen, lokken kippen met broodkruimels tot vlak bij de afsluiting en geven ze dan een mep met een stok.
  • Vakbondsleden: mensapen die ervoor zorgen dat hun ‘collega’s’ dezelfde beloning krijgen voor hetzelfde ‘werk’ als zijzelf.

Het besluit van het boek is hoopvol: ondanks een aantal ‘kleinmenselijke’ neigingen zijn de meeste primaten vooral gericht op samenwerking, en niet op zelfzuchtigheid (het volgende boek dat ik bespreek, draagt als titel De supersamenwerker).

Tot slot: verrassend genoeg maakt de Waal bij dieren hetzelfde onderscheid tussen emoties en gevoelens als ik in Intimiteit deed bij mensen. Emoties (in mijn jargon: ‘affecten’) zijn lichamelijke processen die grotendeels buiten ons bewustzijn om verlopen. Ze staan los van taal maar hebben een hoge communicatieve functie. Sociale dieren reageren veel sneller op iemands emoties dan op wat iemand zegt of doet, wat betekent dat ze zeer belangrijk zijn voor de manier waarop we keuzes maken. Wanneer we emoties niet bewust ervaren, zullen onze keuzes nauwelijks echte keuzes zijn. In het geval we onze en/of andermans emoties bewust (h)erkennen, worden het gevoelens, met als gevolg dat er meer keuzevrijheid komt. Op de allerlaatste bladzijde formuleert hij dezelfde conclusie als deze van Intimiteit: bewustwording van affecten zou wel eens de beste manier kunnen zijn om ermee om te gaan. Zeg dat de Waal het (ook) gezegd heeft.

Frans de Waal (2019)
Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.
Uitgeverij Atlas Contact, 366 pagina’s.
ISBN 978 90 450 3429 4

Jelmer Mommers

Jelmer Mommers
Hoe gaan we dit uitleggen? 
Onze toekomst op een steeds warmere aarde.

Jelmer Mommers behoort tot een ras waar ik van hou: de gedreven onderzoeksjournalisten die zich vastbijten in een onderwerp en daar vervolgens een toegankelijk én genuanceerd verhaal over neerpennen.

Waarom ik zijn boek zo goed vind? Omdat het een antwoord biedt op een van de meest ondraaglijke gevoelens die ik ken: machteloosheid. De berichten over de klimaatverandering zijn ondertussen zo onheilspellend dat ontkennen alleen nog weggelegd is voor idioten en politici in dienst van economische molochs. Terzelfdertijd voelen we ons machteloos, zeker als we moeten vaststellen dat de Belgische overheid doet alsof er geen vuiltje aan de lucht is, en op het politieke toneel narcisten zoals een Trump en een Johnson het mooie (?) weer maken. Daar sta je dan, met de fiets in de hand en je boodschappentas vol lokaal geteelde groenten en fruit – als het een bakfiets is, loop je in Vlaanderen nog het risico voor ‘elitair’ uitgescholden te worden ook.
Machteloosheid ervaren we wanneer we passief moeten toekijken op dingen die een ernstige bedreiging inhouden – terzijde: dit is een klassieker bij het ontstaan van een traumatische stressstoornis. De beste verdediging is een switch naar een actieve houding. Je zal je stukken beter voelen, en dat is nog meer het geval wanneer je dat samen met anderen doet. Dit boek kan daarbij helpen. Eens je het uit hebt, ben je overtuigd van twee zaken. Eén: de klimaatverandering is een nog grotere bedreiging dan je al vermoedde. Twee: er is een uitweg, op grond van collectieve en individuele inspanningen waar je zelf toe kunt bijdragen.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel vertelt de auteur waarom de klimaatverandering inderdaad een bedreiging is, en dit op grond van vijf jaar studiewerk. Vrolijk word je er niet van. In zijn woorden: ‘Het eerlijke verhaal is dat we ongelofelijk diep in de shit zitten.’
De titel van deel twee luidt: ‘Waar gaat het heen?’ Het korte antwoord luidt ofwel naar ‘muren’ (Fort Europa met onze versie van Trumps muur erom heen), ofwel naar ‘bossen’. Het eerste scenario komt neer op een wanhopig proberen vast te houden aan wat toch onherroepelijk verdwijnt; het tweede houdt een evolutie in naar een andere maatschappij.
Het goede nieuws is dat het tweede scenario, waarin we een keuze maken voor een omslag op vlak van energie, landbouw en economie, een realistisch scenario is, zelfs met onze hedendaagse technische mogelijkheden (dat laatste wist ik niet). Een dergelijke omslag impliceert zowel actief ondernemende burgers als een sturende overheid die samen hetzelfde doel nastreven.
Veel lezers knikken nu begrijpend maar denken hoofdschuddend dat een dergelijke omslag er toch niet komt. Daarmee illustreren ze wat Molmers als het allerbelangrijkste obstakel beschouwt: ons o zo negatief zelf- en wereldbeeld. De overtuiging dat alle mensen egoïsten zijn met een ingebakken afkeer voor samenwerking, dat iedereen slechts eigenbelang nastreeft, zit er zo diep ingehamerd dat we het als waarheid beschouwen en er ons ook naar gedragen. Meestal combineren we deze overtuiging met een tweede: dat de overheid en de industrie (‘het systeem’) alleen maar samengesteld zijn uit kwaadaardige sujetten die enkel hun aandelen, c.q. hun populariteit in het oog houden. Recente, wetenschappelijk onderbouwde boeken zoals De supersamenwerker geschreven door Dirk Van Duppen & Jan Hoebeke, en De meeste mensen deugen van  Rutger Bregman, tonen hoe het moreel goede en de wil tot samenwerken ook deel uitmaken van wie de mens is.

Daarmee belanden we bij het derde en belangrijkste deel van het boek,’Wat kunnen we doen?’ Het korte antwoord luidt: veel meer dan je denkt. Verrassend genoeg volgt er geen pleidooi voor ‘minder’ (wat meestal de algemene teneur is,  genre  ‘We zullen moeten inleveren’, ‘De omslag zal banen kosten’), wel een pleidooi voor anders en beter.
Een van zijn sterkste argumenten komt uit onverwachte hoek, met name uit economische studies. ‘De ene analyse na de andere laat zien dat een transformatie naar ware duurzaamheid een bron is van miljoenen nieuwe banen, lagere ziektekosten, minder klimaatschade en groeiende inkomens.’ Veel mensen zijn ervan overtuigd dat economie en geld over ‘alles’ beslissen. Als dat het geval is, dan is de toekomst van een duurzame economie verzekerd, en blijkbaar neemt dat besef toe (er zijn onder Trump al meer kolenmijnen gesloten dan onder Obama).
Toch gaat de verandering traag, en de belangrijkste verklaring vindt Molmers bij overheden die onder invloed van lobbyisten uit de olie- en gassector een status quo willen behouden. Het doordrukken van de noodzakelijke veranderingen wordt ‘het gevecht van de eeuw’. ‘Gevecht’ roept betogingen op met straatrellen, maar Molmers benadrukt twee andere plaatsen: de rechtbank en de beurs.

Straatgevechten zijn spectaculair zichtbaar, juridische gevechten nauwelijks en dat is jammer, want de effecten van een juridische uitspraak hebben meer draagkracht. Burgers die een proces aanspannen tegen de overheid wegens ‘schuldig verzuim’ kunnen een overheid ertoe verplichten van koers te veranderen. Dergelijke processen lopen ondertusen in meer dan twintig landen. Zo werd Nederland in 2015 op grond van een juridisch vonnis verplicht de uitstoot van broeikasgassen met 20% te doen dalen tegen 2020; de Nederlandse staat ging in beroep, in 2018 werd het proces overgedaan en was de veroordeling zo mogelijk nog strenger! De kans dat we hetzelfde in België meemaken, is reëel, zoals hoogleraar milieukunde Pieter Leroy voorspelt  in DS d.d. 19 oktober, zie https://www.standaard.be/cnt/dmf20191018_04670928?articlehash=D8ACF3FB3BC6E0F0F0A3E397F18F0085B2579F7B99EB418DA53BBCBBEF3140995B42E69BEEB0E35B268E585F9078BA6C581EDED8A31535376F79FC80860BF193. Vergelijkbare processen lopen ondertussen tegen multinationals, net zoals indertijd tegen de tabaksindustrie. Op grond van eigen onderzoek was Shell eind vorige eeuw al op de hoogte van de klimaatverandering. Exxon ook en startte vervolgens een campagne om dit verborgen houden. De kans dat zij straks veroordeeld worden, is alles behalve denkbeeldig.

Terzijde even een politicologische noot: de impact van juridische uitspraken die ingaan tegen een (steeds tijdelijk aan de macht zijnde) regering illustreert hoe belangrijk de scheiding der machten is (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Trias_politica). We hebben een van de regering onafhankelijke rechtspraak nodig, om de waan van de dag te onderwerpen aan de ‘checks and balances’ van de hoogste gerechtsorganen.… Lees verder

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall
The misinformation age. How false beliefs spread.

 

Ik had mezelf voorgenomen enkel Nederlandstalige boeken te bespreken, maar voor dit werk moet ik wel een uitzondering maken. Wat deze twee Amerikaanse onderzoekers vertellen, is ontzettend belangrijk voor onze tijd. Ze behandelen twee onderwerpen: foutieve wetenschappelijke informatie (‘fake science’) en de verspreiding daarvan. De kans dat het boek vertaald wordt is klein, daarom licht ik de inhoud grondiger toe, met accent op de ‘misinformation’ en minder op de ‘spreading’. Kort over dat laatste: de auteurs gebruiken computermodellen om te onderzoeken hoe wetenschappelijk verkeerde informatie zelfs bij wetenschappers ingang vindt.

Hun eerste onderwerp – desinformatie – is in deze Donald Trump- en Boris Johnsontijden cruciaal. Aan de hand van drie goed gedocumenteerde voorbeelden tonen de auteurs aan op welke manier correcte informatie uit de natuurwetenschappen in het recente verleden verdacht werd gemaakt en hoe politiek-economische groepen het grote publiek op een misdadige manier hebben misleid of probeerden te misleiden, puur uit commerciële overwegingen.

Het eerste voorbeeld (het effect van roken op de gezondheid) is overbekend, onder andere dankzij de uitstekende documentaire ‘Merchants of doubt’ (‘verkopers van twijfel’, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Merchants_of_Doubt).  De twee andere zijn ondertussen bijna vergeten: CFK’s en hun effect op de ozonlaag; zure regen en de aantasting van bossen.

De manier waarop de Amerikaanse tabakslobby gedurende een halve eeuw doelbewust de dodelijke effecten van nicotine verborgen hield, is een schoolvoorbeeld van ronduit misdadige ‘fake science’. De tabaksgiganten kenden het verband tusen kanker en roken vanaf 1953, waarop ze een systematische strategie ontwikkelden om bona fide onderzoeksresultaten te betwisten. Hun tactiek was simpel: de beste manier om wetenschap te bevechten is door er nog meer wetenschap tegenaan te gooien. In een memo van de tabaksindustrie kan je het volgende lezen: ‘Ons product is het zaaien van twijfel, want dat is de beste manier om de overtuiging van het publiek aan het wankelen te brengen.’ In de praktijk gaven ze tonnen geld uit aan ‘wetenschappelijk’ onderzoek, waaruit – o verrassing ! – telkens opnieuw bleek dat er geen harde bewijzen waren voor bijvoorbeeld het verslavend effect van nicotine of voor het verband tussen roken en longkanker. Onafhankelijke onderzoekers die het tegenovergestelde bewezen op grond van échte research, werden systematisch aangevallen door bijvoorbeeld zwakkere punten in hun resultaten massaal uit te vergroten, en vervolgens hun volledig onderzoek in twijfel te trekken. De tabakslobby speelde ook op de man: intieme zaken uit het privé-leven van onderzoekers kwamen ‘toevallig’ in de pers. Daarnaast werden psychologische labo’s rijkelijk betaald om strategieën te ontwikkelen ter bevordering van het roken, door bijvoorbeeld een sigaret te associëren met gewenste gendermodellen (de Marlboro man; de vrijgevochten vrouw) en door politieke ideeën te misbruiken, genre: “Het is uw vrijheid om te beslissen te roken, laat u dat niet afnemen! Een overheid die afradingscampagnes organiseert, is betuttelend en dus een slechte overheid!”

In 2000 keerde het tij. Dankzij klokkenluiders uit de tabaksindustrie en volhardende wetenschappers werden vijf Amerikaanse tabaksproducenten veroordeeld tot gigantische boetes. Tijdens het proces kwamen hun kwalijke praktijken aan het licht, de publieke opinie heeft zich ondertussen grotendeels tegen hen gekeerd en het aantal rokers blijft dalen. Toch blijft het pijnlijk om te moeten vaststellen hoe sommige politici en zelfs wetenschappers zich lieten omkopen, en hoe economische giganten met volle kennis van zaken een bevolking een dodelijk product bleven aansmeren.

De tweede casus betreft chloorfluorkoolstofverbindingen, bekend als ‘CFK’s’. Zij dienden onder andere als drijfgas voor spuitbussen en koelvloeistoffen in koelkasten. Inderdaad: dienden, ondertussen behoort dit tot het verleden. De manier waarop het verbod op CFK’s tot stand kwam, leest als een wetenschappelijke detectiveroman. Vanaf 1975 kwamen er onheilspellende berichten over de ozonlaag – een onderdeel van de atmosfeer rond de aarde die letterlijk van levensbelang is omdat ze de schadelijke zonnestralen tegenhoudt. Boven Antarctica hadden wetenschappers een reusachtig ‘gat’ in die laag ontdekt, met als gevolg een wereldwijd gezondheidsrisico. Hun onderzoek werd evenwel niet bevestigd door andere metingen uitgevoerd met een satelliet, met als gevolg een controverse in de onderzoekswereld.

Vervolgens zien we natuurwetenschap aan het werk zoals het hoort: nog andere onderzoekers gingen met de data aan de slag, nieuwe metingen werden uitgevoerd, de discussie greep plaats in wetenschappelijke tijdschriften en congressen. Uiteindelijk komen de wetenschappers tot een grote consensus: er is inderdaad een gat, en – nog belangrijker – de oorzaak ligt ten volle bij menselijke activiteit, met name bij het gebruik van CFK’s. Dergelijke gassen stijgen op tot in de atmosfeer en breken daar de beschermende ozonlaag af. De overheid werd gealarmeerd door de American Academy for Sciences, met als gevolg in 1979 een volledig verbod op het gebruik van CFK’s in de VS. Tien jaar later volgde de rest van de wereld, met dank aan de Verenigde Naties.

Wat we hier zien is een politieke besluitvorming in functie van het algemeen belang, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waarover een grote eensgezindheid bestaat. Vanuit de industrie werden er uitdrukkelijk pogingen ondernomen om dit te boycotten met gelijkaardige argumenten als de tabakslobby: ‘Sommige wetenschappers komen tot andere bevindingen’, ‘De resultaten zijn niet honderd procent zeker’, ‘Er zullen veel banen verloren gaan’, ‘Het is financieel niet haalbaar’. Gelukkig waren er verantwoordelijke regeringen aan de macht die een keuze maakten voor het welzijn van hun bevolking.

De derde casus, zure regen,  is gelijkaardig en toch weer niet, want in dit geval koos de Amerikaanse regering de kant van de ‘vrijemarkt’-economie, tegen het belang van haar kiezers in. Voor wie het zich niet meer herinnert of het zelfs nooit geweten heeft, een korte samenvatting. In het laatste kwartaal van de vorige eeuw werd wereldwijd vastgesteld dat bossen steeds meer dode bomen telden. De oorzaak was aanvankelijk onduidelijk. Wetenschappers gingen aan de slag, en eind jaren zeventig kwam er een definitieve wetenschappelijke uitspraak: de bomen sterven door zure regen, wat een gevolg is van de uitstoot van industrie en huishoudens. Gezien het belang van bossen zijn maatregelen meer dan nodig, dat was de alweer ruim onderbouwde wetenschappelijk conclusie.

In dit geval nam Europa het voortouw, en de EU legde vrij snel ingrijpende beschermende maatregelen op.… Lees verder

Bert van den Bergh

Bert van den Bergh

De schaduw van de zwarte hond. Depressie als symptoom van onze tijd.

Wie wil begrijpen wat een depressie is en welke overduidelijke verbanden er bestaan met ons tijdperk waarin we zowel het gelukkigst als het depressiefst zijn, die vindt in dit boek goed onderbouwde antwoorden. Als bonus krijg je een degelijk zicht op de geschiedenis van de psychiatrie. Ik vond het boek meer dan de moeite waard en schreef er een inleiding voor. Die vind je hier:

AFSTEMMING EN RITME

Dit boek is zo rijk dat ik het knap lastig vind om een voorwoord te schrijven dat de rijkdom tot zijn recht laat komen. De schaduw van de zwarte hond is een van die zeldzame werken waar het historische, het existentiële en het persoonlijke samenkomen op een manier waardoor ze elkaar wederzijds versterken. Het zal wel geen toeval zijn dat ‘afstemming’ een sleutelbegrip in het boek is, resonantie, overigens samen met ritme.

Geschiedenis weerklinkt in de manier waarop wij over onszelf denken, zij het tegenwoordig met veel valse klanken en een abominabel ritme, waardoor de afstemming in en met onszelf en onze omgeving grondig verstoord is. Hoe ontstemd ons zelfbeeld wel klinkt, blijkt uit de gangbare manier waarmee we aankijken tegen eigen leed.

Depressie wordt gereduceerd tot een chemisch onevenwicht in onze hersenen ten gevolge van nog nader te ontdekken biologische oorzaken. Nederland heeft zelfs een heuse Hersenstichting, met campagnes waar je nog in 2017 het volgende kon lezen: ‘Een op de vier mensen heeft een hersenaandoening. Zo lijden ruim 500.000 Nederlanders aan een depressie.’ Dergelijke onzin zet vandaag de dag de toon, omdat de officiële psychiatrie vooralsnog verkocht blijft aan de farmaceutische vetpotten. Voor alle duidelijkheid voeg ik er onmiddellijk aan toe dat de opvatting waarbij geestesziektes gereduceerd worden tot hersenaandoeningen veel ouder is, en de geschiedenis van de psychiatrie onder andere gelezen kan worden als een slingerbeweging tussen Psychiker en Somatiker.

Studie van deze geschiedenis houdt het ‘wij zijn ons brein’-tijdperk een ongemakkelijke waarheid voor: psychiatrie is vanaf haar aanvang een praktijk die door en door bepaald wordt door de idealen van de maatschappij waarin ze functioneert. Verandert de maatschappij, dan verandert het idee van normaliteit en dus meteen ook het idee van afwijking en het doel van de behandeling.

Het huidig psychiatrisch diagnostisch systeem – de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) – ligt volledig in deze lijn. Het doet zich voor als een op objectieve waarnemingen gebaseerde classificatie van mentale stoornissen, terwijl het vooral afwijkingen van het huidige maatschappelijk ideaal beschrijft. Een blik op een DSM-diagnose leert snel dat bijna elke diagnostische beschrijving drie lagen bevat: een psychologische, een sociale en een medische. Het psychologische aspect is de zichtbare buitenkant, met beschrijvingen zoals ‘lijkt vaak niet te luisteren’ of ‘affectief instabiel’. Ondanks de dominante aanwezigheid van sociale normering ligt de tweede laag meer verborgen, paradoxaal genoeg achter en in een van de meest gebruikte woordjes: het woord ‘te’ in alle denkbare varianten. Zo bevat de omschrijving van de borderline persoonlijkheidsstoornis een tiental te’s. Te veel kenmerk zus of te weinig gedrag zo. Te druk. Te weinig aandacht. Begrijp: te veel of te weinig in functie van een impliciet gehanteerde sociale norm. De derde laag, de medische, is het meest verborgen en vinden we in de inleiding van het handboek, zijnde de hoopvolle veronderstelling dat de beschreven stoornissen brain disorders zijn, ondanks het ontbreken van overtuigend wetenschappelijk bewijs.

De rationale van de DSM-diagnostiek laat zich dan als volgt samenvatten: op grond van biologische oorzaken komt een psychologisch of gedragsmatig kenmerk te veel of te weinig voor, afgemeten aan een normering die niet openlijk benoemd wordt als sociaal. Een dergelijke diagnostiek heeft dan ook een onmiskenbaar effect op het therapeutische doel. Het ‘te veel’ moet weg, en het ‘te weinig’ moet meer. Genezing betekent dat de patiënt opnieuw beantwoordt aan de sociale norm van de plaats en de tijd waarin hij leeft.

Als een behandeling een dergelijk doel dient, dan moeten we de achterliggende diagnostiek zorgvuldig bekijken. Nog concreter: wat is het bijbehorende mensbeeld waaraan dat ‘te veel’ of ‘te weinig’ wordt afgewogen? Sinds de millenniumwisseling zijn er heel wat auteurs geweest die dit mensbeeld elk op hun manier geëxpliciteerd hebben, met Trudy Dehue als pionier in Nederland. Andere auteurs leggen eigen accenten binnen een vergelijkbare redenering. Met dit boek maakt de lezer kennis met denkers die in het Nederlandse taalgebied meer bekendheid verdienen, bijvoorbeeld Dany-Robert Dufour, Alain Ehrenberg, Thomas Fuchs en Hartmut Rosa. Vanaf nu kunnen we daar ook Bert van den Bergh toe rekenen.

Het huidige mensbeeld waar wij aan moeten beantwoorden om als normaal bestempeld te worden, vat Van den Bergh samen als de homo oeconomicus-mobilis-libidinosus: de immer ondernemende, immer in beweging zijnde, immer genietende en succesvolle bv ik. Wie zich daarmee identificeert, is normaal, maar raakt binnen de kortste keren ontstemd en uit ritme. De auteur toont mooi aan dat de oorsprong van dit ideaal veel verder in de tijd teruggaat dan het huidige ultraliberalisme. De groep succesvolle gestoorden die zich overeind houdt met coke en rilatine/ritaline blijft grotendeels onzichtbaar. De mislukkelingen kunnen hun gevoel gefaald te hebben verbergen achter een ziektelabel.

Ondertussen heeft deze verplichte normaliteit haar limiet bereikt waardoor ze haar geloofwaardigheid kwijt is. Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld én tot de depressiefste, waarbij we de lemma’s ‘geluk’ en ‘depressie’ best ernstig in vraag kunnen stellen.

Een dergelijke invraagstelling is een taak die de psychiatrie om de zoveel tijd op zich neemt. Meestal in de marge van haar eigen bedrijf, maar soms uitdrukkelijk op het voorplan. Historisch beschouwd vindt de psychiatrie haar ontstaansgrond op het kruispunt van het medische, het morele en het juridische. Haar doel is om mensen die niet voldoen aan de psychosociale normen – en daardoor een bedreiging vormen voor zichzelf en voor de maatschappij – netjes op te bergen in aparte ziekenhuizen. Vanaf haar beginperiode zijn er in de psychiatrie figuren en zelfs bewegingen die de norm in vraag stellen, en al helemaal wanneer het aantal op te bergen mensen spectaculair toeneemt.… Lees verder

Liesbeth Woertman

Liesbeth Woertman

Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.

Liesbeth Woertman is een Nederlandse hoogleraar psychologie in wie ik veel van mezelf herken. De dominante opvatting aan de faculteiten psychologie – dat de mens een rationeel en autonoom ‘wij zijn ons brein’-wezen is – vindt ook zij, op zijn zachtst uitgedrukt, eenzijdig.  Ook zij is opgegroeid in een niet-academisch milieu, ook zij stond eerst in het werkveld (wel vroeger en langer) en heeft pas later een academische carrière uitgebouwd, met als resultaat een ruimere blik dan veel van haar (onze) collega’s. Ook zij heeft bijzonder veel aandacht voor de invloed van de beeldcultuur op onze identiteit.

Haar boek handelt over het effect van de ogen die we op ons voelen branden. Allemaal willen we beantwoorden aan het beeld dat de wereld van ons verwacht. Media en reclame tonen perfecte lichamen, met als gevolg dat we zelf nooit goed genoeg zijn. Ik voldoe niet, en – bij uitstek voor vrouwen – ik ben nooit mooi genoeg.

De vaststelling is niet nieuw, andere auteurs brengen dezelfde boodschap, maar de manier waarop Woertman haar blik neerpent maakt het boek bijzonder. De onderwerpen die je als lezer verwacht, komen inderdaad aan bod: nepborsten, angst om je lichaam bloot te geven in combinatie met de dwang om jezelf overal te moeten tonen, seks in het selfietijdperk, de toenemende sixpack- en zwemschoudersobsessie bij mannen, moeten vrijen als een pornoster (en dat eigenlijk niet willen), e tutti quanti.

Het bijzondere is dat je bij de lectuur van het boek de schrijfster zelf leert kennen, op grond van korte, biografische stukjes verweven met het hoofdverhaal dat daardoor diepgang krijgt. We lezen dat ze vanaf haar vijftiende werkte (schoenverkoopster, typiste), ondertussen avondschool deed, zwanger werd op haar zeventiende, veel later naar de universiteit stapte en op haar veertigste doctoreerde op het onderwerp lichaamsbeelden (toen al). Op haar vijfenvijftigste wordt ze hoogleraar psychologie tussen – naar ik vermoed – jonkies die Het Leven vooral kennen op grond van academisch onderzoek (‘Het is wetenschappelijk bewezen dat…’) Zij moet zich een nog vreemdere eend in de bijt gevoeld hebben dan ikzelf.

De wendingen in haar leven kwamen er niet vanzelf. Als ze schrijft dat we de ander nodig hebben om onszelf te kunnen zien en de nog niet ontwikkelde delen naar voren te laten komen, dan weet ze waarover ze het heeft. En vermoedelijk ook over wie. Gelukkige ontmoetingen met anderen kunnen het geloof in onszelf herstellen en ervoor zorgen dat we een nieuwe, betere richting uitgaan. Dan heb ik het uitdrukkelijk over échte ontmoetingen, waarbij je iemand hoort, ziet, ruikt, voelt, niet over digitale ersatz. Helaas is het omgekeerde evenzeer waar. Anderen kunnen ons onderuit halen, en merkwaardig genoeg gebeurt dat wel grotendeels via digitale ‘contacten’.

Los van de twee uitersten – een gelukkige of fnuikende ontmoeting op grond waarvan ons leven een andere wending kan nemen – is er de sluipende invloed van de beelden en woorden die ons omringen. Zonder dat we het beseffen meten we onszelf af aan de constant voorgehouden digitale beelden en bekijken we onszelf door de camera die we overal menen te voelen.

De blik van de digitale Ander op ons lijf is onverbiddelijk omdat die Ander zelf perfect is – uitdagende vormen, eeuwig jong, altijd sexy, overal succesvol. Mijn smalle schouders, licht bollende buik en dunne haren zijn maar niks in vergelijking daarmee. Met als gevolg dat we onszelf voortdurend bijwerken. Of bijgewerkt worden. Schoolfoto’s van kinderen op de basisschool worden standaard gefotoshopt ‘zodat iedereen een fris gezichtje heeft’. Tv-shows waarin een ‘make over’ gepromoot wordt halen hoge kijkcijfers. Jonge vrouwen pronken met onder hun kleding duidelijk zichtbare gezwollen tepels – gezwollen dankzij een injectie. Vrouwen van boven de dertig die niet meer topless durven zonnen, niet uit preutsheid, wel omdat ze ervan overtuigd zijn dat hun borsten niet langer voldoen. Een pas gevormd stel dat samenslapen (en vrijen) uitstelt omdat ze zich letterlijk niet durven blootgeven.

Het lichaam is een seksueel object, daar is niks verkeerd mee (een welgevormde kont mist ook op mij haar effect niet). Maar als ons lijf alleen maar een object-om-te-tonen wordt, dat bovendien altijd voor verbetering vatbaar blijft, dan hebben we een probleem (én slechte seks, én mislukte intimiteit). Ik hoor een vijfjarig meisje haar driejarig zusje uitleggen wat hangborsten zijn en hoe lelijk dat wel is. Woertman schrijft hoe een jongen van zeven niet naar school wil, omdat zijn gezichtje er niet uit ziet (hij heeft een buil en een schram). Een vrouw vol verdriet doet mij haar verhaal terwijl de tranen over een uitdrukkingsloos gezicht rollen – uitdrukkingsloos want opgespoten met botox.

Het is allemaal al wel eens gezegd en geschreven (het boek staat vol verwijzingen naar andere boeken en is in die zin op zich een mooie boekenblog), maar zelden zo dooraderd. Dat geldt nog meer voor het slot. In 2016 kreeg Woertman te horen dat ze huidkanker had, zes maand later kwam daar de diagnose baarmoederhalskanker bovenop. Operatie, chemo, bestralingen. Ziek worden van de behandeling tegen de ziekte. Ontdekken dat het nieuwe medische riedeltje ‘samen beslissen’ onzin is – er is nooit voldoende tijd en de aangereikte kennis is steeds statistisch. ‘Neus dicht en springen lijkt me dichter bij de waarheid’, schrijft ze.

Wat kanker en de behandeling ervan met een lichaam aanrichten en dus met de verhouding tot jezelf en anderen, doet alle bekommernissen over te dunne lippen, ongelijke borsten, bierbuikjes en zwembandjes in het niets verdwijnen. Diepe angst en pijn zetten je helemaal in je blootje. ‘Je wordt ontmaskerd en staat met lege handen.’

En ja, dan hebben we anderen nodig, échte anderen die ons écht zien. Graag zien.

Liesbeth Woertman (2019)
Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.
Utrecht, Uitgeverij Ten Have. 174 pagina’s.
ISBN 978 90 259 0688 7

 

Rosanne Hertzberger // Thomas Oudman & Theunis Piersma

Rosanne Hertzberger

Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.

Uit de titel blijkt de overtuiging van de auteur: wetenschap wordt zwaar overschat – toch wel een verrassende stelling uit de mond van een microbiologe. Als voorbeeld neemt ze de hype rond meditatie, naar mijn aanvoelen een wat makkelijke schietschijf. Ze maakt terecht brandhout van de wetenschappelijke ‘bewijzen’ voor iets wat in veel gevallen afgegleden is naar een louter commerciële praktijk die mijlenver verwijderd staat van de oorspronkelijke boeddhistische filosofie. Jammer dat ze geen vragen stelt over een werkzaamheid die er wel degelijk is en vermoedelijk nauwelijks met meditatie op zich te maken heeft. Placebo rangschikken onder bedrog, zoals zij terloops doet, is veel te kort door de bocht en maakt dat een echt interessante vraag niet aan bod komt: hoe komt het dat mensen in staat zijn zichzelf reëel te beïnvloeden door geloof te hechten aan bepaalde verwachtingen?

In het laatste stuk van het essay heeft ze het over wetenschap-als-bedrijf (mijn benaming) die in de haast om te scoren slechte wetenschap produceert. Minder dan de helft van onderzoek in de menswetenschappen is repliceerbaar. Dat wil zeggen: als wetenschappers een onderzoek van iemand anders op dezelfde manier overdoen, verkrijgen ze niet hetzelfde resultaat. Menswetenschappen, o ja, denkt de lezer. Maar hetzelfde geldt voor één op de drie medische studies inzake kanker. Dat is even slikken.

Wat Hertzberger beschrijft, is pijnlijk juist, net zoals de verklaringen die ze geeft, met als belangrijkste de wijze waarop onderzoeksgelden toegekend worden. Op grond van die bevindingen gaat ze vervolgens opnieuw veel te kort door de bocht. Haar stelling dat wetenschap vaak nauwelijks van religie verschilt, is simpelweg fout. Er zou moeten staan: slechte wetenschap verschilt nauwelijks van kortzichtig marktdenken of van institutionele religie. In mijn ervaring zijn sommige atheïstische wetenschappers diepgelovige mensen voor wie hun versie van wetenschap (meestal een hedendaagse variant van logisch-positivisme) alleenzaligmakend is (wie hen niet volgt, is onwetend of achterlijk). Het lijkt erop dat dit soort wetenschappers voor Hertzberger samenvalt met ‘de’ wetenschapper. Nee hoor, er zijn gelukkig ook andere, lees het boek van Oudman en Piersma dat ik doelbewust hierna bespreek.

Rosanne Hertzberger (2019)
Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.
Amsterdam, Prometheus, Nieuw licht. 89 pagina’s.

 

 

Thomas Oudman & Theunis Piersma

De ontsnapping van de natuur. Een nieuwe kijk op kennis.

Als ik met Ludo Couvreur, mijn geliefkoosde dialoogpartner, over dit boek spreek, hebben we het over ‘de poep van de kanoet’, want dat bekt zo mooi. Kanoeten zijn trekvogels waar de twee auteurs (een doctoraatsstudent biologie en zijn hoogleraar) zich over buigen, en ja, vooral over hun poep. De kanoeten leveren de rode draad voor een mooi onderbouwd pleidooi voor wetenschap zoals ze ooit bedoeld was: om vragen te stellen en vervolgens op basis van geijkte methodes proberen steeds voorlopige antwoorden te vinden. Beide auteurs hebben het schijt (de poep) aan uitspraken die je vandaag overal hoort: “Het is wetenschappelijk bewezen dat…” (in mijn vakgebied: “Het is evidence-based dat…”). Waarna er geen vragen meer kunnen of mogen gesteld worden.

In tegenstelling tot Hertzberger (Het grote niets) kiezen zij geen makkelijke schietschijf, maar gaan ze meteen voor de gouden graal van de wetenschap, met name de evolutietheorie. Op grond van overtuigende argumenten tonen ze aan dat de gangbare manier waarop we deze theorie begrijpen en helaas ook toepassen, veel te eng is en niet meer strookt met de laatste onderzoeksresultaten. Ze houden een fantastisch pleidooi voor verwondering, voor het opnieuw stellen van vragen, voor het toegeven dat we het (zelfs recent nog) verkeerd voor hadden – en dat allemaal in wat voor mij het belangrijkste wetenschapsgebied is, de biologie (het belangrijkste omdat zij het leven zelf bestudeert).

Hun twee onderling gekoppelde bevindingen luiden kort samengevat als volgt: de grenzen tussen organisme en omgeving zijn volstrekt onduidelijk, er is een voortdurende wederzijdse beïnvloeding. Bovendien is het onderscheid tussen genetisch bepaalde en verworven kenmerken (nature versus nurture) volledig achterhaald. (Ik vraag mij al geruime tijd af waarom wij zo vaak aan of/of denken doen, terwijl de praktijk uitwijst dat elke veronderstelde tweeledigheid één geheel vormt.)

De gangbare visie op erfelijkheid luidt ruw geschetst als volgt. Het bouwplan van het menselijk lichaam ligt vervat in 46 chromosomen, lange strengen DNA waarop de genen liggen, zijnde kleinere stukjes DNA die de opbouw van eiwitten bepalen. Elk gen bevat een vaste code die vertaald wordt in bepaalde eiwitten, waardoor dezelfde fenotypische (uiterlijk zichtbare) eigenschappen steeds doorgegeven worden, van generatie tot generatie (overerving). Soms gebeurt er een foutje, een mutatie, tijdens het kopieerproces (variatie), en heel uitzonderlijk levert dat een beter eindresultaat op, dat (juist omdat het beter is), grotere overlevings- en voortplantingskansen heeft (natuurlijke selectie). Laat dat proces een miljoen jaar lopen, en kijk, als glorieus eindresultaat treedt Homo sapiens naar voren (evolutie).

In deze redenering betekent ‘genetisch gedetermineerd’ dat kenmerken van een levend wezen op voorhand vastliggen in de genen en dat de invloed van de omgeving beperkt blijft tot het bevorderen of inperken van de ont – plooiing (dat woord mag je letterlijk begrijpen) van een reeds vaststaand genetisch programma. Wat er niet in zit, kan er nooit uitkomen; wat er wel in zit, komt zeker naar buiten. De sociale consequenties van deze redenering zijn immens. Wie ervan overtuigd is dat bijvoorbeeld intelligentie of zelfs persoonlijkheid erfelijk bepaald is, vindt sociale bijsturingsprogramma’s overbodig, is ervan overtuigd dat domme mensen beter minder kinderen krijgen, enzovoort.

Vandaag weten we dat deze overtuiging niet klopt, minstens om twee redenen.

De eerste reden handelt over wat ons DNA allemaal meer omvat dan de code voor de eiwit coderende genen en de manier waarop het functioneert. Van ons DNA codeert ongeveer twee procent voor eiwitten; van de overige achtennegentig procent werkt een klein deel als ‘promotoren’, de rest is ‘junk’ (wat betekent dat we tot voor kort voor veel ervan geen flauw idee hadden waarvoor het dient). Bij de kleine groep genen die wel voor eiwitten coderen is er tachtig procent die als regulator functioneert (dus als regulator eiwitten); slechts twintig procent dient voor functionele celeiwitten.… Lees verder

Bregje Hofstede // Eva Meijer

Bregje Hofstede

De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out

Dat Hofstede kan schrijven, wist ik al sedert ik haar roman Drift gelezen heb. Op zich al een voldoende reden om mij aan de lectuur van De herontdekking van het lichaam te zetten. Mijn verwachting werd helemaal bewaarheid, het staat vol fijne zinnetjes, zo maar tussendoor, die een glimlach op mijn gezicht toveren.

Dergelijke zinnetjes komen er heus niet zomaar, ze zijn het resultaat van hard en veel werken. Tijdens dat veel te hard werken om De Perfectie te bereiken is de schrijfster zichzelf tegen gekomen, en die ontmoeting verliep niet zo aangenaam. Haar lichaam liet haar duidelijk voelen dat de manier waarop ze bezig was, niet langer door de beugel kon. Tegenwoordig noemen we dat een burn-out en maken we onszelf wijs dat we het fenomeen begrijpen. Wat Hofstede doet, is die al te gratuite benaming terzijde schuiven, en op zoek gaan naar eigen woorden.

De verschillende hoofdstukjes handelen over de verhouding tussen haar en haar lijf, bij uitbreiding de verhouding van haar lichaam tot de buitenwereld (met helaas ook mannen in hun al te mannelijke versie). Als dat lichaam voorbij een bepaalde grens gedreven wordt, hetzij door onszelf, hetzij door opdringerige anderen (vaak mannen en moeders), dan ontstaat er een vergelijkbare situatie met wat in Noord-Ierland eufemistisch ‘The troubles’ genoemd werd. Ik en lichaam staan lijnrecht tegenover elkaar, gaan verschillende richtingen uit, de grenzen worden gesloten, smokkelroutes ontstaan, grensgevechten maken slachtoffers, het leven is al snel geen leven meer. Overleg is nodig, wat tijd en ruimte en veel beweging vraagt, mentaal en fysiek.

De herontdekking van het lichaam is een van die zeldzame boekjes die op nauwelijks honderd pagina’s een flink pak kennis (de bibliografie loopt over zes bladzijden) samenbrengt met een persoonlijk verhaal, bovendien ingebed in een mooie taal. Wat wil je nog meer?

Bregje Hofstede
De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out (2016)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 124 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 694 7

 

 

Eva Meijer

De grenzen van mijn taal. Essay

Er zijn opvallend veel vrouwelijke auteurs die worstelen met zichzelf en dat in literaire essays naar buiten brengen. Marian Donner (Zelfverwoestingsboek) heeft het gehad met de dwang tot perfectie. Bregje Hofstede (De herontdekking van het lichaam) beschreef haar burn-out. In De grenzen van mijn taal beschrijft Eva Meijer haar leven met op de achtergrond een altijd dreigende depressie, nadat ze een meer dan ernstige anorexie achter zich had kunnen laten. Deze schrijfsters mengen ervaring met kennis, met gelukkig een uitdrukkelijk accent op hun eigen ervaringen.

Meijer gaat op zoek naar woorden om weer te geven wat ze meemaakt. Ze slaagt daar wondermooi in, het boek bevat bij tijd en wijle ontroerende passages, over alleen zijn, over wat zelfuithongering met je doet, over slechte dagen en hoe daarmee om te gaan. Overigens zoekt ze niet alleen woorden maar ook praktische manieren om haar leven zinvol uit te bouwen. Op de achtergrond kijkt Aristoteles mee: het aanleren van goede gewoontes in combinatie met zelfkennis helpen haar veel meer dan de huidige visie op gekte en depressie als ‘hersenstoornis’. Als bonus – naast het zoeken naar woorden en naar goede gewoontes – krijgt de lezer ook een betere, ruimere visie op wat we onder ‘gekte’ kunnen begrijpen. Ondanks het onderwerp toch een hoopvol boek.

Eva Meijer
De grenzen van mijn taal. Essay (2019)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 141 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 822 4

 

Marian Donner // Ewald Engelen

Marian Donner

Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen

Zo’n titel maakt een mens nieuwsgierig, dus begon ik onmiddellijk met de lectuur. Ik ben er pas twee uur later mee gestopt, toen ik het boekje uit had. Marian Donner is een ontdekking, ze balt haar vuist, haar blik is scherp én mild, ze beschrijft uit het hart (en ongetwijfeld ook uit een aantal andere lichaamsdelen) wat Ewald Engelen (De mythe van de gemaakte vrouw, ik schreef er ook een bespreking van) op een intellectuele manier uiteenzette. Ik heb de twee boekjes ondertussen al een paar keer samen als geschenk gegeven. Ze horen bij elkaar, vind ik.

Donner is kwaad op een maatschappij waar deskundigen vertellen dat we het allemaal beter kunnen hebben, als we maar de juiste keuzes maken, authentiek zijn, in onszelf geloven, de juiste voeding kiezen, voldoende aan zelfzorg doen, yoga en mindfullness volgen, voldoende bewegen. Die hele zwik heeft maar één doel: ervoor zorgen dat we het langer volhouden, dat we langer blijven functioneren in een systeem gericht op winstmaximalisatie. Ervoor zorgen dat we blijven verdragen wat eigenlijk ondraaglijk is. Met onze ogen wijdopen lopen we erin, een nieuwe versie van ‘Eyes wide shut’. Nooit is het goed genoeg, iedereen moet excelleren – yes, we can. Wanneer we falen, hebben we ons niet voldoende ingespannen. Of, omgekeerd, hebben we net veel te veel inspanningen geleverd; foei toch, kon je het niet wat beter doseren, die burn-out heb je toch echt wel zelf gezocht.

Wat je ook doet, het is jouw schuld, jouw verantwoordelijkheid. Het systeem is zo krachtig dat we dergelijke onzin geloven en ons leven op die manier inrichten.

Honderdveertig bladzijden lang maakt ze de lezer wakker uit de slaap van het knettergekke leven dat we leiden. ‘Slaap’ met enige ironie, bijna iedereen slaapt slecht (gelukkig zijn ook daar apps voor, die je tonen hoe je nog béter voor jezelf kunt zorgen).

Natuurlijk hebben we deels ons leven zelf in de hand, en natuurlijk willen we het beter hebben en beter doen. Natuurlijk is het een zeer goed idee voor jezelf zorg te dragen (maar draag vooral zorg voor die paar mensen van wie je houdt). De vraag is alleen hoe je dat ‘beter hebben en beter doen’ definieert. Voor Marian mag het best wat meer stinken, drinken, bloeden, branden & dansen.

Marian Donner
Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen (2019)
Uitgevers Dag Mag. 141 pagina’s.
ISBN 978 94 924789 1 7

 

 

Ewald Engelen

De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme

‘Nieuw Licht’ is een reeks boekjes geschreven in opdracht. Coen Simon en Frank Meester leggen een hedendaags denker een klassieke tekst voor, met de vraag daar een eigentijdse reactie op te schrijven. In dit geval is het onderwerp het feminisme, met als uitgangspunt De tweede sekse van Simone de Beauvoir.  Hoe zit het met de (on-)gelijkheid tussen man en vrouw? En als de vrouw gemaakt wordt, hoe wordt ze vandaag gemaakt?

Het antwoord van Engelen in een notendop: emancipatie van de vrouw betekent vandaag dat zij zich, net zoals de man, individueel naar de top van de neoliberale ladder kan vechten, waarbij alle middelen geoorloofd zijn. Als ze daarin slaagt – wat zowel bij mannen als vrouwen een uitzondering blijft – ‘mag’ ze 60 tot 80 uur per week werken voor een riant salaris. Dat deze ‘emancipatie’ bijna uitsluitend mogelijk is voor de dochters van de financiële bovenklasse wordt verdoezeld door een paar uitzonderingen uit de onderklasse flink in de verf te zeggen.

‘Feminisme’ is bovenklassefeminisme geworden, en is mijlenver verwijderd van de fundamentele maatschappijkritische ideeën van Simone de Beauvoir cum suis. Een maatschappij, een bedrijf, een universiteit is vandaag ‘feministisch’ als zij erin slagen voldoende vrouwen aan de top te brengen of te hebben. Gelijke kansen betekent: gelijke kansen aan de top.

Anders gesteld: dit soort ‘feminisme’ draagt bij tot de toenemende sociale ongelijkheid die John Lennon indertijd feilloos in één zinnetje wist samen te vatten: “Woman is the nigger of the world”. Een vrouw of neger kan nu inderdaad de top bereiken, op de rug van een zeer grote groep vrouwen en mannen die daar nooit kunnen geraken, en bovendien te horen krijgen dat dit hun eigen schuld is. En dus niks te maken heeft met structureel bepaalde ongelijkheden, zoals de sociaaleconomische positie van je ouders en het land en de regio waar je opgroeit. De ondergroep werkt vaak even hard als de ‘geëmancipeerde’ topvrouw, omdat ze twee onderbetaalde banen moeten combineren.

De ironie van deze pijnlijk juiste analyse is dat Engelen hiermee aantoont dat de basisstelling van de Beauvoir nog altijd juist is. Je wordt niet geboren als vrouw, het is de maatschappij die de vrouw maakt. De huidige maatschappij maakt mannen en vrouwen wijs dat ze zichzelf maken, in alle vrijheid, met accenten zoals zelfontplooiing, excelleren, creativiteit, authenticiteit, zelfreflectie, persoonlijke groei. Just do it! Alles kan en mag, op voorwaarde dat het bijdraagt tot winstmaximalisatie. Het resultaat is een ‘dog eat dog’ wereld, waar mannen en vrouwen inderdaad steeds meer dezelfde honden worden. Onderaan de straathonden, bovenaan de topdogs. Brrrrr.

Engelen heeft een strijdvaardig essay geschreven. Een must voor vrouwen en heel zeker ook voor mannen die zich afvragen hoe het allemaal zo ver is kunnen komen. Best samen te lezen met het boekje van Marian Donner, zie hierboven. En ja, we hebben dringend nood aan een eigenlijke emancipatie.

Ewald Engelen
De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme (2019)
Amsterdam, Ambo/Anthos. 98 pagina’s.
ISBN 978 90 263 3545 7