Annelien De Dijn

Annelien De Dijn
Vrijheid. Een woelige geschiedenis.

Boven mijn blog kan je lezen dat een boek een van de mooiste geschenken is. Eind vorig jaar raadde vriendin Tessa Vermeiren mij Freedom, an unruly history aan, en het was inderdaad een geschenk. Kort na nieuwjaar las ik de turf van 450 pagina’s op een week uit, dat zegt genoeg. Mijn enthousiasme heeft ook wel te maken met mijn klassieke opleiding en de ruime aandacht die De Dijn geeft aan de Griekse en de Romeinse geschiedenis. Terecht natuurlijk, de wortels van het vrijheidsbegrip zijn daar te vinden. En kijk, nu is er een Nederlandse vertaling bij een pas opgerichte uitgeverij, mooi toch?

Vrijheid behoort tot de categorie boeken die lezers wakker schudt, wat vandaag de dag meer dan ooit nodig is. Er hangen twee gevaren in de lucht, het ene kennen we (klimaatverandering), het andere beseffen we te weinig: het verlies van onze democratie. Slogans zijn mijn ding niet, als ik iemand ‘Vrijheid!’ hoor roepen, dacht ik vroeger aan pubers, vervolgens aan Trump, tegenwoordig aan volwassenen die pruilen omdat ze niet mogen funshoppen. En aan een Waalse partijvoorzitter die vrijheid boven volksgezondheid stelt. Het woord behoort tot de categorie waarmee je tegenstanders de mond kunt snoeren (‘EN WAT MET ONZE VRIJHEID!?!’) zonder argumenten te moeten geven. Natuurlijk vind ik vrijheid belangrijk, maar zeg mij dan eerst wat je ermee bedoelt. Het magistrale werk van Annelien De Dijn toont dat twee invullingen van het begrip haaks op elkaar staan. Tijd dus voor een grondige betekenisanalyse die, zoals wel vaker, een historische analyse is.

Het boek bestaat uit drie delen waardoor we de gelaagde geschiedenis van het begrip kunnen begrijpen. Het eerste betreft de Griekse stadsstaten gevolgd door Rome. Het tweede omvat de Renaissance, als terugkeer naar de klassieke waarden met een moderne invulling die gestalte krijgt in de ‘Atlantische’ revoluties (Amerika, Frankrijk). Het laatste deel handelt over de moderne en de postmoderne invulling van ‘vrijheid’, en toont hoe dubbelzinnig het woord geworden is. Dubbelzinnig zoals in gevaarlijk dubbelzinnig.

Het klassieke Griekenland en zeker Rome zijn bekend, met dank aan historische romans en TV-series, denk aan Caesar, Claudius, Cicero. Het eerste deel van Vrijheid vertelt op een meeslepende manier hoe de Griekse stadsstaten zichzelf bevrijdden van externe heersers en naar zelfbestuur evolueerden, hoe Rome een republiek werd – res publica, letterlijk: gemeenschappelijke zaak of eigendom – waar de senaat alles ondertekende met SPQR (Senatus Populusque Romanus, de senaat en het volk van Rome). Vrijheid betekent dat mensen zichzelf regeren, hetzij direct, hetzij via verkozen afgevaardigden. Vanaf het begin waren er tegenkrachten aan het werk. In de aanvang van de geschiedenis moesten de Griekse stadsstaten zich verzetten tegen externe machten (de Perzen!), in een latere periode kwam het gevaar van binnenuit. Hetzelfde gold voor Rome waar keizers de democratische vrijheid van de republiek aan banden legden. Zeker de Romeinse geschiedenis is het toonbeeld van het spanningsveld dat inherent is aan democratie, met af en toe een heel foute afloop.

Waarom dat zo is, heb ik pas begrepen bij mijn studiewerk voor het boek Autoriteit (2015). Democratie draagt twee idealen in zich, vrijheid en gelijkheid, die onvermijdelijk met elkaar botsen. Iedereen gelijk doet afbreuk aan vrijheid; iedereen vrij effent het pad voor ongelijkheid. Het spanningsveld tussen de twee verplicht democratie ertoe zichzelf om de zoveel tijd opnieuw uit te vinden. Dat is tegenwoordig meer dan noodzakelijk: algemene verkiezingen werken niet langer, de daardoor veroorzaakte particratie staat mijlenver van democratie. Voorbeelden? Een ruime meerderheid is voor billijke belastingen, net zoals een meerderheid bereid is tot verregaande inspanningen voor het klimaat, maar we hebben rechtszaken nodig om de ‘verkozenen des volks’ daartoe te dwingen. Het wordt tijd om over te stappen naar deliberatieve democratie en burgerberaden, zie hier.

Terug naar De Dijn en de Klassieken. In haar openingshoofdstuk, De lange geschiedenis van vrijheid, treedt de eerste betekenis van het woord naar voren. Eerste, historisch maar ook voorwaardelijk (eerst dit, dan dat): vrijheid is politieke vrijheid, waardoor burgers zichzelf kunnen besturen en vervolgens als individu kunnen genieten van veiligheid en individuele vrijheid binnen de grenzen van de zelf gestemde wetten. Deze redenering vormt de kern van het klassieke vrijheidsbegrip; het is niet moeilijk om hedendaagse voorbeelden te vinden die de draagwijdte ervan aantonen. Kijk naar Rusland, en je snapt wat ik bedoel. Politieke vrijheid van een gemeenschap kende een geleidelijke evolutie naar democratische vrijheid voor alle burgers; die kwam er niet vanzelf, er is zowel bloed als inkt over gevloeid. Een bevochten politieke vrijheid ligt historisch ook aan de basis van een collectieve identiteit, denk opnieuw aan Senatus Populusque Romanus. Bloed hoeft geen betoog, behalve dat we te snel vergeten zijn hoe wij zelfs in een recent verleden bereid waren te vechten voor onze politieke vrijheid. Inkt vraagt meer uitleg, omdat het intellectuele debat blijvend is.

Vanaf het begin werden er inderdaad bezwaren geopperd tegen zelfbestuur, en wel door leden van de toenmalige elite, de intellectuelen (vreemd hoe het woord intellectueel tegenwoordig een scheldwoord geworden is, met als illustratie een lid van de Belgische regering die systematisch negatief geframed wordt omwille van zijn academische intelligentie). Plato en Aristoteles waren geen voorstander van democratie, met als argument dat het volk te dom is om zichzelf te besturen, wat ondertussen overduidelijk weerlegd kan worden door daadwerkelijke ervaringen met deliberatieve democratie (zie de link die ik hoger gaf). Toch kan je dat argument ook nu nog horen en lezen, net zoals een tweede toenmalig bezwaar: vanaf het begin verzetten rijke burgers zich tegen democratie, omdat zelfbestuur automatisch naar een grotere gelijkheid leidde, ondermeer door het heffen van billijke belastingen. De facto hielden zij een pleidooi voor een tweede, totaal andere invulling van vrijheid, die pas vanaf de achttiende eeuw een politieke uitwerking krijgt – ik kom er later op terug.

In Rome beslechtte deze groep het pleit: een financiële elite trok de macht naar zich toe, met als gevolg het opheffen van de republiek en het ontstaan van een pseudodemocratie gedirigeerd door een beperkt aantal vermogende families (toen al), die de keizers leverden. Na de vierde eeuw ging het keizerrijk naadloos over in het Heilige Roomse Rijk met een Christendom dat vrijheid reserveerde voor het hiernamaals op voorwaarde van onderwerping aan God en koning in het eigenlijke leven. De donkere middeleeuwen dus.

De Dijn beschrijft in detail zowel de intellectuele debatten (bijvoorbeeld de evolutie die Plato doormaakte in zijn denken) als de politieke gevechten die om de zoveel tijd een regime deden kantelen van democratisch naar elitair en dictatoriaal of omgekeerd. Wat ik uit de intellectuele debatten vooral onthou, is het risico dat democratie zichzelf vernietigt wanneer ze te sterk evolueert in de richting van individuele vrijheid, want dit spreidt het bedje voor een dictatuur. Individuele vrijheid verglijdt naar egoïsme en moreel verval, gevolgd door een roep om ‘law and order’, gevolgd door dictatuur. Brrrr, de herkenbaarheid bezorgt me kippenvel.

Een mogelijke manier om dat te vermijden ligt in een derde invulling van vrijheid die centraal staat in de klassieke ethica’s: innerlijke vrijheid, waarbij iemand een goed leven kan leiden op grond van een morele zelfdiscipline. Dit denkbeeld is ons ondertussen zo vreemd geworden dat ik last heb om het uitgelegd te krijgen aan mijn studenten. Zonder dat we het bewust beseffen volgen wij voortdurend imperatieven, vanuit ons lijf (Freud heeft het niet toevallig over Trieb, de drift) en vanuit de cultuur die ons vandaag de dag voortdurend dingen doet doen die tegen ons welzijn ingaan (als je niet weet wat ik bedoel, neem van mij aan dat je daarmee illustreert wat ik hierboven schreef: ‘zonder dat we het bewust beseffen’). Ons bevrijden van deze onbewuste gehoorzaamheid levert een graad van vrijheid op die als tegengif werkt tegen ‘individuele vrijheid’ begrepen als het mogen funshoppen in tijden van corona, het altijd en overal carrièregericht moeten bezig zijn in functie van ‘zelfrealisatie’, en het mogen uitschelden van anderen in naam van vrijemeningsuiting.

Deel twee, De wederopleving van de vrijheid, handelt over de renaissance, de periode in onze geschiedenis die een terugkeer naar de antieke wereld inluidde. Dat gebeurde op grond van een mentaliteitswijziging die uitging van een kleine groep intellectuelen: de humanisten, waartoe ook Machiavelli behoorde (ik moet dringend Tinneke Beeckman lezen, Machiavelli’s lef. Levensfilosofie voor de vrije mens). Tussen pakweg 1500 en 1700 ontstond er een heropleving van het klassieke idee van vrijheid, dat wil zeggen: zelfbestuur, in combinatie met nieuwe ideeën. Zo treedt er vanaf de zeventiende eeuw het thema van de ‘natuurrechten’ op de voorgrond. De mens (eigenlijk de man) zou van nature uit vrij zijn en beschikken over bepaalde onvervreemdbare individuele rechten, ondermeer het recht op bezit; enkel een overheid die dergelijke rechten respecteert, kan als legitiem beschouwd worden. Het is niet zo moeilijk om te zien hoe een dergelijk pleidooi voor ‘natuurrechten’ tot een filosofische inbedding kan leiden van de eisen die we bij de klassieke financiële elite ontmoet hebben én hoe dit een pleidooi kan opleveren tegen de eerste betekenis van vrijheid, democratisch zelfbestuur. Kan, want tezelfdertijd waren er filosofen zoals Spinoza en Kant die zelfbestuur beschouwden als dé voorwaarde voor individuele vrijheid, met inbegrip van de natuurrechten.

Eind achttiende eeuw verschoof de abstracte discussie naar reële gevechten op straat. De Atlantische revoluties (Virginia, 1775; Nederland, 1787; Frankrijk, 1789; Polen, 1794) werden getriggerd door een te hoge belastingdruk in combinatie met hongersnood, met als ultiem doel de realisatie van het humanistische vrijheidsideaal dankzij zelfbestuur. In het kielzog daarvan ontstond er een vernieuwde aandacht voor de individuele rechten – de schrik voor een te sterke inmenging van ‘boven’ zat er diep in. De revolutionaire regeringen van het nieuwe Frankrijk en de pas opgerichte Verenigde Staten van Amerika hadden alle redenen om overheden te wantrouwen, en dus vaardigden ze declaraties uit die bepaalde individuele rechten moesten vrijwaren (“Verklaring van de rechten van de mens en de burger” in Frankrijk en de “Bill of Rights” in de VS). Dit is een belangrijke toevoeging aan het vrijheidsbegrip: de in de declaraties opgenomen ‘natuurrechten’ van de individuele burger moeten door de overheid gerespecteerd worden – je weet maar nooit dat het met die overheid de verkeerde kant uitgaat. De Dijn geeft uitdrukkelijk aan dat deze toevoegingen geen afbreuk deden aan het algemene doel, zijnde zelfbestuur.

De idealen van de Atlantische revoluties zullen de negentiende en de twintigste eeuw democratisch inkleuren. Maar, zo schrijft De Dijn, in die periode ontstond er een krachtige tegenbeweging die zou leiden tot een omkering van het begrip. Waar vrijheid voordien het resultaat was van democratie, wordt vrijheid nu een motief om democratie te bestrijden. Hoe dat zo komt, is het centrale onderwerp van het laatste deel. 

Deel III, Een nieuwe kijk op vrijheid, introduceert het idee ‘burgerlijke vrijheid’. Het begrip is nieuw, maar ook hier liggen de wortels bij de Klassieken. Burgerlijke vrijheid betekent ongestoord kunnen genieten van en beschikken over je leven en je bezit. Vanaf 1800 werd deze betekenis gepromoot door contrarevolutionaire bewegingen die daarmee politieke vrijheid en democratie doelbewust in een negatief daglicht plaatsten en wilden terugkeren naar het Ancien régime van voor de Franse revolutie. Voor hen was democratie ‘de tirannie van de meerderheid’ die een minderheid onderdrukt en zelfs naar het schavot sleurt na eerst hun bezittingen geconfisqueerd te hebben. De botsing tussen de twee opvattingen leidde rond 1850 tot een aantal mislukte revoluties, gevolgd door een heropleving van koninkrijken en zelfs van absolutisme.

In dezelfde periode ontstond er een nieuwe politieke filosofie, het liberalisme. Het nieuwe zit hem in de volgende combinatie: liberalen verzetten zich tegen een terugkeer naar het Ancien régime waar Kerk en koning de plak zwaaiden, maar tezelfdertijd verwerpen ze democratie als zelfbestuur, met als belangrijkste argument dat het volk te dom is. Hun ideaal was het Britse parlement, met leden die verkozen worden door een kleine minderheid die in staat geacht worden te kunnen kiezen – de hoger opgeleide, rijkere klasse dus. De daardoor geïnstalleerde vrijheid is eenvoudig: de wet schept een kader dat de weldenkende burger weinig beperkingen oplegt. Dit bekrachtigt de contrarevolutionaire invulling van vrijheid als burgerlijke vrijheid, waarbij liberale denkers expliciet stellen dat de vroegere invulling – zelfbestuur – ouderwets en dus voorbijgestreefd is. Na de mislukte revoluties zette deze nieuwe invulling de toon, waarbij de angst voor een tirannie van de meerderheid in de praktijk van het alledaagse leven een tirannie van de minderheid installeerde die voornamelijk haar eigenbelang behartigde, en dit ten koste van de meerderheid.

De twintigste eeuw startte met een knal gevolgd door een debacle: drie keizerrijken gingen ten onder in de door hen uitgelokte eerste wereldoorlog. In de nasleep ervan kwam er een heropleving van het antieke vrijheidsideaal, gedragen door de emancipatiebewegingen van vrouwen en arbeiders. Het klassieke vrijheidsbegrip – politieke vrijheid op grond van zelfbestuur – krijgt een zeer belangrijke uitbreiding naar het economische veld. Vrouwen en arbeiders wilden niet langer afhankelijk zijn van echtgenoten en fabriekseigenaars, in het volle besef dat economische onvrijheid samengaat met politieke onvrijheid. Daarmee kreeg zelfbestuur uitdrukkelijk een economische inkleuring en gaat de uitbreiding van het begrip politieke vrijheid in tegen de burgerlijke vrijheid van de negentiende eeuw. Het marxisme ontmaskerde een dergelijke vrijheid tot wat het de facto geworden was: de vrijheid van de rijkste sociale klasse om te heersen over het volk. In het tweede kwartaal van de twintigste eeuw stonden beide strekkingen lijnrecht tegenover elkaar, met als resultaat een illustratie van het spreekwoord over de twee vechtende honden en de derde die met het been gaat lopen. De derde hond is het fascisme, en pas na 1945 komt vrijheid als thema terug boven water.

Gedurende de tweede helft van de vorige eeuw zal het Westen zich met democratie en vrijemarkt positioneren tegenover het Oostblok met diens centraal geleide planeconomie. Het resultaat zijn de ‘Trente glorieuses’, op basis van een politiek én economisch programma dat nauw aansloot bij de nieuwe invulling van het klassieke vrijheidsbegrip: algemeen stemrecht zorgde voor zelfbestuur wat vervolgens een beschermende arbeidswetgeving opleverde. De liberale elite blijft beducht voor de impact van de overheid, maar is bereid tot verregaande toegevingen uit angst voor het communisme. In dezelfde periode ontstaat er een nieuwe ideologie, het neoliberalisme, die het begrip burgerlijke vrijheid een nog engere en actievere economische invulling geeft (kort samengevat: alles moet wijken voor winstmaximalisatie). Het neoliberalisme predikt tegen het ‘democratisch socialisme’ en wil de invloed van de overheid op de vrijemarkt zo minimaal mogelijk houden. Vanaf de jaren 80 verdwijnt het ‘rode gevaar’ en kan het neoliberalisme voluit gaan, eerst in de angelsaksische wereld, vervolgens in de rest van het Westen, met als resultaat verkozen overheden die zichzelf afschaffen en burgers die de illusie koesteren dat vrijheid neerkomt op consumeren terwijl de hen beschermende schotten ondertussen een voor een weggenomen worden. 

In haar epiloog concludeert De Dijn dat het verzet tegen vrijheid-als-zelfbestuur één rode draad kent: het is steeds gebaseerd op de angst voor de herverdelingsmechanismen die het gevolg zijn van zelfbestuur. Angst bij een kleine groep vermogenden met voldoende macht om het volk ervan te overtuigen dat democratie een bedreiging is voor ‘de’ vrijheid.

Bij wijze van besluit wil ik de lezer drie aanvullingen meegeven. Het eerste betreft de analogie met wat van Bavel schreef (zie https://boekenblog.paulverhaeghe.com/bas-van-bavel) over de typische cyclus van een vrijemarktsamenleving. In de aanvangsfase vinden we zelfbestuur en zelforganisatie, terwijl er in de eindfase van een vrijemarktsamenleving nog nauwelijks sprake is van politieke vrijheid. In die laatste periode, waarin we ons ook nu bevinden, wordt de overheid gedirigeerd door een financiële toplaag met als resultaat wetgevingen die een zo groot mogelijke vrijheid garanderen voor de ondernemerswereld: lage belastingen, afbouw van de bescherming van de werknemer, zo weinig mogelijk belemmering voor bedrijven. Van Bavel toont hoe dit verloop structureel vastligt: onder het mom van ‘vrijheid’ verovert de financieel sterkste groep de macht, waarna de bescherming van het individu verdwijnt. Dit toont zich voornamelijk op vlak van arbeidsorganisatie, omdat overheden steeds meer moeten luisteren naar de internationale bedrijfswereld. De politieke vrijheid, zelfbestuur dus, bestaat in de eindfase enkel nog op papier.

Mijn tweede aanvulling betreft wat ik beschreven heb in Identiteit. Vanaf 1980 wordt het neoliberale vertoog dominant en zal het neoliberale mensbeeld (de homo economicus) en de bijbehorende opvatting over vrijheid overal ingang vinden, ook bij mensen die er net het slachtoffer van zijn. Een dominant vertoog installeert een nieuwe identiteit en andere sociale verhoudingen. In dit geval een eigen-ik-eerst mentaliteit met de ander als concurrent. Veralgemeend sociaal wantrouwen zet de toon, wat bijvoorbeeld tot uiting komt in het succes van een TV-format zoals ‘Wie is de mol?’ De daarbij aansluitende opvatting over vrijheid is ontzettend naïef: vrijheid betekent dat ik ongestoord mijn zin kan doen. Naïef omdat de realisatie van een dergelijke vrijheid regelrecht naar het recht van de sterkste leidt, die inderdaad zijn zin doet, tegen en over de zwakkeren heen. Ironisch genoeg zijn het de slachtoffers van deze evolutie die bijdragen tot de realisatie ervan, zoals we onlangs nog rechtstreeks op televisie konden volgen: de bestorming in Washington van het Capitool, in naam van de vrijheid, door een groep mensen wiens rechten net door dat Capitool gegarandeerd zouden moeten worden.

Mijn derde aanvulling betreft een benadrukking van iets wat De Dijn slechts terloops vermeldt: de beperking van vrijheid door de ‘ijzeren kooi van de bureaucratie’, naar een uitdrukking van de socioloog Max Weber. De voorbije decennia is de regelgeving een regelneverij zonder weerga geworden, bovendien grotendeels digitaal, nul/een dus, waardoor nuancering zeer moeilijk wordt. De ervaring onderworpen te zijn aan een anonieme macht die ‘van boven’ komt, is tegenwoordig, denk ik, een van de voornaamste klachten tegen de overheid en een belangrijke bron van ergernis. Het zal wel overdreven klinken, maar het zou wel eens kunnen dat de frustratie omwille van de doorgedreven bureaucratie zal bijdragen tot de overtuiging bij burgers dat we de overheid beter afschaffen, in naam van ‘de’ vrijheid. Wat er dan volgt, kan je lezen bij De Dijn.

 

Annelien De Dijn (2021)
Vrijheid. Een woelige geschiedenis.
Amsterdam, Alfabet Uitgevers, 464 pagina’s
ISBN 978 90 213 4009 8