Margot Brouwer
Sterrenstof zijn wij. Ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven.
Een klein meisje heeft grote belangstelling voor de sterrenhemel. Wanneer ze leest dat het heelal naar een eindpunt evolueert, wordt ze angstig. De antwoorden die ze van haar diep religieuze ouders krijgt, volstaan niet. Op haar achttiende gaat ze natuurkunde en kosmologie studeren. Wat ze leert, maakt haar angst alleen maar groter, tot ze Spinoza ontdekt. Eindelijk slaagt ze erin wetenschap en zingeving te verzoenen.
Dit boek is het verslag van haar existentiële zoektocht, maar ook veel meer dan dat. Zo krijg je in het eerste deel een bevattelijk geschreven geschiedenis over onze blik op het heelal en onszelf. Kort samengevat: de kosmos is groter dan we dachten en ons belang kleiner dan we droomden. We weten er steeds meer over, met als resultaat nieuwe vragen en andere problemen.
Studie van de kosmos berust op twee verschillende methodes. Intuïtief voelt de neo-aristotelische aan als de juiste: empirische studies in combinatie met wiskunde. Lijnrecht daartegenover staat de neoplatoonse: onze werkelijkheid is slechts één mogelijke verschijningsvorm van eeuwige wiskundige vormen en wetten die oneindig veel verschillende werelden gestalte kunnen geven. Beide methodes hebben hun eigen overtuigingskracht en bieden andere perspectieven. Brouwer leunt naar het neoplatonisme – de formules zijn overtuigend – verder in het boek besteedt ze dan ook veel aandacht aan het multiversum, het bestaan van parallelle werelden. De uitleg daarvoor bespaar ik je, deels omdat ik het maar half begrijp, deels omdat het woord ‘als’ veel te vaak voorkomt in de onderliggende redeneringen.
Feit is dat ons universum en zijn ontstaansgeschiedenis behoorlijk complex zijn, met aan de basis zowel determinatie (de natuurwetten) als toeval (kwantummechanica). Hoe dat te rijmen valt met zingeving, is de grote uitdaging. Brouwer vond het antwoord bij Spinoza’s belangrijkste werk: Ethiek volgens de meetkundige methode gedemonstreerd. Haar lezing van deze klassieker vormt het tweede deel van het boek, en levert de ruggengraat van haar denken.
“Spinoza: mijn redder in existentiële nood”
Spinoza lezen is niet eenvoudig. Hij bouwt zijn redeneringen logisch-mathematisch op en vertrekt bijgevolg bij axioma’s en definities. Welke niet-bewijsbare basisstellingen hebben we nodig? Hoe definiëren we de kernbegrippen waarover we helderheid willen krijgen? Mochten we deze aanpak standaard hanteren bij elke discussie, dan zou het aantal misverstanden behoorlijk dalen. Met een eerste axioma stelt Spinoza dat alles een oorzaak heeft: causaliteit. Het tweede axioma gaat ervan uit dat de wereld logisch-mathematisch in elkaar zit: rationalisme. De combinatie van de twee laat hem vervolgens toe de wereld te begrijpen, waarbij hij vooreerst nog drie cruciale definities naar voren schuift: substantie, modus en attribuut.
Elke modus of manier-van-bestaan wordt veroorzaakt door een reeks voorafgaande processen en factoren. Het feit dat jij bestaat, is een gevolg van… begin maar terug te redeneren, tot bij het ultieme startschot, de oerknal. In dat terugredeneren arriveer je onvermijdelijk bij het eerste axioma, dat van de substantie. Wat Spinoza als substantie benoemt, kent géén externe oorzaak en wordt door zichzelf verklaard. Vandaar dat de ontstaansgeschiedenis van elke modus uiteindelijk teruggevoerd kan worden naar de substantie, als ultieme oorzaak. Het derde begrip vind ik moeilijker te vatten, behalve in de twee voorbeelden: een attribuut is een manier om de essentie van iets te interpreteren, met als twee voorbeelden uitgebreidheid en denken – de res extensa en de res cogitans van Descartes?
De cruciale stap in Spinoza’s redenering is de vereenzelviging van substantie en god; in zijn bekendere bewoording: god oftewel de natuur. De substantie is het op zich niet veroorzaakte vertrekpunt van alles, waarna elke modus een gevolg is binnen een ketting aan oorzaken. Dit roept het idee op van de “onbeweegbare beweger” van Aristoteles, als ultieme oorzaak, zij het met een essentieel verschil. Bij Spinoza is de causaliteit inherent aan het geheel, en niet iets wat daarbuiten staat.
Dit onderscheid is fundamenteel en maakt dat Spinoza niet verteerbaar is voor monotheïstische godsdiensten. ‘God’ kan niet langer transcendentaal gedacht worden, als iets of iemand die buiten en boven alles staat (laat staan als een oude man met witte baard); het goddelijke is immanent, inbegrepen in alles. Spinoza redeneert pantheïstisch: god/de natuur – de substantie – omvat en veroorzaakt alles wat er mogelijkerwijs kan bestaan, fysiek en geestelijk (de twee attributen die wij kennen).
Pantheïsme is ouder dan Spinoza, en kostte bijvoorbeeld Giordano Bruno het leven. Spinoza was voorzichtig genoeg om de Ethica pas na zijn dood te laten publiceren. In een apart hoofdstuk bespreekt Brouwer de overeenkomsten met bijvoorbeeld nog oudere oosterse tradities. Toch is Spinoza nieuw, omwille van zijn onverbiddelijke logica en de koppeling aan wetenschap, vandaar de aantrekkelijkheid voor vrijdenkers. In zijn visie is er geen aparte god meer, enkel een immanente causaliteit die van start gaat bij een axiomatisch gegeven dat altijd en overal aan het werk is. Of je dat nu ‘god’ of ‘de natuur’ noemt, maakt niet uit. Zoals Julian Barnes in zijn laatste boek schreef: “It’s the universe doing its stuff”.
Mijn nuchtere en ultrakorte samenvatting: de natuurwetten liggen aan de basis van alles. We kunnen causaal terugredeneren tot het ultieme vertrekpunt, maar verder raken we niet, met als gevolg dat we dit causale vertrekpunt wel als axioma moeten aannemen. Ook wij zijn een onderdeel – een modus – van een oorzaak-gevolg ketting, beter nog: netwerk, dat zich oneindig en eeuwig uitstrekt. We zijn dus niet het bedoelde, laat staan het ultieme resultaat van die ketting of dat netwerk. Eens dat besef tot je doordringt, ontstaat er een totaal ander mens- en wereldbeeld. De ooit traditionele opvatting – de aarde is het centrum van het heelal, met de mens als hoogtepunt van de schepping/de evolutie – hebben we al geruime tijd achter ons gelaten. Het bijbehorende mensbeeld – alles draait rond ons, begrijp: rond mij – nauwelijks. In het nieuwe beeld is de aarde een klein onderdeel van de kosmos, elk individu niet meer dan een radertje, met een causaliteit die ons elke illusie van autonomie ontneemt. Alles hangt met alles samen, afhankelijkheid is de regel.
De implicaties
Hoe kan Brouwer, met haar op Spinoza gebaseerde visie, natuurwetenschappen laten rijmen met zingeving? Ze maakt terecht dezelfde boedelscheiding die ik in Wijsheid uitgewerkt heb: natuurwetenschappen zijn totaal verschillend van menswetenschappen. De eerste beschrijven hoe de werkelijkheid en de natuur zijn, de tweede hoe de mens en samenleving zouden moeten zijn. Net daarom zijn geesteswetenschappen altijd moreel beladen, alleen al door de vragen die ze stellen. Natuurwetenschappen kunnen nooit existentiële vragen beantwoorden; geesteswetenschappen handelen over het ‘goede leven’ en bieden de nodige richtingaanwijzers. Vandaar dat de combinatie van de twee niet alleen wenselijk is, maar zelfs noodzakelijk.
Op dat kruispunt tussen natuurwetenschappen en geesteswetenschappen staat Spinoza ons op te wachten, omdat hij een wereld- en mensbeeld biedt dat mooi aansluit bij de hedendaagse kosmologie. Daarmee gaat Brouwer aan de slag om antwoorden te vinden op de zingevingsvraag. Na haar uitleg over het heelal en Spinoza’s ethica vind je hoofdstukken met de volgende titels, telkens met een cursief gedrukte ondertitel die de richting van het antwoord aangeeft: “Heeft het bestaan zin? Onze natuurwetten lijken geen toeval.” – “Wat kunnen we weten? Wij horen hier thuis.” – “Wie ben ik? Ons sterrenstoflijk bewustzijn.” – ”Waarom bestaat het kwaad? Goed of slecht, alles is volmaakt.” – “Waar ga ik heen als ik sterf? Het is altijd hier en nu.”
Het zijn stuk voor stuk existentiële vragen, met antwoordpogingen die tot nadenken stemmen. Toch schuilt er ook in het pantheïstische paradijs een adder onder het gras, en nog geen kleintje ook. Als alles volgens de causale wetten van de natuur verloopt, dan houdt dit een totale determinatie in, wat in religie de predestinatie heet. De gevolgen voor zingeving, moraal en keuze zijn gigantisch, en daar heeft Brouwer m.i. te weinig aandacht voor. Als alles onderdeel is van een causaal geheel, wat blijft er dan over van keuze, moraal en verantwoordelijkheid?
Doelgericht of toeval? Goed of slecht? Keuze of gedetermineerd?
De gevolgen worden duidelijk wanneer we de vraag naar zingeving koppelen aan deelvragen. Is écht alles gedetermineerd? Hoe plaatsen we daar het morele onderscheid tussen goed en kwaad in? Kunnen wij daar keuzes bij maken en dragen we bijgevolg een mate van verantwoordelijkheid?
De vraag naar het doel van het leven is even oud als de mensheid. Het antwoord dat vandaag domineert – iedereen moet zijn talenten zo goed mogelijk ontplooien en is daar zelf verantwoordelijk voor – gaat terug op Aristoteles en diens idee over de causa finalis, de doeloorzaak: alles wat leeft, streeft naar een zo perfect mogelijke zelfrealisatie van wat in de kiem aanwezig is. Lijnrecht daartegenover staat de wetenschappelijk onderbouwde evolutieleer: toevallige mutaties zorgen voor variatie in de levensvormen, het al dan niet matchen van een dergelijke mutatie met de leefomgeving bepaalt de overlevings- en voortplantingskans. Evolutie kent geen doel.
Aristoteles kan wetenschappelijk niet hard gemaakt worden, Darwin wel. Bij Aristoteles is er een vooropgesteld plan – hij legt het oorzakelijk startpunt extern, bij de onbeweegbare beweger, zeg maar God. Bij Darwin is een dergelijk plan en een dergelijke planner overbodig; toevallige veranderingen in combinatie met de natuurwetten volstaan als verklaring. Over het startpunt doet hij geen uitspraak.
De conclusie is even hard als pijnlijk: er ligt geen hoger doel ingebakken in de natuur, enkel een eindeloze causale reeks. Het wordt nog erger eens je doorhebt dat de natuur of de wetten van de natuur, geen moraal kent, enkel een blinde ketting van oorzaken en gevolgen. De natuur/god reikt geen beloningen uit voor het goede, geen bestraffingen voor het kwade. Het ‘god oftewel de natuur’ van Spinoza is amoreel. De mens mag dan wel een ethiek en een rechtssysteem uitbouwen en ervan overtuigd zijn dat hij – meestal is het een hij – daarvan de auteur is, toch is alles het resultaat van een complex causaal netwerk. Vrije wil en keuze zijn een illusie.
Bij nader toezien blijkt de redenering niet helemaal sluitend, de wetenschap laat een aantal openingen. De belangrijkste is duidelijk: de oorsprongsvraag kunnen we niet beantwoorden, vandaar het altijd terugkerende axiomatische startpunt – op een andere manier bekeken verbergt dat startpunt een groot vraagteken. Een tweede opening kwam ook al aan bod: de evolutietheorie berust op toevallige mutaties die al dan niet – en dus alweer toevallig – matchen met de omgeving. Toeval staat haaks op determinatie, toch? Deze opening richting niet-determinatie kan evenwel weerlegd worden: wat wij toeval noemen, zou wel eens kunnen getuigen van onze vooralsnog tekortschietende wetenschappelijke kennis. Geef wetenschappers nog wat tijd, en wat we nu nog niet begrijpen, wordt straks ook verklaarbaar. Een derde opening is fundamenteler: op het niveau van de kwantummechanica, die nauw aanleunt bij de astrofysica, heerst er een fundamentele onbepaaldheid. Deze vaststelling ligt aan de basis van het grote debat tussen Einstein en Bohr tijdens de vorige eeuw. De eerste wou het idee van toeval nooit aanvaarden en verwees daarvoor, als atheïst, naar god/de natuur; de tweede kwam telkens met harde bewijzen van het tegendeel.
De oorzaak-gevolgketting op basis van de natuurwetten is zonder twijfel fundamenteel, maar functioneert blijkbaar samen met het toeval. Is het te vergezocht om dit als een uitweg uit een totaal determinisme te beschouwen? En om op basis daarvan een minimale mogelijkheid tot keuze aan te nemen?
Mijn conclusie
Het boek is een perfecte en stilistisch puntgave inleiding op Spinoza én de kosmologie, en zeer overtuigend in het laten samenvallen van ‘god oftewel de natuur’ met de orde van het universum; het is geen gortdroge turf, wel persoonlijk en origineel door de koppeling aan zingevingsvragen. Daar is overduidelijk een lezerspubliek voor: mijn exemplaar van het boek behoort tot de zesde herdruk! Van stof zijn wij, tot stof zullen wij terugkeren — maar dat stof blijkt sterrenstof te zijn. De mens is geen eindpunt, geen kroon op de schepping, geen ultieme bedoeling van het geheel. Hij is een onderdeel. Dat besef kan vernederen, maar ook bevrijden.
Bepaalde implicaties van Brouwers visie blijven onderbelicht. Opvallend genoeg levert de vereenzelviging van de natuurwetten en god dezelfde onoplosbare problemen op als religie: een totaal determinisme (de predestinatie) en het probleem van goed en kwaad (de theodicee). Zowel bij Spinoza als in de natuurwetenschappen is alles een kwestie van oorzaak en gevolg, met als onoplosbaar probleem het vertrekpunt (oorsprongsproblemen zijn nooit beantwoordbaar) en het doel. De twee implicaties komen samen in de vraag naar verantwoordelijkheid: als alles op voorhand vastligt, kunnen we niet aangesproken worden op goed of slecht gedrag. Verantwoordelijkheid vooronderstelt een minimum aan keuzemogelijkheden. Tussen het zwart van totale determinatie en het wit van een vrije wil ligt er een heel kleurenpalet.
Mijn conclusie is alles behalve nieuw: alles hangt met alles samen, en omwille van de manier waarop wij invloed uitoefenen op het geheel waar we deel van uitmaken, dragen wij een immense verantwoordelijkheid. Combineer dat met ons zelfbewustzijn en intelligentie, en dan weet je wat ons te doen staat. Dat we, tegen alle rationaliteit in, nog steeds de verkeerde richting uitgaan, doet inderdaad denken aan een determinisme dat ons overstijgt.