Marcel De Cleene

Marcel De Cleene

De Naturalis Historia. Vergeten toepassingen van planten.

Het vernuft van planten.

Schemervluchten (het vorige boek dat ik besprak) handelt bijna uitsluitend over vogels en zoogdieren. Dat is geen toeval, dieren vallen letterlijk het meest op, planten en bomen zijn achtergrond. Dat dit decor heel wat meer is dan alleen maar een decor, blijkt van zodra iemand er zich over buigt. Wat doet een emeritus prof plantenkunde met een passie voor zijn onderwerp? Erover schrijven. Marcel De Cleene heeft ondertussen al veel boeken gepubliceerd over zijn passie, tijdens het coronajaar kwamen er meteen twee bij, die ik hier voor het gemak samen bespreek.

Het eerste combineert geschiedenis en praktische kennis. De Naturalis Historia is een plantenencyclopedie, in groot formaat, die gebruik maakt van historische tekeningen zoals we die kennen uit musea. In een niet eens zo ver verleden moesten biologen bij gebrek aan andere reproductiemogelijkheden hun onderzoeksobjecten kunnen tekenen en inkleuren. Het resultaat waren vaak kleine meesterwerkjes, zoals blijkt uit de illustraties bij deze atlas. Historische kleurafbeeldingen tonen tweehonderdenvijftig planten, struiken en bomen in al hun pracht, van ‘aardaker’ tot ‘zwarte populier’ (de originelen liggen in de Plantentuin van Meise). In de begeleidende tekst leren we welk gebruik onze voorouders ervan maakten en hoe we daar ook vandaag nog voordeel mee kunnen doen. De lezer krijgt een op ervaring gebaseerde kennis voorgeschoteld die wij grotendeels verloren zijn en vervangen hebben door technische toepassingen die we nauwelijks begrijpen en helaas ook door een op reclame gebaseerde indoctrinatie. Wij hebben het oneindig veel beter dan drie generaties geleden, maar we zijn een flink dommer geworden en vooral, vele malen minder zelfredzaam.

In het tweede boek, Het vernuft van planten, vertelt De Cleene op een onderhoudende manier over het complexe ‘gedrag’ dat sommige planten vertonen. Het feit dat wij dit als complex benoemen, zegt natuurlijk veel over onze grootheidswaanzin. Wij zijn toch de enig denkende, écht denkende wezens, ver verheven boven de andere zoogdieren? Planten behoren bovendien tot de ‘lagere’ levensvormen, gespeend van alles wat wij als ‘hoger’ achten? Het merendeel van de natuurdocumentaires handelen over dieren en tonen telkens welke ingenieuze gedragingen en aanpassingen verschillende soorten ontwikkeld hebben, telkens in functie van overleving en voortplanting. Ook bij planten is dat het geval, alleen verwachten we het niet en is de algemene kennis erover veel minder verspreid.

Na lectuur van Het vernuft zal de lezer daar letterlijk een andere kijk op hebben. Een opvallende rode draad leert ons dat een aantal menselijke uitvindingen al lang toegepast worden in de plantenwereld. Ons ‘gewapend beton’ vinden we terug in bomen en kruidachtigen, en sommige ingenieurs waren verstandig genoeg om leentjebuur te spelen en hun inspiratie daar te halen, met als bekendste voorbeeld het ‘Crystal Palace’ in London. Deze ijzeren serreconstructie haalde haar draagkracht uit een vorkvormig vertakte structuur vergelijkbaar met deze van de reuzenwaterlelie. Om dergelijke constructies te kunnen realiseren hebben wij rekenkracht nodig, tegenwoordig met dank aan krachtige computers. Planten rekenen zelf, ze zijn ‘meesters in de meetkunde’ – de rij van Fibonacci (een getallenreeks die start met nul en één, waarbij elk volgend getal de som is van de twee vorige) is overal aanwezig. De Flora geven ons ook een les in hydraulica (hoe ga je om met water?), in thermodynamica (hoe ga je om met energie?), zelfs in aerodynamica (het eerste zweefvliegtuig is geïnspireerd op gevleugelde zaden).

Wij zijn overduidelijk niet de enig denkende wezens. Ooit heb ik ergens gelezen dat de mens bij de geboorte al zijn kennis kwijt is en alles opnieuw moet leren, terwijl dieren (en planten) over een aangeboren intelligentie beschikken. Ik vermoed dat ik dit bij Bergson las, met zijn theorie over het ‘élan vital,’ maar ik vind het niet meer terug. Lezers die dit stuk kennis niet vergeten zijn, mogen mij altijd mailen.

Dat wij alles opnieuw moeten leren, wordt de voorbije jaren wel heel erg duidelijk. De mens is ongetwijfeld de slimste idioot die er rondloopt.

 

Marcel De Cleene (2021)
De Naturalis Historia. Vergeten toepassingen van planten.
Gorredijk: Uitgever Sterck & Devreese, 2021, 343 pagina’s.
ISBN 978 90 5615 711 1
Het vernuft van planten.
Gorredijk: Uitgever Sterck & Devreese, 2021, 136 pagina’s.
ISBN 978 90 5615 743 2

Helen Macdonald

Helen Macdonald
Schemervluchten.

 

De vakantie komt eraan, de voorbije maanden heb ik (te) veel en (te) vaak moeten lezen en schrijven over de problemen die er al zijn en wat ons nog te wachten staat. Wanneer ik dit schrijf, maken we in het zuidoosten van het land een nooit geziene regenval mee en reageert onze minister van energie op het Europese klimaatplan dat het “betaalbaar en haalbaar” moet blijven. Ik heb er mijn buik van vol, ook voor een Cassandra wordt het te veel. Als rustpunt zijn er gelukkig boeken die de geneugten van mijn kindertijd oproepen, omdat ze over de natuur gaan, over beestjes in de lucht, op de grond en in het water, over planten, over bossen. Er liggen er vier te wachten.

Het eerste in de reeks is geschreven door Helen Macdonald, bekend van De H is van havik (2014). Haar nieuwste boek is een verzameling van veertig korte essays, waarin ze haar ontmoetingen met een stuk natuur beschrijft: met zwanen (die in het Verenigd Koninkrijk gevangen en gemerkt moeten worden), hazen (het zijn de vrouwtjes die boksen, om mannetjes van zich af te houden), gierzwaluwen (altijd zweeft een verkenner hoog boven de zwerm, ter bescherming), herten (en dan voornamelijk botsingen met herten), migraine (de mooiste beschrijving die ik ooit las), trekvogels (migratie is overal), landschappen (vooral dat van je jeugdjaren), vogelruis (bij de eerste waarnemingen met radar dachten de operatoren ‘engelen’ of ‘geesten’ te zien – het bleken trekvogels te zijn, op hoogtes die voor onmogelijk werden gehouden).

De essays zijn kort en lezen vlot, dit is een perfect vakantieboek mét inhoud. De leidraad doorheen de veertig verhalen kan ik het best in haar eigen bewoordingen weergeven: “… dat we de natuurlijke omgeving altijd, onbewust, onvermijdelijk, als een spiegel van onszelf beschouwen”; en: “… van het allergrootste belang in ons hier en nu: proberen te kijken door ogen die niet de jouwe zijn.”
Als je er een aantal gelezen hebt, heb je zowel specifieke kennis opgedaan, over wielewalen en paddenstoelen, als kennis gemaakt met wie Helen Macdonald is. En dat valt heel goed mee. Haar laatste drie essays zijn zeer persoonlijk en daardoor ook universeel. Kom niet in de verleiding ze als eerste te lezen, je hebt de aanloop nodig van de zevenendertig andere.

 

Helen Macdonald (2021)
Schemervluchten.
Amsterdam: De Bezige Bij, 320 pagina’s.
ISBN 978 94 031 4490 0

Jason Hickel

Jason Hickel
Minder is meer. Hoe degrowth de wereld zal redden.

In een interview met Knack medio april vertelt VoKavoorzitter Wouter De Geest dat we tien jaar lang twee procent groei nodig hebben om het precoronaniveau te halen. Wat verder luidt het dat VoKa geen taboes heeft, maar dat economische groei onder geen beding mag worden afgeremd. Binnen zijn logica heeft hij overschot van gelijk, want het economische bestel staat of valt met groei. Wie een ruimere logica hanteert, weet dat groei een langzame, collectieve zelfmoord oplevert

De stem van VoKa is al decennia dominant, met als gevolg dat andere geluiden geruime tijd nauwelijks gehoord werden. Tegenwoordig wel, maar ze worden vooralsnog weggezet als wereldvreemd, onrealistisch, niet-betaalbaar. Toch klinken ze steeds overtuigender, ook al omdat ze in vergelijking met vroeger uit een andere hoek komen. Tot voor kort waren kritieken geruststellend ideologisch: langharig tuig tegenover keurig in maatpak geklede heren, ‘sossen’ tegenover ‘kapitalisten’. Vandaag de dag komt kritiek uit de mond van natuurwetenschappers: klimatologen, biologen, oceanologen, natuurkundigen. Dat het nog steeds dominante economische vertoog zichzelf aan het overleven is, blijkt uit hun gedateerde reactie. De vroegere pausen en prelaten schoven wetenschappers aan de kant als ‘ketters’, de huidige machtshebbers branden wetenschappelijke bevindingen af als ‘links’. Wat niet belet dat de wetenschappers gelijk hebben: de aarde draait rond de zon en de impact van de groei-economie op de natuur is dodelijk.

 

Een clash tussen economie en wetenschap

Net zoals ten tijde van de renaissance maken we in het begin van dit nieuwe millennium een clash tussen twee wereldbeelden mee. Aan de ene kant staat het heersende neoliberaal-economisch model, met groei als heilige graal; aan de andere kant staat de wetenschappelijke realiteit, waar minstens vier alarmbellen afgaan. Ik heb er weinig twijfel over dat ook nu de wetenschap het zal halen, zij het dat we daar deze keer slechts vijf decennia de tijd voor hebben, geen vijf eeuwen. De inzet is bovendien vele malen groter dan bij de botsing tussen religie en wetenschap. De aarde draait rond de zon, oké. Groei is dodelijk, slik. Dat laatste begrijpen is niet makkelijk, het gaat in tegen een diepgewortelde mentaliteit.

Wie een duidelijke uitleg wil krijgen, kan ik het nieuwe boek van antropoloog-econoom Jason Hickel aanbevelen. In zijn analyse van onze huidige problemen staan twee stellingen centraal. De eerste luidt dat groei structureel noodzakelijk is voor het huidige economische bestel – Wouter De Geest heeft gelijk. De tweede is dat groei onze wereld heel snel verandert in een onleefbare planeet. Hoe we dat kunnen oplossen, komt ruim aan bod in het tweede deel van het boek. Ik besteed vooral aandacht aan de probleemanalyse.

 

Groei zorgt niet voor algemeen welzijn

Klimaatontkenners worden steeds zeldzamer, de discussie is ondertussen verschoven naar de oplossingen: wat meer van dit (waterstof!), wat minder van dat (steenkool! Het is de schuld van de Chinezen! Zie Tine Hens), vervolgens business as usual. Hickel verknoeit zijn tijd niet met dergelijke dooddoeners, maar gaat linea recta naar de kern van het probleem. Hij legt eerst netjes uit wat groei is, waarom de huidige economie niet zonder kan en wie er daar profijt uit haalt. Alleen al omwille van deze uitleg is het boek een eyeopener.

Als iets maar voldoende vaak herhaald wordt, raakt ongeveer iedereen er na verloop van tijd van overtuigd. Al decennialang herhalen politici en ‘captains of industry’ (de grens tussen beiden is benauwelijk klein) dat groei een voorwaarde is voor het algemeen welzijn, waarna de zoveelste besparing doorgevoerd wordt in de zorg- en dienstensector in combinatie met de zoveelste fiscale gunstmaatregel voor het bedrijfsleven. De realiteit is radicaal anders: sedert 1980 heeft de toename van groei geen of zelfs een negatief effect op het algemeen welzijn. Westerse landen waar het BBP – dé maatstaf voor groei – is blijven stijgen, hebben hun algemeen welzijn zien afnemen, met de VS als belangrijkste illustratie. Zelfs de stelling dat een toename van groei borg staat voor ‘jobs, jobs, jobs’, klopt simpelweg niet.

Waar komt onze welvaart dan wel vandaan? De studies die Hickel bespreekt, geven op deze vraag een duidelijk antwoord. Welvaart is het resultaat van de herverdelingsmechanismen opgelegd door de overheid. De fameuze ‘Trentes glorieuses’ waren glorieus op grond van de billijke verdeling van de toenmalige groei. Vanaf 1980 worden de herverdelingsmechanismen afgebouwd en komt de opbrengst grotendeels terecht bij een steeds kleiner wordende groep. In het boek Fantoomgroei – een bestseller in Nederland – tonen Sander Heijne en Hendrik Noten aan dat de Nederlandse economie de voorbije veertig jaar tientallen procenten gegroeid is, terwijl de reële gezinsinkomens verhoudingsgewijs nauwelijks gestegen zijn (voor een bespreking, zie hier Sander Heijne & Hendrik Noten)

Deze vaststelling is de voorbije tien jaar zo dikwijls gemaakt dat het bijna vervelend wordt om dit nogmaals in de verf te moeten zetten: groei is geen garantie voor de toename van algemeen welzijn; groei is een garantie voor de vermogens- en dus machtstoename bij een kleine groep. (Wie dat wil begrijpen, kan ik de lectuur van Bas van Bavel aanbevelen, Bas Van Bavel) Historisch gezien is dat de regel, de groei van het Westen gebeurde eerst ten koste van Midden- en Zuid-Amerika, vervolgens ten koste van Afrika en Azië en tegenwoordig ten koste van een groot deel van de eigen bevolking.

 

Groei is noodzakelijk

In dat licht is de oplossing eenvoudig: terug naar de billijke herverdelingsmechanismen van de Trente glorieuses, zodat iedereen kan meegenieten van de groei; dat wil zeggen, iedereen in het Westen. Helaas werkt deze oplossing niet langer. Hickel legt uit waarom neoliberale groei ondertussen vergelijkbaar is met de ongebreidelde toename van kankercellen, met een onvermijdelijke dood van het organisme tot gevolg.

Dit begrijpen gaat in tegen ons buikgevoel. Groei is toch normaal, zelfs natuurlijk? Al helemaal als het over groene groei gaat? Neem een KMO, die een winstcijfer kan voorleggen van 14 procent. Het jaar daarop maakt het dezelfde winst, mooi! Nee hoor, want er is geen groei. Groei houdt in dat een bedrijf winst boekt bovenop die van de vorige jaren, anders groeit het niet.… Lees verder

Marte Kaan

Marte Kaan
Moeder natuur. Waarom liefde altijd tekortschiet.

Een mooi boekje, dat was mijn eerste idee toen ik Moeder natuur uithad. Mooi, in alle opzichten, het omslag (een foto van Hellen van Meene), het handzame formaat (in hardcover!), een behapbare lengte en een ogenschijnlijk lichtvoetige en persoonlijke benadering van existentiële vragen over liefde, nabijheid en verlies. Marte Kaan heeft er een scheiding op zitten, mist haar kinderen, gaat behoedzaam om met een nieuwe liefde en wil begrijpen wat er haar duwt en terugtrekt. Ze gaat te rade bij veel auteurs (De wand van Marlen Haushofer is écht een ontdekking), maar vooral bij zichzelf.

De drie hoofstukken – geboorte, liefde, dood – handelen telkens over verbinding en scheiding, over wie ik ben in relatie tot de ander, alleen maar ben in relatie tot die bepaalde ander, ook en zelfs vooral als ik die ander verlaat of verlaten word door die ander. Onderweg zet Kaan een aantal nog steeds ruim gedeelde mythes bij het groot huisvuil, met als eerste deze van de ‘natuurlijke’ volmaakte moederliefde (er is weinig volmaakts aan) en als belangrijkste de illusie van ‘mijn’ identiteit (de moeilijkste mythe om op te geven), met tussenin als constante het schuldgevoel bij moeders (meteen, naar ik vermoed, het belangrijkste motief bij Kaan om dit boek te schrijven).

Het middelste stuk handelt over de liefde, met de vragen waarop elke generatie opnieuw dezelfde antwoorden moet ontdekken met dezelfde moeilijkheden (op dit vlak is kennis duidelijk niet cumulatief). Gelukkig doet Kaan dat op een aangename, af en toe zelfs verrassende manier (‘Het gaat de prinses op de erwt niet om de prins, maar om de erwt’) met spitse formuleringen (‘Verliefdheid is vallen op je eigen gebrek’).

Het boek besluit met een krachtig einde over dood en afscheid nemen. En over angst, natuurlijk. Angst om in de steek gelaten te worden, wat toont hoe we niet zozeer rouwen over het verlies van de ander, wel over wat dat verlies met ons doet, het teruggeworpen worden op onze hulpeloosheid, de confrontatie met onze vaak schrikbarende bereidheid om ‘alles’ te doen voor een ander als hij of zij ons maar niet in de steek laat. Niet omdat we zoveel van hem of haar houden (na de breuk zijn haat en woede vaak vele malen groter dan de liefde), wel omdat we angst hebben voor het verlaten worden.

Eens alleen ontdekken we niet wie we zijn, wel dat we slechts bestonden in de blik van de ander. Mijn o zo dierbare ik is een ‘rommelige verzameling ervaringen en herinneringen’, zonder kern of essentie. Vreemd dat we de confrontatie daarmee niet als bevrijdend ervaren, als verlossing van onze immer wanhopige pogingen om ‘onszelf’ te zijn – ‘onszelf’ als wat ik denk dat de ander van mij verwacht. Voorbij dat bedrieglijke ‘onszelf’ ligt er geen ‘echt’ zelf, enkel een wereld van voortdurend verglijdende ervaringen. Omarm de verwondering.

 

Marte Kaan (2021)
Moeder natuur. Waarom liefde altijd tekortschiet.
Amsterdam, Prometheus, 141 pagina’s
ISBN 978 90 446 4123 3

Tine Hens

Tine Hens
Het is allemaal de schuld van de Chinezen! En andere dooddoeners over het klimaat.

Zondag 23 mei 2021, Laarne. Buiten is het twaalf graden, voor een keer regent het niet. Ook april was uitzonderlijk koud, wel droog – te droog. Iedereen moppert over het weer. De vorige jaren hadden we uitzonderlijk warme lentes. Niemand mopperde, iedereen genoot. Behalve die vermaledijde klimaatdoemdenkers die het feestje alweer kwamen bederven, samen met de boeren die naar regen snakten – bien étonnés de se trouver ensemble. De klimaatverandering wordt voelbaar, het genot zal van korte duur zijn.

Sedert de Verlichting beschouwen we onszelf als rationele wezens, hoog verheven boven redeloze dieren. Een rationele reactie op de klimaatchaos is simpel: nu met zijn allen alles doen om het tij te keren. Daarbij stel ik me het volgende voor. In de kranten en op het journaal komt dagelijks de evolutie aan bod, niet alleen in postzegelgroot Vlaanderen, maar ook in de rest van wereld – hoeveel hittedoden zijn er de voorbije week gevallen, waar zijn er overstromingen, hoeveel klimaatvluchtelingen kwamen erbij in de door de VN gerunde opvanggebieden, wat is de geschatte daling in voedselproductie dit jaar,…; onderwerpen genoeg. Om de veertien dagen spreekt de premier ons bezorgd toe en legt de nieuwe maatregelen uit (vanaf volgende maand worden de subsidies voor elektrische auto’s stopgezet, in de plaats daarvan krijgen we een forse premie als we onze wagen op fossiele brandstof opgeven en laten vernietigen; er komt een vervijfvoudiging van de CO2-taksen, waarvan de opbrengst integraal en transparant gebruikt wordt voor de uitbreiding van het openbaar vervoer; de veeteelt wordt versneld afgebouwd, met een eerlijke vergoeding voor zelfstandige landbouwers,…). Het nieuwsanker becommentarieert kritisch de beslissingen van de overheid en legt uit waarom de maatregelen nog steeds onvoldoende zijn. Elk journaal eindigt met een deskundige die een tip komt geven hoe wij, individuele burgers, kunnen bijdragen tot het behoud van onze toekomst (deze week gaat het over ons grasveld).

Een dergelijke reactie blijft niet alleen uit, in verhouding tot de omvang van de ramp is er nauwelijks aandacht voor. Als je de inspanning doet om zelf na te kijken welke maatregelen er genomen worden, ontdek je hoe weinig de plechtig aangegane pacten voorstellen en op welk drijfzand ze berusten. De machtshebbers zijn duidelijk niet bereid om economisch in te leveren, laat staan om het systeem te veranderen. Neoliberale politici, ook de Vlaamse, zeggen dat letterlijk, en geven ondertussen kritiek op burgers die zich op wetenschap beroepen. Ze blijven de verkiezingen winnen, dus hebben ze geen enkele reden om hun beleid te wijzigen.

De modale burger ligt wakker van te hete zomers (snel snel een airco installeren) maar niet van de klimaatchaos. Ik begrijp dit niet, echt niet. Het ‘Wir haben das nicht gewusst’ kan hoe langer hoe minder als argument gebruikt worden. In de plaats van in te grijpen sussen mensen zichzelf met vergoelijkende nepredeneringen waardoor ze niks moeten doen. Tine Hens heeft tien dergelijke dooddoeners opgelijst en telkens de moeite genomen om ze op een onderbouwde manier te weerleggen. Lees dit boek, het is vlot geschreven en o zo herkenbaar voor wie af en toe de klimaatverandering ter sprake brengt. Praat erover, gebruik de argumenten die de auteur aanreikt om hardnekkige onzin te weerleggen, geef het cadeau. Kortom: help bijdragen tot de levensnoodzakelijke mentaliteitswijziging.

Twee dooddoeners vind ik wraakroepend. “Technologie zal ons redden” is een eerste. Een dergelijke hoop berust op een geloof in wetenschap én op het negeren van de torenhoge wetenschappelijke consensus over de razendsnel op ons afkomende gevolgen van de klimaatverandering. Jezelf telkens voorstellen als verdediger van wetenschap en ondertussen de belangrijkste wetenschappelijke bevindingen straal negeren? Je moet het maar kunnen. De tweede luidt: “Het is te duur”. Begrijp: het mag ons geen euro kosten, meer nog, de omslag moet geld opbrengen (dit is het standpunt van de Vlaamse regering, die de Europese Green Deal slechts wil uitvoeren als deze ‘kostenefficiënt’ is). Een dergelijke redenering kan alleen gemaakt worden door hetzij kortzichtige mensen, hetzij luitjes die niet kunnen rekenen (in 2020 waren de schadedossiers voor noodweer 150 miljard dollar, en dat is maar één kost). Géén klimaatbeleid is nu al vele malen duurder dan een klimaatbeleid, waarbij we het nog niet eens hebben over het nooit becijferbare menselijk leed.

 

Ik vraag me af hoeveel mensen beseffen dat we voor de grootste uitdaging ooit staan. Ik kan er geen getal op kleven. Roeptoeters krijgen altijd het meest aandacht, en vertekenen het beeld. Ik geef toe dat ik mij bij tijd en wijle wanhopig voel. En kwaad op overheid en media, die hun werk niet doen. Gelukkig zijn er steeds meer burgers die actief worden, van pubers tot grootouders en alles tussenin, die de weg gevonden hebben naar rechtbanken en aandeelhoudersvergaderingen. Overheden worden veroordeeld (Nederland, Duitsland, Frankrijk, eventueel straks ook België) omdat ze geen partij kiezen voor het algemeen belang; multinationals worden op de vingers getikt en recent ook voor de rechtbank gedaagd als ze hun beleid niet aanpassen. Als regeringen niet ingrijpen, is het aan ons om in te grijpen op de regering.

Er is geen reden om fatalistisch te vervallen in ‘Het is toch te laat’, nog een dooddoener. Samen met veel anderen kies ik ervoor om bewust dingen te wijzigen in mijn manier van leven, met het oog op de toekomst van mijn kinderen (en die van u). Ik hoop dat ik deel uitmaak van een snelgroeiende meerderheid.

 

 

Tine Hens (2021)
Het is allemaal de schuld van de Chinezen! En andere dooddoeners over het klimaat.
Berchem, Uitgeverij EPO, 245 pagina’s
ISBN 978 94 6267 192 9
Lees verder

Annelien De Dijn

Annelien De Dijn
Vrijheid. Een woelige geschiedenis.

Boven mijn blog kan je lezen dat een boek een van de mooiste geschenken is. Eind vorig jaar raadde vriendin Tessa Vermeiren mij Freedom, an unruly history aan, en het was inderdaad een geschenk. Kort na nieuwjaar las ik de turf van 450 pagina’s op een week uit, dat zegt genoeg. Mijn enthousiasme heeft ook wel te maken met mijn klassieke opleiding en de ruime aandacht die De Dijn geeft aan de Griekse en de Romeinse geschiedenis. Terecht natuurlijk, de wortels van het vrijheidsbegrip zijn daar te vinden. En kijk, nu is er een Nederlandse vertaling bij een pas opgerichte uitgeverij, mooi toch?

Een boek dat je wakker schudt

Vrijheid behoort tot de categorie boeken die lezers wakker schudt, wat vandaag de dag meer dan ooit nodig is. Er hangen twee gevaren in de lucht, het ene kennen we (klimaatverandering), het andere beseffen we te weinig: het verlies van onze democratie. Slogans zijn mijn ding niet, als ik iemand ‘Vrijheid!’ hoor roepen, dacht ik vroeger aan pubers, vervolgens aan Trump, tegenwoordig aan volwassenen die pruilen omdat ze niet mogen funshoppen. En aan een Waalse partijvoorzitter die vrijheid boven volksgezondheid stelt.

Het woord behoort tot de categorie waarmee je tegenstanders de mond kunt snoeren (‘EN WAT MET ONZE VRIJHEID!?!’) zonder argumenten te moeten geven. Natuurlijk vind ik vrijheid belangrijk, maar zeg mij dan eerst wat je ermee bedoelt. Het magistrale werk van Annelien De Dijn toont dat twee invullingen van het begrip haaks op elkaar staan. Tijd dus voor een grondige betekenisanalyse die, zoals wel vaker, een historische analyse is.

Het boek bestaat uit drie delen waardoor we de gelaagde geschiedenis van het begrip kunnen begrijpen. Het eerste betreft de Griekse stadsstaten gevolgd door Rome. Het tweede omvat de Renaissance, als terugkeer naar de klassieke waarden met een moderne invulling die gestalte krijgt in de ‘Atlantische’ revoluties (Amerika, Frankrijk). Het laatste deel handelt over de moderne en de postmoderne invulling van ‘vrijheid’, en toont hoe dubbelzinnig het woord geworden is. Dubbelzinnig zoals in gevaarlijk dubbelzinnig.

De Griekse stadsstaten en Rome

Het klassieke Griekenland en zeker Rome zijn bekend, met dank aan historische romans en TV-series, denk aan Caesar, Claudius, Cicero. Het eerste deel van Vrijheid vertelt op een meeslepende manier hoe de Griekse stadsstaten zichzelf bevrijdden van externe heersers en naar zelfbestuur evolueerden, hoe Rome een republiek werd – res publica, letterlijk: gemeenschappelijke zaak of eigendom – waar de senaat alles ondertekende met SPQR (Senatus Populusque Romanus, de senaat en het volk van Rome).

Vrijheid betekent dat mensen zichzelf regeren, hetzij direct, hetzij via verkozen afgevaardigden. Vanaf het begin waren er tegenkrachten aan het werk. In de aanvang van de geschiedenis moesten de Griekse stadsstaten zich verzetten tegen externe machten (de Perzen!), in een latere periode kwam het gevaar van binnenuit. Hetzelfde gold voor Rome waar keizers de democratische vrijheid van de republiek aan banden legden. Zeker de Romeinse geschiedenis is het toonbeeld van het spanningsveld dat inherent is aan democratie, met af en toe een heel foute afloop.

Waarom dat zo is, heb ik pas begrepen bij mijn studiewerk voor het boek Autoriteit (2015). Democratie draagt twee idealen in zich, vrijheid en gelijkheid, die onvermijdelijk met elkaar botsen. Iedereen gelijk doet afbreuk aan vrijheid; iedereen vrij effent het pad voor ongelijkheid. Het spanningsveld tussen de twee verplicht democratie ertoe zichzelf om de zoveel tijd opnieuw uit te vinden. Dat is tegenwoordig meer dan noodzakelijk: algemene verkiezingen werken niet langer, de daardoor veroorzaakte particratie staat mijlenver van democratie. Voorbeelden? Een ruime meerderheid is voor billijke belastingen, net zoals een meerderheid bereid is tot verregaande inspanningen voor het klimaat, maar we hebben rechtszaken nodig om de ‘verkozenen des volks’ daartoe te dwingen. Het wordt tijd om over te stappen naar deliberatieve democratie en burgerberaden, zie hier.

De lange geschiedenis van de vrijheid

Terug naar De Dijn en de Klassieken. In haar openingshoofdstuk, De lange geschiedenis van vrijheid, treedt de eerste betekenis van het woord naar voren. Eerste, historisch maar ook voorwaardelijk (eerst dit, dan dat): vrijheid is politieke vrijheid, waardoor burgers zichzelf kunnen besturen en vervolgens als individu kunnen genieten van veiligheid en individuele vrijheid binnen de grenzen van de zelf gestemde wetten.

Deze redenering vormt de kern van het klassieke vrijheidsbegrip; het is niet moeilijk om hedendaagse voorbeelden te vinden die de draagwijdte ervan aantonen. Kijk naar Rusland, en je snapt wat ik bedoel. Politieke vrijheid van een gemeenschap kende een geleidelijke evolutie naar democratische vrijheid voor alle burgers; die kwam er niet vanzelf, er is zowel bloed als inkt over gevloeid.

Een bevochten politieke vrijheid ligt historisch ook aan de basis van een collectieve identiteit, denk opnieuw aan Senatus Populusque Romanus. Bloed hoeft geen betoog, behalve dat we te snel vergeten zijn hoe wij zelfs in een recent verleden bereid waren te vechten voor onze politieke vrijheid. Inkt vraagt meer uitleg, omdat het intellectuele debat blijvend is.

Vanaf het begin werden er inderdaad bezwaren geopperd tegen zelfbestuur, en wel door leden van de toenmalige elite, de intellectuelen (vreemd hoe het woord intellectueel tegenwoordig een scheldwoord geworden is, met als illustratie een lid van de Belgische regering die systematisch negatief geframed wordt omwille van zijn academische intelligentie).

Plato en Aristoteles waren geen voorstander van democratie, met als argument dat het volk te dom is om zichzelf te besturen, wat ondertussen overduidelijk weerlegd kan worden door daadwerkelijke ervaringen met deliberatieve democratie (zie de link die ik hoger gaf). Toch kan je dat argument ook nu nog horen en lezen, net zoals een tweede toenmalig bezwaar: vanaf het begin verzetten rijke burgers zich tegen democratie, omdat zelfbestuur automatisch naar een grotere gelijkheid leidde, ondermeer door het heffen van billijke belastingen. De facto hielden zij een pleidooi voor een tweede, totaal andere invulling van vrijheid, die pas vanaf de achttiende eeuw een politieke uitwerking krijgt – ik kom er later op terug.

Financiële elites en pseudodemocratie

In Rome beslechtte deze groep het pleit: een financiële elite trok de macht naar zich toe, met als gevolg het opheffen van de republiek en het ontstaan van een pseudodemocratie gedirigeerd door een beperkt aantal vermogende families (toen al), die de keizers leverden.… Lees verder

Ramsey Nasr

Ramsey Nasr

De fundamenten.

Ga naar de boekhandel (ze blijven open, eindelijk heeft de overheid begrepen dat cultuur essentieel is), koop dit boek. Aarzel niet, doe het. Ik heb het in één ruk uitgelezen (het leest vlot), met op het einde tranen in mijn ogen (ik huil uiterst zelden).

Uitleggen waarom is moeilijk. Nasr is een dichter, het poëtisch gehalte van De fundamenten is hoog (zo’n mooie taal), toch is het proza. Het boekje bestaat uit een uitvoerig essay voorafgegaan door twee korte hoofdstukjes over de pandemie. De eerste tekst dateert van maart 2020, de aanvang van de lockdown. Een tweede volgt in september wanneer de verwondering en de rust (‘Je zou bijna zeggen dat het leven beter was, ware het niet dat het leven ontbrak.’) plaats moesten ruimen voor de omslag. Een nieuw virus besmet een groot deel van de bevolking, het vrijheidsvirus. De ziekteverschijnselen zijn verschillend van patiënt tot patiënt, maar komen telkens neer op stoornissen in de impulscontrole. Het doelwit zijn uiteenlopende anderen (de politicus, de kunstenaar, de media, de wetenschapper, de anti-vaxxer, de racist, de antiracist, de milieubeschermer, de veeboer, …), waardoor het tijd en nadenken vraagt om deze verschillende gevolgen te herleiden tot dezelfde oorzaak. De omslag noopt de dichter op zoek te gaan naar De fundamenten, met als resultaat een honderd bladzijden tellend slotessay. 

And now for something completely different (voor de jonge lezers, zie https://www.youtube.com/watch?v=dlCbFu5dpc8.) Completely different wordt de toekomst, de onze, die al bezig is. ‘Het verleden begint sneller dan je denkt’. De klachten van complotdenkers en gezagsgetrouwen, van hysterici en rationelen  hebben dezelfde grond en vragen om dezelfde oplossing. ‘We wéten nu wel dat we het weten’. Politici blijven zeuren over burgers die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen – in Vlaanderen heet dat ‘responsabilisering’ – terwijl we dat al ruimschoots doen. Een meerderheid van de mensen (democratie!) is bereid in te leveren op voorwaarde dat het ons allen ten goede komt. Een kleiner deel gaat nog verder en komt op een beschaafde manier in opstand door naar het gerecht te stappen en de boosdoeners aan te klagen. Beschaafd, want vroeger maakten we boosdoeners af. De overheid aanklagen, ondenkbaar toch? Denkt de overheid. ‘In 2019 was 2020 nog ondenkbaar’.

Honderd bladzijden lang lees je een poëtische analyse van De fundamenten, van wat het betekent mens te zijn, als deeltje van een groter geheel, wat de gevolgen zijn als we dat vergeten; wat er ons te doen staat, en wat er in de weg zit. ‘En wij voelen dat het groter is dan wijzelf en van langere duur dan ons leven. We voelen ons niet doodgaan maar we voelen de realiteit dat we onbeduidend zijn.’ Dat schrijft Vincent van Gogh in 1888, zes jaar na de dood van Darwin. Covid-19 surft op de thermische wind van de klimaatchaos en geeft ons een snelcursus evolutietheorie-in-de-praktijk. Zo bijzonder zijn we niet, behalve misschien op één punt: we beschikken over een geweten. Mooier dan de slotzin van het boek kan ik het niet verwoorden: 

‘Wij moeten handelen, in het volle besef dat elk keerpunt zowel een moment is als een plek: een goed moment om stil te staan, een rampzalige plek om af te wachten.’

 

Ramsey Nasr (2021)
De fundamenten.
Amsterdam, De Bezige Bij, 144 pagina’s
ISBN 978 94 031 3231 0

Lode Vanoost

Lode Vanoost
Tot uw dienst. De zeven zonden van de ambtenaar doorprikt.

We schrijven 1980, mijn legerdienst zit erop (in mijn geval burgerdienst), ik kom op de ‘arbeidsmarkt’. Mijn diploma psychologie is niks waard, het wordt stempelen. Twee jaar voordien heb ik drie maand werk gehad, een interim, maar met het aantal geleverde arbeidsdagen blijf ik net onder het vereiste minimum om een hogere uitkering te krijgen. Het vooruitzicht te moeten leven met de laagste ‘dop’ is allesbehalve aangenaam. Ik ga mij inschrijven bij wat toen nog de RVA heette, aan de andere kant van het loket zit een ambtenaar, een in mijn ogen oude man (eind veertig, schat ik). Op zijn vraag naar vroegere tewerkstelling leg ik hem mijn papieren voor, zuchtend dat ik net niet voldoe aan het vereiste aantal dagen. Hij bekijkt de attesten, zegt dat hij iets moet opzoeken en keert wat later terug met de mededeling dat ik wèl in aanmerking kom. Het statuut van mijn vorige job berust op een zesdaagse werkweek, de berekening houdt daar rekening mee, ik krijg bijgevolg een veel hogere uitkering. Ik heb de man nooit meer teruggezien, maar dankzij hem kon ik een acceptabel leven leiden tot ik eindelijk wèl werk vond.

Veertig jaar later lees ik een boekje over de openbare sector en wat er de voorbije decennia gebeurd is met ambtenaren, leerkrachten, zorgverstrekkers, politieagenten, postbodes, spoorweglui,… Kort samengevat: ze zijn het slachtoffer van een niet-aflatende lastercampagne in combinatie met niets-ontziende besparingen. Het resultaat is een nog veel grotere groep slachtoffers, zijnde wij allemaal. En we worden nog misleid ook.

Ik was daar wel min of meer van op de hoogte, maar de omvang deed me toch schrikken. Lode Vanoost doet iets wat veel te weinig gedaan wordt – hij laat mensen aan het woord die ‘op de vloer’ staan en het eigenlijke werk doen; tussendoor verstrekt hij de nodige informatie, cijfers in de hand. Dat laatste is belangrijk, omdat ze argumenten opleveren tégen ideologische beweringen. De discussie over meer of minder ‘overheid’ is inderdaad een ideologische discussie, met voorstanders van de verzorgingsstaat lijnrecht tegenover de voorstanders van een neoliberale klassenmaatschappij. Sedert 1980 is de laatste groep aan de winnende hand, met als gevolg een afbouw van de dienstverlening, een negatieve framing van alles wat overheid is én een verheerlijking van privatisering. De argumenten daarvoor halen hun kracht voornamelijk – eigenlijk uitsluitend – uit de herhaling. De mantra’s kent ondertussen iedereen: diensten verstrekt door de overheid zijn inefficiënt en bovendien veel te duur; privatisering is vele malen goedkoper én werkt vele malen beter. Dat is helemaal juist: vele malen goedkoper en efficiënter voor de investeerder die zijn winsten ziet stijgen. Uit onderzoek in België en uit tal van evaluaties in landen waar de privatisering doorgevoerd werd, blijkt dat geprivatiseerde diensten méér geld kosten en minder dienstverlening opleveren dan openbare. Het tegenovergestelde beweren is een leugen gecombineerd met bedrog, en we beseffen dat veel te weinig.

Wat mensen met jarenlange ervaring op de vloer vertellen, is ronduit pijnlijk om lezen. De werkdruk wordt alsmaar hoger, ook al omdat er bijkomende taken opgelegd worden die op geen enkele manier bijdragen tot de kwaliteit van de zorg, het onderwijs of de dienstverlening zelf. Op de koop toe blijft het personeelsbestand dalen. ‘Boven’ heeft men geen besef wat er ‘beneden’ gebeurt, want de afstand tussen het beleid en de vloer wordt steeds groter. Mensen hebben schrik om hun baan te verliezen en durven nog nauwelijks protesteren. Op papier verloopt alles naar wens, de werkelijkheid is schrijnend. Voorbeelden bij overvloed. Justitie is onderbemand, de wachtlijsten in de GGZ maken de hulpverleners wanhopig, mensen met een beperking moeten jarenlang wachten op de budgetten waar ze recht op hebben, het personeel bij de NMBS werd op veertig jaar tijd méér dan gehalveerd, terwijl het aantal reizigers meer dan verdubbeld is. Het onderwijs ligt al jaren onder vuur want de resultaten van onze kinderen blijven dalen. Ze gaan naar school in aftandse gebouwen, er zijn te weinig leerkrachten en dus te veel leerlingen per klas, voor een directeursvacature zijn er nauwelijks kandidaten, de begeleiding van leerlingen-met-moeilijkheden kampt met chronisch personeelstekort (bemiddelde ouders betalen voor bijlessen). En wat is de oplossing van de opeenvolgende ministers van onderwijs? De lat hoger leggen (‘Wij zetten in op excelleren.’) Kan er mij iemand de logica van die ‘oplossing’ eens uitleggen? Aan de andere leeftijdskant van de dienstverlening vinden we onze oudjes in de rust- en verzorgingstehuizen. Een concreet voorbeeld van ‘efficiënte’ zorg in een RVT: een hoogbejaarde uit het bed halen, wassen, tandenpoetsen, verzorgen en aankleden moet op zeven minuten en dertig seconden gebeuren, dàt is efficiënt. Vraag het eens aan het oudje?
Wat een openbare dienst doet, wordt bepaald door maatschappelijke keuzes; wat een geprivatiseerde dienst doet, wordt bepaald door een marktlogica.

De resultaten van de systematische afbouw zijn ondertussen meer dan voelbaar, en de burger klaagt terecht. Vervolgens komt de misleiding. Tegenwoordig is er veel te doen, en terecht, over ‘fake news’. Wat er niet bij verteld wordt, is dat ‘fake news’ slechts de overtreffende trap is van een misleiding die al drie decennia gebeurt. De berichtgeving die door dominante politieke groeperingen en lobbygroepen doelbewust en systematisch verspreid wordt, is selectief – over heel veel wordt er niet bericht, andere dingen worden massaal uitvergroot, en de gehanteerde verklaringen zetten de zaken op hun kop.
De daarbij gevolgde strategie is eenvoudig: zorg ervoor dat een bepaalde tak van de dienstverlening niet langer werkt door het systematisch opleggen van besparingen. Als er bij het personeel een steeds grotere uitval optreedt door overbelasting en als er steeds meer stakingen komen, gebruik die zaken om de bevolking te overtuigen van de noodzaak aan privatisering: ja, jullie hebben alle reden om te klagen, een overheidsapparaat is niet meer van deze tijd, bovendien zijn ambtenaren lui, ze staken om de haverklap. Dat laatste is de moeite waard om bij stil te staan: in de nieuwsberichten krijgen we steevast te horen hoeveel de staking wel aan ‘onze’ economie zal kosten, over de oorzaken wordt er nauwelijks gerept.… Lees verder

Frank Tallis

Frank Tallis
Leven. Wat de grootste psychologen ons vertellen over geluk, onbehagen en zingeving.

In Vlaanderen behoor ik tot de eerste lichting klinisch psychologen, op basis van een toenmalige opleiding die echt niet veel voorstelde. Dat vormde geen beletsel om een maand na mijn afstuderen (!) als psychotherapeut te starten in een GGZ. Gelukkig waren er in dat centrum ervaren collega’s aan de slag bij wie ik te rade kon gaan: een gedragstherapeute, een gestalttherapeut, iemand die toen al met infants werkte (het woord werd nog niet gebruikt), een psychoanalytische therapeut en een gezinstherapeute. Ik herinner mij levendig de casusbesprekingen tijdens de teamvergaderingen op vrijdagvoormiddag, waar elk een eigen inbreng deed. In terugblik is het duidelijk dat een flink stuk van mijn klinische vorming daar ligt. De diversiteit in de benaderingen samen met de kameraadschappelijke sfeer hielpen mij als jonkie enorm.

Een paar jaren later keerde ik terug naar de universiteit. Wat ik daar aantrof, was een totaal andere wereld die in de daaropvolgende decennia van kwaad naar erger evolueerde. De opleiding was ondertussen beter uitgebouwd, dat wel, en zeker aan de Gentse universiteit waren de verschillende therapeutische richtingen goed vertegenwoordigd. Het slechte nieuws was dat ze elkaar het licht in de ogen niet gunden. De oorlog – het woord is niet overdreven – werd en wordt gevoerd in naam van ‘de’ wetenschap, ‘de’ patiënt, terwijl het in realiteit altijd handelde en handelt om macht en ego’s. In de aanvangsjaren domineerde de psychoanalyse, vandaag de dag is dat de cognitieve gedragstherapie, maar het verschil is gering. Een dominante partij wordt arrogant, wentelt zich in het eigen grote gelijk en wil alleen maar nog meer macht. Het eindpunt is ook altijd hetzelfde: in de groep der machtigen ontstaan er interne gevechten waarmee ze zichzelf uiteindelijk de das omdoen. Als hoogleraar heb ik steeds geprobeerd afstand te houden van dit soort dingen – de te betalen prijs (minder macht, minder geld) vond ik niet erg.

Een dramatisch gevolg van deze gevechten tussen ego’s is dat studenten gedwongen worden kamp te kiezen. Wil je tot een bepaalde club behoren, dan moet je de andere afzweren, zelfs demoniseren. Het gros van de afgestudeerde klinisch psychologen stapt in de praktijk met een degelijke kennis over één bepaalde therapierichting en een berg vooroordelen over alle andere. Daarmee wordt hun de kans ontnomen om in dialoog te treden met collega’s van andere richtingen (die bovendien hun eigen vooroordelen hebben), terwijl een dergelijke uitwisseling ontzettend verrijkend werkt. Zo kan je ontdekken dat er veel meer overeenkomsten zijn dan verwacht, op voorwaarde dat je voorbij het jargon geraakt. Een tweede verrijking handelt over de limieten: elke therapeutische benadering heeft haar beperkingen, en vaak zijn die niet dezelfde als deze van een andere richting. Een derde vaststelling betreft de échte verschillen en de grond daarvan, met name het achterliggende mensbeeld. Op dat ogenblik kan er een boeiende, zelfs existentiële discussie komen. Ik vrees dat de opleiding zoiets nagenoeg onmogelijk maakt.

Frank Tallis is een Britse psychotherapeut die duidelijk buiten de stammentwisten gebleven is. Ik vermoed dat hij oorspronkelijk opgeleid werd als psychoanalytisch therapeut, en nadien een ruime kennis opgedaan heeft van de andere richtingen. Psychotherapie maakt volgens hem deel uit van een nog veel oudere traditie waarin nagedacht wordt over menselijke problemen en mogelijke oplossingen. Het resultaat is een geaccumuleerde kennis – wijsheid is een beter woord – zowel over die problemen als over manieren om ermee om te gaan. Met zijn boek heeft hij de bedoeling deze kennis zoveel mogelijk te expliciteren, aan de hand van verschillende therapeutische scholen en een aantal protagonisten. Sommige zijn voor de hand liggend (Freud, Maslow, Watson, Winnicott, Rogers, Fromm, Beck, Shapiro), andere veel minder. Wie kent er nog Gross, Janov, Ellis, Sargant, Frankl? De systeemtherapeutische benadering ontbreekt, en dat is jammer. Ook wel vreemd, want Tallis is er, net zoals ikzelf, van overtuigd dat de stortvloed aan huidige problemen systeemgerelateerd zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit een onverwachte rode draad die hij hanteert, met name schilderijen van Edward Hopper die als geen ander de moderne beklemming op doek wist te krijgen.

Voor alle duidelijkheid: Leven is geen overzicht van bekende en minder bekende figuren, ze komen bijna altijd zijdelings ter sprake. De hoofdstukken zijn geordend in centrale ideeën (praten; vertekening; identiteit; seks; zingeving; …) en handelen over het belang van het intermenselijk contact, de nood aan veiligheid, het nog steeds onderschatte aandeel van trauma’s in de ontwikkeling van wat tegenwoordig ‘stoornissen’ heet, de nood aan een overtuigend narratief, … Net omdat meerdere auteurs en verschillende benaderingen aan bod komen, krijgt de lezer een gedifferentieerd beeld, waarbij zowel overeenkomsten als verschillen duidelijk worden. Tussendoor krijg je  klinische vignetten voorgeschoteld, waardoor de theorie een realiteitsgehalte krijgt.

Het hoofdstuk over narcisme (‘Staren in de poel’) vond ik een van de krachtigste, met ditmaal geen Hopper als beeld, wel Caravaggio’s portret van Narcissus. Tallis beschrijft het internet als een potentiële versterker van de infantiele almacht waarin we steeds opnieuw ons gelijk bevestigd vinden en we ons Ik voortdurend verder kunnen ‘cultiveren’ (inderdaad, tussen aanhalingstekens), met de smartphone als Caravaggio’s weerspiegelende poel. Hand over hand neemt narcistische woede (‘het onderhandelingsinstrument van dictators en kleine kinderen’) toe, steeds meer mensen vinden dat zij ‘recht’ hebben op wat ze willen, ook als dat ten koste van anderen moet gebeuren en altijd in naam van ‘de vrijheid’. Kleuters van vier verpakt in het lichaam van een dertigjarige zijn niet meer grappig en vaak zelfs ronduit gevaarlijk.

Het boek is zonder twijfel een aanrader voor al wie te maken heeft met of zich herkent in mijn schets van de hedendaagse academische opleidingen klinische psychologie. Wil je buiten de voorgehouden spiegelbeelden stappen, wil je meer weten over de andere benaderingen, dan is dit boek een mooi startpunt.

 

Frank Tallis (2020)
Leven. Wat de grootste psychologen ons vertellen over geluk, onbehagen en zingeving.
Amsterdam/Antwerpen uitgeverij Atlas Contact, 255 pagina’s
ISBN 978 90 470 1324 2

Sander Heijne & Hendrik Noten

Sander Heijne & Hendrik Noten
Fantoomgroei. Waarom we steeds harder werken voor steeds minder.

Toen ik in mijn laatste boekje, Houd afstand, raak mij aan, mijn kritiek op groei scherper dan ooit formuleerde (‘Groei is de grootste leugen van onze tijd’) vonden een aantal coryfeeën uit de bedrijfswereld en zelfs één hoogleraar het nodig om dit te ridiculiseren. Ik heb nooit veel geduld gehad met hoogopgeleide idioten en dat betert niet met ouder worden. Argumenten tegen de huidige versie van groei liggen voor het rapen, maar dan moet je wel uit je ideologisch-dogmatische bubbel stappen.

Voor mij ligt een boek geschreven door twee jonge Nederlanders (de een werkt als bestuurskundige bij het Nederlandse equivalent van VoKa; de ander is een journalist met economie als focus). Hun uitgangsvraag betreft de volgende paradox: de (Nederlandse) economie is de voorbije decennia met tientallen procenten gegroeid, terwijl de reële gezinsinkomens in diezelfde periode vrijwel niet gestegen zijn. Hoe komt dat? Tijdens hun onderzoekswerk zijn ze, naar hun eigen zeggen, van de ene verrassing in de andere gerold. De kern van de verklaring ligt al vervat in hun titel – de huidige groei is fantoomgroei – en krijgt in het boek een onderbouwde uitwerking.

Dit is de zoveelste studie in de rij die uitlegt hoe verknipt ons economisch bestel in elkaar zit, waarom dat het geval is en wat we daar kunnen aan doen. In het vorige boek dat ik besprak (Werk, door Suzman) kwam ‘de grote ommekeer’ al aan bod, de benaming voor de loskoppeling van lonen en productiviteitsstijgingen vanaf 1980, met als gevolg een steeds scherper wordende ongelijkheid). In een nog oudere blog besprak ik de systemische verklaring voor de evolutie van de vrijemarktsamenleving, die ik in het werk De onzichtbare hand van van Bavel vond. Fantoomgroei illustreert wat er in de laatste fase van een vrijemarktsamenleving gebeurt, en wat de verschillen zijn met het officiële verhaal.

In Nederland is het boek een enorm succes: gepubliceerd in juni 2020 waren er in oktober al vijf herdrukken. Het onderwerp leeft, het besef dat onze huidige economie op waanzin berust, neemt hand over hand toe en zal binnenkort boven een kritische drempel uitstijgen. Daarna volgt verandering, goedschiks of kwaadschiks. De auteurs merken terecht op dat de toenemende ongelijkheid dé verklaring is voor de opkomst van rechts-populistische bewegingen. Hoe terecht de onvrede bij de aanhangers van deze bewegingen ook moge wezen, populisten leggen de oorzaak krak op de verkeerde plaats: bij de ‘linkse elites’, bij de moslims, bij de vrouwen. Nee hoor, de oorzaak ligt in ons sociaaleconomisch bestel, dat is de pijnlijke waarheid. Pijnlijk omdat net dit bestel ons ooit welvaart en vooruitgang gebracht heeft, maar nu exact het tegenovergestelde doet (voor de verklaring, opnieuw, lees van Bavel, zie https://boekenblog.paulverhaeghe.com/bas-van-bavel/).

Wie bekend is met de materie, kent de pijnplekken, een opsomming kan dan ook volstaan. De ruimere uitleg hoe dit in Nederland sedert 1982 stap voor stap geïnstalleerd werd en hoe dit in een nog ruimere historische achtergrond kadert, kan je in het boek lezen.

– Belastingen benadelen loontrekkenden en bevoordeligen bedrijven en vermogens. Loonsverhogingen zijn uit den boze, belastingvoordelen voor bedrijven en vermogens zijn de regel.
– De inkomenskloof wordt steeds groter, zowel de rijkdom als de armoede nemen toe.
– Bezuinigingen ‘om de economie te stimuleren’ gebeuren altijd ten koste van de huishoudens en de publieke sector (onderwijs, zorg, justitie, politie, …)
– Onder het mom van ‘optimalisatie’ genieten werknemers steeds minder bescherming en in sommige gevallen draagt de overheid daar actief toe bij. Het gevolg is dat dezelfde overheid steeds meer uitkeringen moet betalen.
– De huidige ‘groei’, zowel bij gezinnen als bedrijven, berust op schulden. Groei is fantoomgroei.
– Op de achtergrond worden voortdurend dezelfde riedeltjes herhaald: wie hard genoeg werkt, kan het maken; wie arm is, heeft dat aan zichzelf te danken; steuntrekkers zijn profiteurs; de lonen zijn veel te hoog, inlevering is nodig; bedrijven die te veel belasting moeten betalen, zullen naar het buitenland vertrekken, enzovoort.

Het pijnlijke is dat de door ons verkozen politici niet meer bij machte blijken te zijn om ‘de’ economie (lees: de beursgenoteerde bedrijven) tot de orde te roepen. De voorbije decennia heeft er een merkwaardige omkering plaatsgegrepen: het is de overheid die zich regels laat opleggen, hetzij uit onmacht, hetzij – in het allerslechtste geval – omdat ze corrupt zijn. In 2015 onthulde het NRC Handelsblad dat de nieuwe wetgeving voor financiële markten, ingediend door J.Dijsselbloem, grotendeels geschreven was door de lobbyisten van ING. Alsof je pedofielen de wetgeving over jeugdzorg laat herschrijven. Met dergelijke praktijken hoeft het ons niet te verwonderen dat multinationals tegenwoordig nauwelijks belasting betalen, en dat terwijl het toptarief in Nederland ooit tweeënzeventig procent was en in de VS zelfs negentig procent.

De in het boek besproken evolutie en voorbeelden betreffen Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder, maar kunnen probleemloos toegepast worden op België. Ik geef één voorbeeld, zomaar geplukt uit de krant van 18 januari (DS 18 januari 2021, Matthias Somers, Voor zeven euro meer; zie https://www.standaard.be/cnt/dmf20210117_98001191). In België zijn de loononderhandelingen bezig, en nu al staat wettelijk (inderdaad: wettelijk – zie hoger: wie schrijft er die wetten?) vast dat de lonen de komende twee jaar maximaal met 0,4 procent mogen stijgen. Concreet houdt dit in dat iemand die met een voltijdse baan 1700 euro bruto verdient (dat zijn meer mensen dan de lezers van deze blog vermoeden) de komende twee jaar een opslag krijgt van maximaal 7 euro, bruto. Waar de lezers nog veel minder weet van hebben betreft andere, eveneens door dezelfde wet vastgelegde beperkingen bij de loononderhandelingen. Bijvoorbeeld: 1) er mag geen rekening gehouden worden met de toegenomen productiviteit (die is in België hoger dan in de buurlanden); 2) er mag geen rekening gehouden worden met de loonkostsubsidies; begrijp: met de cadeaus die het bedrijfsleven gekregen heeft van de overheid (in 2019 voor een totaal van 12,5 miljard euro) door specifieke verminderingen van werkgeversbijdragen; 3) er mag geen rekening gehouden worden met de ‘taxshift’, die de bedrijven in 2019 een voordeel van 2,8 miljard euro opleverde, wat ze bovendien – dit wordt écht een karikatuur – door een handige boekhoudkundige truc mochten bijtellen bij hun kosten voor de sociale zekerheid (die ze niet betaald hebben); laat dat even tot je doordringen: je krijgt geld, en dat mag je aftrekken van je belastingen?… Lees verder

James Suzman

James Suzman
Werk. Een geschiedenis van de bezige mens – van de oertijd tot het heden.

De bedoeling en het uitgangspunt van dit boek in combinatie met de omvang verklaren waarom dit een lijvige bespreking wordt. Het uitgangspunt is dat de relatie tussen energie, leven en arbeid vele malen fundamenteler is dan algemeen gedacht en bovendien iets is wat we delen met alle levende organismen. De bedoeling is ons te bevrijden van het schaarste-dogma én van onze ondertussen levensbedreigende preoccupatie met groei.

Als antropoloog behoort James Suzman tot een groep zwaar onderschatte wetenschappers. Psychologen staren zich blind op het individu, sociologen verliezen zich in cijfers en correlaties, antropologen proberen de anthropos, de mens, te begrijpen in relatie tot zijn omgeving, zowel de sociale als de natuurlijke, vaak in combinatie met een stevig onderbouwd historisch verhaal. Suzman heeft meer dan tien jaar veldonderzoek gedaan bij de Ju/’hoansi, hedendaagse jager-verzamelaars die zelf nog niet zo lang geleden letterlijk bejaagd werden door de Zuid-Afrikaanse boeren. Hij werkte ook zeven jaar voor de diamantgroep De Beers. Tegenwoordig woont en werkt hij in Cambridge. Met die achtergrond is hij de geknipte figuur om een antropologische blik te werpen op wat ons tegenwoordig domineert, economie, en bovendien in de versie waar de gewone mens dagelijks mee te maken heeft, beter bekend als ‘werk’.

Wetenschap is vooral boeiend als zij zekerheden onderuithaalt en aantoont dat we onszelf iets wijsgemaakt hebben en vervolgens ons leven zo inrichtten dat het lijkt alsof we het gelijk aan onze kant krijgen. Dit geldt voor een centrale opvatting in de economie: dat alles rond schaarste draait en bijgevolg rond competitie. Suzman toont overtuigend aan dat échte schaarste structureel alleen maar optreedt in slecht georganiseerde landbouwmaatschappijen en zelfs daar uitzonderlijk is. Sedert de industriële revolutie is schaarste het effect van een maatschappelijke organisatie die een steeds grotere ongelijkheid veroorzaakt én het slechtste in ons naar boven haalt. Mochten onze torenhoge productiviteit en de daarbij gemaakte winsten billijk verdeeld worden, dan was er geen sprake van ‘schaarste’. Wat we vandaag produceren aan échte dingen (voedsel, goederen), volstaat om de wereldbevolking een degelijk leven te bieden; bovendien maakt de productiviteitsstijging een veel kortere werkweek perfect mogelijk. Beide vaststellingen gaan regelrecht in tegen het huidige dogma dat we steeds harder en langer moeten werken en dat iederéén moet werken om toch maar een stukje te kunnen bemachtigen van de verondersteld steeds kleiner wordende taart. In de realiteit is er heel veel taart waarvoor er steeds minder arbeid nodig blijkt.

Op zich zijn deze ideeën natuurlijk niet nieuw – dit boek is de zoveelste wetenschappelijke studie in de rij over het onderwerp, die voor de zoveelste keer weggehoond zal worden als linkse prietpraat (net zoals de klimaatverandering, en bovendien is de aarde plàt, ’t is maar dat je ‘t weet). Het vernieuwende van dit boek, naast de zeer degelijke onderbouwing (drieëntwintig pagina’s eindnoten) en de vlotte schrijfstijl (echt een page turner), is dat Suzman het onderwerp breed behandelt, zowel historisch als inhoudelijk, én dat hij vertrekt bij een originele insteek.

Zijn uitgangspunt is dat doelgericht actief zijn een wezenskenmerk is van alle organismen. Niks te doen hebben ervaren we als onaangenaam. Doelgericht actief zijn is pas ‘werk’ geworden vanaf het ogenblik dat we ervoor betaald werden, met als grappig gevolg dat wat ooit ‘werk’ was (jagen, vissen, op het veld werken, pottenbakken, naaien, breien, houtbewerking, …) nu vrijetijdsactiviteiten zijn en dat sommigen onder ons betaald worden voor vrijetijdsactiviteiten (voetballen; filmpjes van onszelf maken en op internet gooien, …). Als wezenskenmerk – en hier komt de verrassing – plaatst Suzman het onder de tweede wet van de thermodynamica. Slik – hoe luidt die ook alweer? Het bruggetje is dat werk arbeid inhoudt.

‘Arbeid’ is een term uit de fysica en betekent simpelweg overdracht van energie. In de natuur is er een streven aanwezig – ‘streven’, bij gebrek aan een beter woord – om alle energie zo gelijkmatig mogelijk te verdelen over de ruimte, bij uitbreiding, over het heelal. Denk aan een kopje hete thee waar de warmte (de energie) uit verdwijnt door zich te verspreiden over de kamer. In ons – net zoals in alles wat leeft – is er een mechanisme ingebouwd dat ons ertoe brengt energie te absorberen (via eten; maar ook bijvoorbeeld via de bouw van atoomcentrales) én te spenderen (via werken; maar ook bijvoorbeeld via oorlog). Werk, arbeid dus, is een manier om energie te verspreiden. In deze redenering zijn levende wezens door de natuur uitgevonden energieverspreidingsmachines in functie van de beoogde entropie. Volgens de thermodynamica is het eindpunt een wereld zonder energetische spanningsverschillen. De facto is dat ook een heel erg dode wereld, als eindpunt van een kosmische evolutie. De discussie daarover is voer voor nobelprijswinnaars – alleen al het teleologische in de redenering (heeft de natuur een bedoeling?) is een wetenschappelijk strijdpunt van formaat – en handelt over niets minder dan het ontstaan, de evolutie en een verondersteld eindpunt van de kosmos.

Het verrassende is dat deze wetenschappelijke lezing aansluit bij de ontstaansverhalen van verschillende culturen. Als antropoloog is Suzman daar goed mee bekend: elke cultuur heeft wel een scheppingsverhaal met een slechte en een goede oppermacht. De goede schept, verbindt en ordent; de slechte breekt af, vernietigt, verstrooit. In de prozaïsche versie van de fysica zorgt de eerste voor spanningsopbouw en energieaccumulatie, de tweede doet het omgekeerde.

Wie dit maar speculatieve onzin vindt, kan ik geruststellen: enkel in het eerste deel staat dit centraal, daarna keert de auteur er slechts sporadisch op terug. Wie dit boeiend vindt, moet nobelprijswinnaar natuurkunde Schrödinger lezen, What is life?

Het tweede deel van het boek, De zorgzame omgeving, handelt over jager-verzamelaarsgemeenschappen, vroegere en huidige. Deze gemeenschappen kennen geen schaarste, integendeel; op de koop toe moeten ze daar slechts geringe inspanningen voor leveren. De facto leven zij in de echte versie van het aards paradijs, zonder een kunstmatig aangedreven verlangen naar steeds méér. Delen is de regel, bezit zoals wij dat kennen, bestaat niet. Jager-verzamelaars leven in een continue uitwisseling tussen mens en natuur, waarvan zij zichzelf als onderdeel beschouwen zonder daar een hiërarchie in te leggen.… Lees verder

Arthur Eaton

Arthur Eaton

De kleine Freud. Zijn psychoanalytische theorie samengevat.

Met de regelmaat van een klok krijg ik de vraag voorgeschoteld wat ik eigenlijk doe (‘Gewoon luisteren? Kan iedereen toch!’) en of Freud nog wel relevant is. Af en toe is het een echte vraag van iemand die echt benieuwd is naar die ogenschijnlijk makkelijke praktijk. Het is niet makkelijk om daar een antwoord op te formuleren, deels omwille van de moeilijkheid van het onderwerp, deels omwille van de vooroordelen waartegen je moet opboksen, deels omwille van het gebrek aan tijd (zulke vragen worden vaak gesteld op recepties/bij de borrel).

Vanaf nu heb ik mijn antwoord klaar: lees het boekje van Arthur Eaton, waar je op zestig pagina’s een vlot geschreven verhaal krijgt over Freuds theorie en praktijk. Eaton is een jonge Nederlands-Amerikaanse analyticus die zijn psychoanalytisch werk combineert met schrijven voor kwaliteitstijdschriften zoals De Groene Amsterdammer. Hij benadert Freud vanuit vier invalshoeken die elk een apart hoofdstuk krijgen: praten, dromen, vrijen, sterven. Bij elk onderwerp krijgt de lezer een degelijk zicht op Freuds ideeën, hoe die bij de psychoanalytische praktijk aansluiten en wat de ruimere implicaties zijn. Tussen de regels door herken ik de klinische ervaring van de auteur.
Het mooiste vind ik zijn beschrijving van de psychoanalytische ruimte als een van die zeldzame plaatsen waar alles gezegd kan worden. In zijn woorden: ‘Het is een schuilplaats tegen de tirannie van de courante moraal. De analyse is een experiment met het vrije woord.’ Dat klinkt lekker revolutionair, en is het ook – autoritaire régimes (Nazi-Duitsland, meerdere Zuid-Amerikaanse staten, de vroegere USSR) beschouwden psychoanalyse en psychoanalytici als staatsgevaarlijk, simpelweg omdat iemand die in analyse is, onvermijdelijk de normaliteit-van-de-dag in vraag gaat stellen.
Voor alle duidelijkheid: de psychoanalytische ruimte is geen plaats voor zelfverklaarde vrijdenkers die daar graag mee uitpakken (daar hebben ze twitter voor). Het waarlijk revolutionaire grijpt in eerste instantie plaats bij het individu dat op de divan/de bank ligt, omdat het door zijn of haar eigen spreken verrast wordt (‘Heb ik dat écht gezegd?’), met als gevolg een ontmaskering van opgelegde normen en overtuigingen, naar de limiet toe zelfs een ontmaskering van de eigen identiteit. Het resultaat is een grotere keuzevrijheid. Het gevolg kan een keuze voor hetzelfde zijn als voorheen, het kan ook een keuze zijn voor iets anders. De bewustwording dàt het keuzes betreft, dat zogenaamde zekerheden geen vastliggende waarheden zijn, maakt deze praktijk tot een subversieve.

In het slothoofdstuk snijdt de auteur de vraag aan of psychoanalyse onze postmoderne tijd zal overleven. Haar innoverende ideeën zijn overgenomen door psychotherapeutische theorieën die niet eens beseffen wat ze overgenomen hebben. Wat niet belet dat de huidige klinische praktijk haaks staat op de psychoanalytische: tegenwoordig is het de therapeut die het woord voert en aan de ‘cliënt’ uitlegt welke stoornis hij heeft en hoe hij die moet aanpakken. In de academische wereld heerst het Amerikaanse vertoog van de gedragswetenschappen, met een focus op afwijkend gedrag en normalisatie op grond van evidence-based disciplinerende technieken. Geesteswetenschappen en kunst komen steeds meer in het academische verdomhoekje te staan, samen met de psychoanalyse die meer aan hen verwant is dan aan de behavioral sciences.

Daartegenover staat dat er buiten de universiteit en de psychotherapie duidelijk een vernieuwde belangstelling is voor Freuds ideeën, vooral om de alomtegenwoordige irrationaliteit en zelfdestructie te begrijpen. In Eatons woorden: ‘Het onbewuste is terug op het wereldtoneel, en hoe.’ In de wereld van de psychotherapie zien we hoe een groeiend aantal mensen zich afkeren van behandelaars die, vaak dik tegen hun zin, moeten functioneren als managers van een opgelegde normaliteit. Veel van die behandelaars willen weer therapeut worden.

Ik zou de divan/de bank nog niet al te snel opbergen.

 

Arthur Eaton (2020)
De kleine Freud. Zijn psychoanalytische theorie samengevat.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 61 pagina’s.
ISBN 978 90 450 3606 9

Brenda Froyen

Brenda Froyen
Ben ik dan nu weer normaal?

In 1880 wordt Jozef Breuer, een dokter met naam en faam, te hulp geroepen door een familie behorende tot de hogere Weense burgerij. Hun volwassen dochter vertoont een zware stoornis met onder meer hallucinaties en hevige angsten. Bij toeval ontdekt de arts een behandeling die de geschiedenis zal ingaan als de hypnokathartische methode (denk aan EMDR en je bent aardig in de buurt). Een volledige genezing blijft uit en de jonge vrouw zal geruime tijd opgenomen worden in een psychiatrische instelling. Vijftien jaar later beschrijven Breuer en Freud haar behandeling in een boek waar het woord psychotherapie voor het eerst gebruikt wordt. Voorgesteld als ‘Anna O’ krijgt ze de diagnose hysterie. Nog een halve eeuw later, wanneer psychiatrie en psychoanalyse stevig in het zadel zitten, kan je in heel wat artikels lezen dat beide heren flink fout zaten met hun diagnose. Anna O leed ongetwijfeld aan een beginnende schizofrenie, zo luidt het, vandaar dat er na de behandeling een vermoedelijk levenslange hospitalisatie volgde.

In 1972 wordt deze wijd gedeelde overtuiging met één klap onderuitgehaald door een Amerikaanse wetenschapsjournaliste. Lucy Freeman ontdekt wie Anna O was (Bertha Pappenheim) en, vooral, dat Bertha na haar zwaar gestoorde periode niet alleen een normaal maar bovendien een maatschappelijk zeer geëngageerd leven heeft geleid waarvoor ze postuum een officiële erkenning kreeg. In 1954 werd haar beeltenis op een Duitse postzegel afgedrukt, in de reeks ‘Benefactors of mankind’ (https://en.wikipedia.org/wiki/Bertha_Pappenheim)

De conclusie? Iemand met een ongetwijfeld ernstige stoornis kan na verloop van tijd een normaal leven hebben. Een psychiatrische diagnose is een momentopname, ook als dat moment twee jaar duurt, en geen veroordeling tot levenslang gestoord zijn.

Deze conclusie heeft men niet gemaakt. De huidige Bertha’s krijgen een label opgeplakt dat de overgrote meerderheid onder hen nooit meer kwijtgeraakt. Voor de buitenwereld, en helaas vaak ook voor henzelf, zijn en blijven ze nauwelijks iets anders dan hun ‘stoornis’. Alles wat ze doen en zeggen wordt door de buitenwereld verklaard aan de hand van het label, ook als ze reeds geruime tijd opnieuw tot de ‘normalen’ behoren.

Dat is de ervaring van Brenda Froyen, een Bertha Pappenheim 2.0. Na de geboorte van haar derde kind liep ze verloren in een ernstige psychose. Haar behandeling in de psychiatrie (gedwongen isolatie, zware medicijnen, nauwelijks gehoor krijgen) is op zich al erg – bij iemand in hoge psychische nood is isolatie zo ongeveer de meest foute ‘behandeling’ die er bestaat – wat nadien volgde, is op een andere manier erg. Kort samengevat: eens volledig hersteld gebruikt ze haar (uitstekende) pen om taboes, misvattingen en mistoestanden in de psychiatrie aan te kaarten. Bij een aantal individuele hulpverleners vindt ze gehoor, bij het psychiatrisch establishment niet, en dat is een understatement. De reacties die ze moet ervaren, kan ik als clinicus beschrijven als hertraumatiserend: afwijzing, ontkenning, beschuldiging. Alles wat iemand-met-een-label zegt of doet, wordt gezien als een uiting van de stoornis. Zelfs als het terechte kritiek is, zelfs als het constructieve suggesties tot verbetering van het systeem zijn. Gelukkig krijgt ze ook positieve reacties, van mensen met dezelfde ervaringen én van hulpverleners.

Kortsluiting in mijn hoofd. Over het beest dat psychose heet (2014) was haar eerste boek. Ben ik dan nu weer normaal? wordt de afsluiter. In de zes jaren tussen de twee boeken nam ze haar job als lector aan de hogeschool weer op. Daarnaast was ze een drijvende kracht achter de oprichting van Psychosenet:
https://www.psychosenet.be
werkte ze mee aan het advies van de Hoge Gezondheidsraad over psychiatrische diagnostiek:https://www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/hgr_9360_dsm5.pdf
aan de oprichting van de interuniversitaire opleiding Herstelgerichte psychiatrie:
https://pevpat-ugent.be/pev-herstelgerichte-ggz/
en gaf ze heel wat lezingen.

Wat ze beschrijft, zijn zowel wantoestanden in sommige psychiatrische instellingen als de structurele fouten van het systeem. In de betere instellingen of afdelingen komen dergelijke wantoestanden – te veel medicijnen, te weinig luisterend oor, familieleden die buitengesloten worden, isolatiepraktijken – nauwelijks voor. Maar zelfs in de betere ziekenhuizen zijn de effecten van de structurele systeemfouten duidelijk, met als belangrijkste en meest verrassende effect dat de eigenlijke zorg in de verdrukking komt te staan. Iedereen die een opleiding volgt in de hulpverlening doet dat met een portie idealisme. Na een paar jaar praktijk blijft daar vaak niet veel meer van over. De duidelijkste verwoording komt tijdens een van Froyens lezingen uit de mond van een verpleegkundige: ‘Hulpverleners hebben heus niet altijd de beste bedoelingen. Vaak hebben ze geen bedoelingen meer, ze voeren alleen hun baan uit’.

De structuurfouten van het psychiatrisch bestel liggen op meerdere vlakken. Eén ervan staat volgens mij centraal: het diagnostisch systeem. De wijze waarop wij een probleem definiëren bepaalt de richting van de daarbij aansluitende oplossing. Een psychiatrische diagnose is een probleemdefiniëring, die in het ideale geval de problematiek van een individu begrijpt en beschrijft als het gecombineerde resultaat van diens sociale context, psychologische make-up en biologische ondergrond. Idealiter wordt dit alles netjes in een diagnostisch verslag gegoten, waarna oplossingen voorgesteld worden die de drie velden bestrijken. Tegenwoordig krijgen mensen-in-moeilijkheden een VMA-label opgeplakt (VMA: Vaak Met Afkorting), op grond van poepsimpele checklijstjes waarvan de naïeve eenvoud verborgen blijft achter moeilijke termen en letterwoorden. Mensen krijgen te horen dat hun stoornis blijvend is want neurobiologisch bepaald en dat ze hun medicijnen levenslang moeten slikken. Wat het merendeel doet, want ermee stoppen veroorzaakt een stortvloed van helse afkickeffecten.

De allerbelangrijkste misvatting is dat dergelijke labels wetenschappelijke benamingen zouden zijn van ziektes. In het beste geval zijn het beschrijvingen van problemen die mensen ervaren. In het slechtste geval zijn het beschrijvingen van problemen die wij ervaren met mensen die anders zijn. In geen enkel geval zijn het objectieve aanduidingen voor netjes in kaart gebrachte neurobiologische aandoeningen. Voor geen enkele ‘stoornis’ hebben we medicijnen die genezend werken. Pillen beïnvloeden het gestoorde of storende gedrag door het te dempen of het op te peppen. Alle pillen hebben neveneffecten, sommige daarvan zeer zwaar, bepaalde ervan helaas niet-omkeerbaar.

Deze vaststellingen zijn al geruime tijd bekend en wetenschappelijk zeer goed onderbouwd. In de praktijk worden zij genegeerd of zelfs ontkend, waardoor de officiële psychiatrie een hoog Trumpgehalte krijgt: wat buiten haar invloedssfeer als waar bewezen is, wordt in de eigen kringen ontkend, verdacht gemaakt, in extreme gevallen uitgescholden voor onwetenschappelijk.… Lees verder

Annie Dillard

Annie Dillard

De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.

 

Als Marja Pruis (dé essayiste van het huidige Nederlandse taalgebied) op zoek moet gaan naar woorden om de kwaliteit van Dillards bundel te omschrijven, dan weet je dat er iets bijzonders op de plank ligt. Nadat ik De overvloed een tweede maal gelezen had (dat was nodig en ik deed het graag), heb ik het knap moeilijk om te omschrijven wàt ik gelezen heb. Dillard leert je opnieuw kijken naar ‘dingen’ omdat ze telkens heel hard naar juiste woorden zoekt om de lezer wakker te maken. Dertig onvergetelijke pagina’s over zand en stof (en Teilhard de Chardin)? Nooit zal ik zand nog op dezelfde manier kunnen bekijken. We vegen en poetsen om onze teraardebestelling uit te stellen. Een zonsverduistering? Een botsing op het onbegrip in ons begrijpen, op de futiliteit van al onze bekommernissen, toen onze generatie aan de beurt was om te leven. Vergeten hoe het was om zestien te zijn? Niets kon dit ernstige geval van zachtheid genezen, behalve, heel misschien, geweld.

Als ik dan toch een poging moet doen om te omschrijven waarover ze het heeft, dan kom ik het dichtst in de buurt (denk ik) als ik haar onderwerp benoem als de Goddelijke Komedie, waarin wij vol van onszelf een rol spelen terwijl de kosmos in en buiten ons zijn gang gaat.

Een boek met een diepgang en een stijl waar ik diep voor buig.

 

Annie Dillard (2020)
De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 253 pagina’s.
978 90 254 6192 8

 

Ton Lemaire

Ton Lemaire

Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.

 

Na het lezen van De eenzame stad (Olivia Laing) greep ik naar een boek over wandelen, omdat deze activiteit het idee van alleen zijn oproept (met dank aan J.J.Rousseau en diens Les Rêveries du promeneur solitaire). Voor wie Ton Lemaire niet kent: hij is een Nederlandse docent filosofie die in 1990 uit onvrede met de gang van zaken aan de universiteit naar de Dordogne trok en daar sedertdien op zijn eentje zo ecologisch mogelijk leeft. Om de paar jaar verschijnt er wel een boek van hem, en ik heb ze stuk voor stuk graag gelezen (heel corona-actueel is zijn in 2010 gepubliceerde De val van Prometheus). Zelfs wanneer hij over ogenschijnlijk ‘gewone’ onderwerpen schrijft, bereikt hij een diepgang die weinig auteurs gegeven is, bovendien in een lichtvoetige stijl.

Wandelen dus. In de inleiding lezen we dat een beschouwing over de plaats van wandelen een goede toegang kan bieden tot meerdere aspecten van onze samenleving, en zelfs kan uitmonden in een diagnose van de moderniteit. Raker kan ik het niet samenvatten, en als bonus krijgen we in het boek nog een mooi zicht op de geschiedenis. De verschillen tussen de Franse, Duitse en Angelsaksische cultuur maken dat ze ook anders wandelen, wat tot in hun tuinaanleg zichtbaar wordt – het verband tussen de Franse centralistische politiek en de strakke Versailleperken is even duidelijk als dat tussen de Britse ‘wilde’ parktuin en het Angelsaksische liberalisme.

Het boek is min of meer thematisch geordend, met onderwerpen zoals slenteren in de stad, trektochten in de natuur, iconische wandelaars, bedreigde voetgangers. Er struinen veel figuren door de tweehonderdvijftig pagina’s (de namenindex achteraan neemt drie bladzijden met dubbele kolommen in beslag), maar nooit wordt het ‘namedropping’, wel een mogen mee wandelen met markante denkers. Tussendoor krijgt de lezer rake redeneringen voorgeschoteld, bijvoorbeeld wanneer Lemaire afrekent met het gebruik van het woord ‘elitair’ als dooddoener (bepaalde standpunten zijn wel degelijk beter en een pleidooi voor gelijke rechten houdt niet in dat alle meningen gelijkwaardig zijn), of een vergelijking maakt tussen massatoerisme en klimaatvluchtelingen, of een koppeling legt tussen onze passieve mobiliteit (zittend halen we snelheden van 800 kilometer per uur) en wandelen (‘hiking’) als hype.

Na de twee laatste hoofdstukken ‘Lof van het lopen’ en ‘Kunst van het wandelen’ heb ik mijn wandelschoenen uit de kast gehaald en mijn agenda anders georganiseerd om er binnenkort weer op uit te kunnen trekken, op zoek naar de dubbelzinnige ervaring die Lemaire (met dank aan Camus) op het einde van zijn boek zo mooi samenvat. Wandelend vallen we samen met en verdwijnen we in de natuur, tot we opgeschrikt worden op het moment dat we de betekenissen verliezen die we er zelf ingelegd hebben en oog in oog komen te staan met de vreemdheid, het niet-menselijke van wat ons omringt.

Volgend weekend ga ik stappen.

 

Ton Lemaire (2020)
Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.
Amsterdam: Ambo/Anthos, 250 pagina’s.
ISBN 978 90 263 4787 0

Olivia Laing

Olivia Laing

De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn.

Tijdens een week waarin ik niet alleen was maar me wel alleen voelde, greep ik min of meer bewust naar De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn, geschreven door de mij onbekende Olivia Laing. Kort samengevat: het is een pareltje (parel, want 350 bladzijden). Laing heeft een vlotte pen, een stijl die mij aanspreekt en vooral, ze bezit de gave om mensen zowel raak als mild te beschrijven, een zeldzame combinatie. En ja, het gaat over eenzaamheid, maar niet met de afgezaagde, hoe-slecht-is-onze-maatschappij-toch ondertoon; het gaat over ‘het menselijke, het al te menselijke’.

Als jonge Britse volgt ze de man van haar dromen naar New York. De man bleek een vergissing te zijn, New York niet. Ze leeft er maanden alleen en gaat op zoek naar wat eenzaamheid betekende voor lotgenoten uit een vorig tijdperk die op een of andere manier met kunst bezig waren. Hoofdfiguren zijn Edward Hopper, Andy Warhol, David Wojnarowicz en Henry Darger, naast Valerie Solanas, Nan Goldin, Klaus Nomi en Peter Hujar. De helft van hen kende ik niet, alleen al daarom is het boek de moeite waard. Tussendoor komt haar eigen verhaal aan bod, samen met de meest zinvolle bespiegelingen over eenzaamheid die ik ooit las. Mijn exemplaar staat vol aangekruiste passages en snel in de kantlijn neergekrabbelde nota’s – dat zegt genoeg. Op de koop toe gaat de kwaliteit van haar tekst in stijgende lijn; Laing omcirkelt het onderwerp spiraalsgewijs tot steeds hogere niveaus, met als opstapjes bekende en minder bekende figuren. Als lezer neemt ze je mee in een wereld bewoond door mensen die je niet meer loslaten. Dit is een van de boeken die je voortdurend naar YouTube stuurt, om hen ‘in het echt’ te zien en te horen – de blik van Valerie Solanas, de films van Andy Warhol, de stem van ‘mutant chantant’ Klaus Nomi, de schilderijen van Henri Darger – ik bleef maar doorklikken.

Dit boek lezen voert je binnen in een universum van gekwetste kinderen (gekwetst is een understatement) die daarom eenzame volwassenen werden, ook wanneer ze later omringd werden door bewonderaars. Valerie Solanas staat vooral bekend als de waanzinnige vrouw die Andy Warhol neerschoot, waarbij vergeten wordt dat ze een radicale feministe was (ze beschouwde het gezin als de voornaamste oorzaak van vrouwelijke onderdrukking), auteur van het SCUM-manifest (Society for Cutting Up Men); snoeihard eenzaam en eenzaam snoeihard, na een kindertijd van seksueel misbruik en verwerping. Heel erg intelligent, op zoek naar gehoor dat ze niet krijgt, verworpen door vrouwengroepen die ze net wou verdedigen.

Zij wou vrouwen beschermen terwijl Henri Darger alle onheil wilde weghouden van kinderen. Ook hij was opgegroeid met geweld en misbruik, maar in tegenstelling tot Solanas leidde deze doodarme schoonmaker een onopgemerkt, eenzaam bestaan. Na zijn dood werd in zijn huurflatje een gedurende een halve eeuw opgebouwd oeuvre gevonden, een combinatie van waterschilderijen, collages en een manuscript, alles samen meer dan tienduizend pagina’s, met als onderwerp een oorlog tegen misbruik en slavernij van kinderen, met daarin een ‘onafhankelijkheidsverklaring van het kind’ met onder meer ‘het recht op normale slaap tijdens de uren van de nacht‘. Slik. Ik wil me niet voorstellen wat hij meegemaakt moet hebben.

Solanas en Darger groeiden op met extreem geweld, dat was zo mogelijk nog meer het geval voor David Wojnarowicz, kind-prostituee in Hell’s Kitchen (denk aan Mean Streets van Scorcese). Op zijn twintigste begint hij foto’s te maken, waarmee hij zijn eigen geschiedenis in beeld brengt. Kunst en seks zijn twee ontsnappingsroutes, weg uit de eenzaamheid én uit de gevangenis van het lichaam, ontsnapping die voor hem en vele anderen pas mogelijk werd in randzones – in dit geval Times Square en de verlaten havenloodsen van Chelsea in de jaren ’70. Seks verschijnt als oorzaak van en remedie voor eenzaamheid: verbinding met de ander en dus remedie tegen isolement; gebruik/misbruik van het driftig-agressieve lijf en dus oorzaak van isolement, met kunst als poging om zichtbaar te maken wat altijd aan gene zijde ligt: het verlangen naar heelheid, naar volledig zijn, met jezelf en met de ander. ‘Dat is toch de droom van seks? Dat je uit de kerker van het lichaam bevrijd zult worden door het lichaam zelf, dat eindelijk begeerd wordt, zijn vreemde taal begrepen.

Het boek is zo rijk dat ik het onbegonnen werk vind om het samen te vatten. Je kan er bijvoorbeeld razend interessante ideeën uit putten voor onze corona-eenzaamheid, ook al omdat Laing in één van de hoofdstukken de gevolgen van de aidsepidemie bespreekt (niet mogen aanraken of aangeraakt worden, sterven in isolement). Ik beperk me tot één idee. In een tijdperk waarin individualisering centraal staat, wordt ook de oorzaak van eenzaamheid bij het individu gelegd, niet alleen door de afwijzende anderen (‘Waarom volg je geen training in sociale vaardigheden?’) maar ook door het eenzame individu zèlf. ‘Het alomtegenwoordige, onweerlegbare besef dat het me aan iets ontbrak, dat ik niet de beschikking had over datgene waar mensen over horen te beschikken, en dat dit te wijten was aan een ernstige, ongetwijfeld niet mis te verstane persoonlijke tekortkoming van mij.’ Laing brengt uitvoerig en overtuigend de tegenovergestelde visie: eenzaamheid is een gevolg van oorspronkelijke afwijzingen, heel vaak in een traumatische context. Eenzaamheid ontstaat nooit in isolement, maar is het product van vicieuze sociale cirkels. Het startpunt ligt in een traumatiserende omgeving met afwijzende, of zelfs misbruikende anderen. Een dergelijk kind ontwikkelt een verhoogde waakzaamheid waardoor het als volwassene anderen gaat wegduwen of net aanhalen op een manier die hen op de vlucht doet slaan. Bovendien houden ze hun littekens verborgen, de echte en de figuurlijke, waardoor de buitenwereld hen nog minder begrijpt.

Eens geïnstalleerd houdt eenzaamheid zichzelf in stand omdat het letterlijk afstotend werkt en contact onmogelijk maakt. Eenzaamheid maakt ziek, de figuren die in het boek opgevoerd worden, hebben elk op hun manier een remedie ontwikkeld waarin agressie, liefde en kunst centraal staan.
Tot slot: ‘Ik geloof niet dat iemand leren kennen per se de remedie is tegen eenzaamheid.Lees verder

Abram de Swaan

 

Abram de Swaan
Tegen de vrouwen. De wereldwijde strijd van rechtsisten en jihadisten tegen de emancipatie.

 

Vorige week had ik een gesprek met een jonge vrouw van achtentwintig over emancipatie. Opnieuw moest ik vaststellen hoe weinig deze generatie beseft welke inspanningen haar (over)grootmoeders en in beperktere mate grootvaders hebben moeten leveren om mogelijk te maken wat zij als vanzelfsprekend beschouwt. Met het feit dat zij gendergelijkwaardigheid als normaal ervaart, heb ik natuurlijk geen probleem. Ik heb wel last met de wijze waarop de huidige generatie vrouwen achteloos voorbijgaat aan de emancipatie van een groep als groep en zich nog nauwelijks verwant voelen met hun gendergenoten onderaan de maatschappelijke ladder. Daarmee is deze generatie een kind van haar tijd: alles wordt op het conto van het individu geschreven, zowel het succes als de mislukking. Maar individuele emancipatie is een illusie, en individuen worden steevast tegen elkaar uitgespeeld door ‘the powers that be’. Met als gevolg dat gelijkwaardigheid op de helling kan komen te staan en ongelijkheid straks weer steil kan toenemen. Niets is ooit definitief verworven.

Het boek van de Swaan is in dit opzicht meer dan welkom. Als socioloog schetst hij een beeld van de geschiedenis én bespreekt hij ook uitvoerig de actualiteit. Het eerste deel ‘Het patriarchaat als schrikbewind’ is een opsomming van de vernederingen, onderdrukking en verminkingen die meisjes en vrouwen moesten en moeten ondergaan onder het patriarchaat. Het tweede deel ‘De onstuitbare opkomst van vrouwen in de wereld van nu’ is een mooie correctie op het individualisme en het gebrek aan historisch besef die tegenwoordig heersen. Maar vooral het derde deel maakt dat ik dit boek bijzonder belangwekkend vind, ‘De oorlog tegen de vrouwen door jihadisten en ‘rechtsisten’.

Het voorbije decennium is er heel wat te doen geweest over terrorisme en moslimfundamentalisme, waarbij telkens duidelijk werd in welke mate religie gendergelijkwaardigheid uitsluit en vrouwen reduceert tot seksslavin, meid en broedmachine. Het woord ‘religie’ in de vorige zin zal menig lezer tegen de borst stoten – dit geldt toch enkel voor IS en aanverwanten? De pijnlijke waarheid die de Swaan in herinnering brengt en uitvoerig illustreert, is dat alle godsdiensten van Het Boek (Jodendom, Christendom, Islam) in hetzelfde bedje ziek zijn – de ene is zieker dan de andere, maar geen enkele is gezond. De beschrijvingen van de wijze waarop de katholieke Kerk zich vandaag de dag in Zuid-Amerika opstelt tegenover vrouwen, van de positie van de vrouw in de Joodse gemeenschap zijn pijnlijk overtuigend. De klassieke verdediging van het gelovige individu is telkens dezelfde: dat is niet het échte Christendom, niet de échte Islam, niet het échte Jodendom. Net zoals Stalin en Mao e tutti quanti niet het échte communisme waren, veronderstel ik. De geschiedenis leert dat angst en haat voor de vrouw structureel ingebakken liggen in deze godsdiensten, met onderdrukking, geweld en misbruik als onvermijdelijke gevolgen.

Met uitzondering van de VS is het Westen ondertussen grotendeels geseculariseerd. Religie is een individuele ervaring geworden, aansluitend bij wat ik beschouw als een essentieel kenmerk van onze soort: onze nood aan het transcendente. Het gevaar voor de vrouw komt bij ons nog nauwelijks uit deze hoek, maar is daarom niet geringer: de ‘rechtsisten’ hebben het overgenomen van de godsdienstfundamentalisten, ze verwerven steeds meer macht en we beseffen dat veel te weinig. De beschrijvingen die de Swaan geeft, laten weinig aan de verbeelding over. Op het internet zijn er tal van mannelijke groepen aan het werk die ras en volk verheerlijken en hun afschuw uiten voor alles wat geëmancipeerd is in het algemeen en voor vrouwen in het bijzonder. Hun gewelddadigheid blijkt op betogingen én uit het stijgend aantal moordaanslagen (op hun websites wordt Breivik opgevoerd als rolmodel). Zij verschillen nauwelijks van de jihadisten, op één uiterst belangrijk punt na: ze worden oogluikend gesteund door de ‘gewone’ rechtse partijen, die daarmee het bedje spreiden voor een gevaarlijke evolutie.

Overal in Europa verliezen rechtse politici stemmen aan ultrarechts, met als gevolg dat sommige van deze ooit keurige partijen zowel het taalgebruik als de standpunten overnemen van groeperingen die haat en verdeeldheid tot hun handelsmerk gemaakt hebben. Nog even, en rechts gaat openlijk allianties aan met dergelijke groepen, net zoals hun voorgangers dat deden in het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw, in de hoop op die manier hun macht te kunnen herstellen. Heimelijk zijn rechtse partijen ervan overtuigd dat zij binnen een dergelijke alliantie die ultrarechtse idioten wel zullen overvleugelen. De geschiedenis, zowel de vroegere als de huidige – toont wie de idioten waren en zijn, en wie er overvleugeld werd en wordt – wie had ooit gedacht dat de Amerikaanse republikeinen op zo’n korte tijd zouden muteren tot wat ze nu zijn?  In mijn ogen zijn dergelijke politici zonder meer medeplichtig aan wat ze zelf denken te moeten bestrijden. Zij zijn niet de oplossing, ze zijn deel van het probleem.

De opschuiving naar een gevaarlijk conservatisme is volop bezig, ook al omdat een aantal rechtse politici hun eigen overtuigingen uitvergroot terugvinden bij de ‘rechtsisten’: verheerlijking van volk, cultuur, natie en afschuw voor de Gutmenschen, de do gooders, de klimaatactivisten. Ze menen onze vrouwen (‘onze’?!) te moeten beschermen tegen het gevaar van de Islam, ze prediken dat de échte Westerse normen en waarden weer hersteld moeten worden. In het Nederlandse Steenbergen werd in 2015 een uiteenzetting van een vrouw over vluchtelingen onderbroken door mannen (die ongetwijfeld ‘hun’ vrouwen wilden beschermen) die luidkeels brulden ‘Daar moet een piemel in’. Met dergelijke beschermers hebben vrouwen geen vijanden meer nodig. Ga wat rondneuzen op het net, zoals de Swaan doet, en je ontdekt snel dat hun ideale wereld Gilead is, uit The Handmaid’s Tale.
Opvallend: dergelijke ultrarechtse groepen verwerven macht, omdat zij inderdaad groep vormen en doelbewust zitjes zoeken in beslissingsorganen (tot in de raad van bestuur van mijn eigen universiteit toe). Willen we hen van antwoord dienen, dan zullen wij ons opnieuw bewust moeten worden van het feit dat we als individu niks kunnen, dat we onze meningsverschillen opzij moeten schuiven en als groep een stem verheffen tegen wat een échte bedreiging van onze vrijheid is.… Lees verder

Ingrid Robeyns

Ingrid Robeyns

Rijkdom.
Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?

Er zijn zo van die essays die op het juiste moment komen. De gevolgen van de coronacrisis zullen vooral economisch en sociaal zijn. De schattingen over het op komst zijnde aantal werklozen gaan van hoog tot zeer hoog. Regeringen hebben ontzettend veel geld uitgegeven om noden te verhelpen, waarbij sommige landen letterlijk de prijs moesten betalen voor kortzichtige besparingen uit het verleden. De hamvraag luidt: wie gaat dat betalen?

Hoogleraar Ingrid Robeyns bestudeert al jarenlang rijkdom, wat op zich al uitzonderlijk is. Haar ideeën verschenen vorig jaar in een essay, gepubliceerd in de reeks ‘Nieuw Licht’. Onderzoek naar armoede (hoe definieer je dat, wat zijn de gevolgen, wat kunnen we eraan doen) gebeurt al geruime tijd, met bijvoorbeeld een begrip als ‘armoedegrens’ als resultaat. Maar wat zou een rijkdomgrens kunnen zijn, en welke gevolgen treffen we aan voorbij die grens? In haar aanvangshoofdstuk gaat Robeyns niet te rade bij Marx of Piketty, maar wel bij de filosoof waar ik zelf de voorbije jaren systematisch naar terugkeer: Aristoteles. Ik was onmiddellijk gecharmeerd.

Een stelling, eigenlijk een vaststelling van Aristoteles die we zo snel mogelijk weer ter harte moeten nemen, is dat elke menselijke handeling inherent ethisch is, en dus aan een oordeel kan en moet onderworpen worden. Het idee dat bedrijfskunde en management enkel rationeel te werk gaan, is niet alleen een misvatting, het is bovendien een (morele!) rechtvaardiging voor gedrag dat vaak immoreel is. Een tweede Aristotelische stelling leert dat kiezen voor het juiste midden de basis legt voor een goed leven, het doel van elke mens. Het bestuur van de polis (de stadstaat) moet zich daarop richten, met onder meer economie als middel, nooit als doel.
Met Aristoteles als ruggensteun schuift Robeyns de resultaten van haar onderzoek in verband met rijkdom naar voor, en die zijn niet van de minste. Kort samengevat: extreme rijkdom ondermijnt de democratie, is niet verenigbaar met ecologische noodwendigheden, is bijna altijd onverdiend en schaadt de belangen van iedereen, superrijken incluis. Merk op dat ze geen pleidooi houdt voor gelijkheid en niet tegen rijkdom op zich is. In haar boek geeft ze voldoende argumenten waarom sommige mensen meer moeten verdienen dan anderen. Het gaat hem over de extreme verschillen en de gevolgen daarvan.
Bij elk van haar provocerende bevindingen wijst ze ook oplossingsrichtingen aan. In de slotparagrafen van het essay komt ze tot de globale oplossing: rechtvaardige belastingen. Concreet houdt dit een uitdrukkelijke accentverschuiving in van belasting op arbeid (belastingen die verhoudingsgewijs het minst opleveren) naar een progressieve belasting op vermogens, met een maximaal tarief tussen zeventig en tachtig procent. Als je weet dat vermogens nu nauwelijks belast worden (ondanks het geweeklaag van economisch aangestuurde politici), en veel belastingen vooral lineair zijn (btw-tarieven zijn voor rijk en arm exact dezelfde), zie je de radicaliteit én de noodzakelijkheid van deze oplossing.
Nog een stap verder is de dringende noodzaak om internationale afspraken te maken ten einde belastingen te kunnen heffen op bedrijfswinsten van multinationals. Zij betalen nu nauwelijks en vaak zelfs geen (u leest goed) belastingen maar genieten wel ten volle van met belastinggeld betaalde voordelen (wie heeft er de luchthavens gefinancierd waar Ryanair misbruik van maakt?). Nu beconcurreren landen elkaar om bedrijven nog méér voordelen toe te kennen (‘fiscale rulings’) wat in de praktijk neerkomt op het legaal maken van belastingontduiking. Nederland geniet in Europa de bedenkelijke reputatie een belastingparadijs te zijn, België weigert haar fiscale afspraken met multinationals bekend te maken. De verklaring daarvoor komt al vroeger in het essay aan bod: extreme ongelijkheid is zeer slecht voor de democratie.

Dergelijke ingrijpende veranderingen kunnen alleen maar als ze gedragen worden door een zo breed mogelijke groep in de samenleving. Misschien wordt de coronacrisis een wake up call, en komen er democratische ingrepen in die richting. Misschien ook niet. In dat geval ziet het er niet goed uit, want dan zal de ongelijkheid blijven toenemen, tot de bom barst. Letterlijk.

 

Ingrid Robeyns (2019)
Rijkdom. Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?
Amsterdam: Prometheus, Nieuw Licht, 98 pagina’s.
ISBN 978 90 446 3975 9

 

Paolo Giordano

Paolo Giordano

In tijden van besmetting.

 

Herinner je je nog de wondermooie debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen, geschreven door de toen piepjonge Paolo Giordano? Als je dat boek de moeite vond, dan dit ook. En als je dat boek niet kent, ook dan is de kans groot dat je dit de moeite waard zult vinden.Als Italiaan heeft Giordano COVID-19 vanop de eerste rij moeten meemaken, iets wat ons bespaard is gebleven. En wat doet een schrijver dan? Juist, hij gaat schrijven. Dit essay (het is géén roman) toont hoe hij greep probeert te krijgen op het ongrijpbare, waarbij hij als wiskundige terugvalt op de zekerheid van de getallen, wat hij met de poëzie van een literator verwoordt (je wenst je kinderen zo’n wiskundeleraar toe). ‘Want wiskunde is niet zozeer de wetenschap van getallen, maar de wetenschap van relaties.’ Hij beschrijft de mathematica van de besmetting zo mooi dat je bijna zou vergeten dat het over pure tragiek gaat.

Zijn analyse brengt hem tot een vaststelling die we allemaal dringend ernstig moeten nemen: wij zijn een gemeenschap. De voorbije decennia waren we dat vergeten (‘There is no such a thing as a society’, hield Thatcher ons voor), maar CoV-2 brengt ons terug bij de les. Het is tijd dat we ons opnieuw gedragen naar die vaststelling in plaats van anderen de loef te willen afsteken door snel snel als eerste een vaccin te ontwikkelen en vervolgens duur te verkopen. Dat we eens grondig nadenken over de oorzaken van COVID-19, die dezelfde zijn als van SARS, MERS en HIV. En van het verdwijnen van oeroude olijfbomen in Italië door parasiet Xylella fastidiosa. Vluchtelingen houden we tegen aan de grenzen, virussen geven we de vrije baan en brengen we zelfs binnen (‘Virussen houden van vakantie’).
Anders gaan leven zullen we sowieso moeten doen; anders betekent niet minder van hetzelfde, niet hetzelfde voor minder mensen, wel ànders. Zijn slotzin geef ik graag mee:

‘Om deze tijd beter te gebruiken, hem te benutten om te bedenken wat we in normale omstandigheden niet kunnen bedenken: hoe we hier gekomen zijn, hoe we de draad weer op willen pakken. De dagen tellen. Opdat wijsheid ons hart vervult. Niet toestaan dat al dit lijden voor niets is geweest.’

 

 

Paolo Giordano (2020)
In tijden van besmetting.
Amsterdam: De Bezige Bij, 80 pagina’s.
ISBN 978 94 031 9830 9

 

Coen Simon

Coen Simon

Pleidooi tegen enthousiasme.

 

Een tijd terug publiceerde filosoof Ignaas Devisch een pleidooi tegen (een verkeerd gebruik van) empathie. Coen Simon houdt nu een even terecht pleidooi tegen enthousiasme. De opgefokte versies daarvan hebben we samen met obesitas overgenomen van de V.S., denk aan het ‘pitchen’ van ideeën en de hijgerige ‘dialogen’ in talkshows (het woord alleen al). Enthousiasme is meer genietbaar dan postmodern cynisme, maar als remedie daartegen is het even erg als de kwaal. In beide gevallen is waarheid de klos. Bij het postmodernisme omdat het bestaan ervan betwijfeld wordt; in het geval van enthousiasme omdat het kritisch nadenken wegvalt.

Sedert de ‘post’ bewegingen (postmodernisme, poststructuralisme, post…) is het bon ton te stellen dat juiste kennis niet bestaat, dat alles neerkomt op een constructie (wie mocht denken dat dit nieuw is, hij of zij wendde zich tot de sofisten ten tijde van Socrates.) Samen met het wegvallen van de onderstuttende Grote Verhalen veroorzaakt het postmodernisme veel onzekerheid en een zoektocht naar De Waarheid. Die vervolgens met het nodige enthousiasme verkocht wordt. Dat laatste mag je letterlijk begrijpen, want in onze vermarkte samenleving moet alles renderen. De gevolgen worden zichtbaar in een aantal nieuwe uitdrukkingen: post truth, fake science, influencers, redpillling, alternative facts; kortom, in het getrumpetter van onze tijd.

Voor Coen Simon leven wij niet zozeer in het ‘post truth’ tijdperk, wel in een periode van postautoriteit – daar ben ik het volledig mee eens. Geen waarheid zonder gezag waarin men vertrouwen heeft (gezag berust altijd op geloof, dat wist Pascal al, en in 1954 legde Hannah Arendt dat nog eens haarfijn uit). Wij hebben het geloof in het patriarchale gezag bij het groot huisvuil gezet (gelukkig maar), in de plaats daarvan kunnen we best een keuze maken voor de autoriteit van wetenschap en ethiek. Daar wringt het schoentje: wetenschappers vertrekken bij twijfel, mensen willen zekerheid.

Nou, die kunnen ze krijgen, in alle kleuren, geuren en smaken, en steeds enthousiast gebracht op dezelfde plaats: het internet, met twitter en YouTube op kop. Het is een bedenkelijke, zelfs gevaarlijke zekerheid. Simon verwijst naar een onderzoek van De Correspondent en de Volkskrant waaruit blijkt hoe en met welke snelheid YouTube vooral rechtse radicalisering in de hand werkt. Rechtse radicalisering staat voor vrouwenhaat, anti-LGTB, racisme, antisemitisme, klimaatontkenning, … De strategie heet ‘redpilling’ (naar ‘the red pil’ uit The Matrix) en gebeurt via filmpjes waarin charismatische leiders een complex betoog afsluiten met eenvoudige conclusies (negers zijn dommer dan blanken; feministes zijn gevaarlijk; mannen moeten weer de baas worden), wat ervoor zorgt dat iemand ‘geredpilled’ wordt en plots de ‘linkse leugens’ over feminisme, multiculturaliteit, migratie of het jodendom doorziet en eindelijk begrijpt waarom leiders zoals Trump, Bolsonaro, Orbán, Putin, … ons zullen redden (en we vluchtelingen maar beter laten verdrinken, kijk naar Geert Mak en huiver: https://www.vpro.nl/programmas/in-europa/kijk/afleveringen/2019-2020/vluchtelingen.html)

Voor wie dergelijke fenomenen als marginaal beschouwt, is dit onderzoek een ijskoude douche. Het aantal volgers is enorm en de tijdspanne waarin zij radicaliseren is benauwelijk kort; het onderzoek zoemt in op een aantal (Nederlandse) gebruikers en toont hoe snel ‘redpilling’ plaatsgrijpt. Het risico op rechts terrorisme is ondertussen vele malen groter dan gelijk welke andere vorm van terreur. Voor het onderzoek, ga naar

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2019/hoe-youtube-rechtse-radicalisering-in-de-hand-werkt/

en

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/2019/radicalisering-youtube/

Als remedies overloopt Simon kunst, nieuws en wetenschap. Sedert fotoshopping is beeldmateriaal notoir onbetrouwbaar geworden. Kunst krijgt een nieuwe functie: in plaats van te focussen op waarheid – de ‘krietiese’ kunst van de seventies – kan ze ons helpen door bijvoorbeeld te laten zien hoe wij kijken. Nepnieuws moeten we niet alleen te lijf gaan met ‘fact checking’, maar wel met meer geld voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Voor gezagsvolle wetenschap verwijst Simon naar Popper, maar die is, wat mij betreft, achterhaald. Met zijn aanpak (falsificatie) blijf je uiteindelijk over met een grote berg Niets. Poppers verwittiging tegen De Ideale Samenleving op grond van wetenschap vind ik dan wel terecht. Een maatschappij baseer je in eerste instantie op ethische keuzes, waar je vervolgens wetenschap bij betrekt. Maar dan moet je dat wel doen, en daarbij is consensus tussen wetenschappers voor mij een meer dan afdoende argument om iets als een (weliswaar altijd voorlopige) waarheid aan te nemen (zie ook https://boekenblog.paulverhaeghe.com/cailin-oconnor-james-owen-weatherall/)

 

Coen Simon beschrijft zijn, beschrijft onze zoektocht naar houvast, nadat we God en klein pierke op de vrije markt gegooid hebben. Een zoektocht die best gebaseerd wordt op geduld en redelijkheid, met de nodige argwaan tegenover geestdrift. Een plotse omslag naar drift is gauw gemaakt, terwijl verandering stapsgewijs en dus traag verloopt. Hij mondt mooi uit bij Hannah Arendt die een pleidooi hield voor ‘[…] een nauwelijks te vatten, maar fundamenteel vertrouwen in het menselijke in alle mensen’.

 

Ik beken: ik heb het boekje met stijgend enthousiasme gelezen.

 

Coen Simon (2020)
Pleidooi tegen enthousiasme.
Amsterdam: De Bezige Bij, 94 pagina’s.
ISBN 978 94 031 8420 3

Nathalie Heinich

Nathalie Heinich
Wat onze identiteit niet is.

Een boek bespreken gewijd aan een onderwerp waar je zelf jaren geleden over gepubliceerd hebt (Identiteit verscheen in 2012) is een heikele zaak. Onvermijdelijk ga je vergelijkingen maken, genre ‘Dat schreef ik toen al’ en ‘Hier mist de auteur een mooie kans om…’ Het besef dat elk boek, dus ook de mijne, een origineel plagiaat is gebaseerd op andere auteurs, helpt tegen een steeds sluimerend narcisme.

Cultuursociologe Nathalie Heinich heeft een duidelijk doel: het verhelderen van het begrip identiteit, dat in se onduidelijk is en daarom zo makkelijk politiek misbruikt kan worden. Verheldering brengt ze door in zeven korte hoofdstukken uiteen te zetten wat identiteit niet is.

Het is geen links (identiteit van minderheidsgroepen) of rechts (dé nationale identiteit) begrip. ‘Ruitenwissersdenken’, zo beschrijft ze het misbruik dat sommige politici maken van het identiteitsbegrip (met accent op ruitenwissers, veel denken komt er niet aan te pas).

Het is geen objectief, vaststaand gegeven (de ‘essentalistische’ benadering) maar ook geen illusie (de postmoderne visie). Niet vaststaand, omdat identiteit gebaseerd is op verhalen, voortdurend verschuift en bovendien meervoudig is. Geen illusie, omdat ‘geconstrueerd’ geen synoniem is aan verzonnen of onecht. Een nationale identiteit is een gemeenschappelijke mentale voorstelling met reële, consistente effecten, gaande van taal tot voedingsgewoonten. Dat een dergelijke voorstelling samen met haar effecten historisch evolueert, maakt een dergelijke identiteit nog belangrijker, want daarmee staat ze open voor manipulatie. Een binaire visie (of feitelijk, of illusoir) op identiteit is te naïef (een binaire visie is altijd naïef).

Identiteit blijft niet beperkt tot een nationale identiteit (laat staan tot een regionale). Wat nationalisten nauwelijks beseffen is dat ‘hun’ identiteit niet ouder is dan de negentiende eeuw. Eigenlijk beseffen ze dat wel, want net daarom probeert elke nationalistische beweging haar oorsprong in een zo ver mogelijk maar altijd roemrijk verleden te leggen. Voor Nederland: de Bataven; voor België: Julius Caesar, met zijn opmerking in de openingsparagraaf van De Bello Gallico (‘Gallia est omnis divisa in partes tres, (…) Horum omnium fortissimi sunt Belgae’). Waarbij de Belgen altijd het vervolg van de zin vergeten: ‘Van al dezen zijn de Belgen de dappersten, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en fijnere beschaving van de provincia, naar hen slechts weinig kooplui reizen en zo door hun invoer (van artikelen) aanzetten tot verzwakte geesten.’

Identiteit valt niet te reduceren tot assimilatie of differentiatie, want ze is zowel individueel (ipse, ikzelf en dus verschillend van anderen) als groepsgebonden (idem, dus gelijk aan anderen).

Identiteit is niet twee-, laat staan eendimensionaal. Het meervoudige karakter (geslacht, familie, leeftijd, taal, religie, …) verklaart de evoluerende aard ervan (dochter/vrouw/moeder; jongere/senior; single/getrouwd, …). Vooral het binaire model is bedrieglijk. Het idee dat we een persoonlijke identiteit bezitten, nààst een sociale, ligt aan de basis van een hardnekkige illusie: dat individuen onafhankelijk van een maatschappij kunnen bestaan, met zelfs een tegenstelling tussen individu en samenleving. Elke identiteit is nauw verweven met de ander, en bij uitbreiding, met het maatschappelijke. Zelfs als ik wil ontsnappen aan de mij toegeschreven identiteiten (‘man’, ‘hoogleraar’, …), is mijn identiteit ten volle betrokken in een maatschappelijke wisselwerking. Zelfperceptie gaat altijd terug op perceptie van anderen, ook wanneer je deze afwijst.

In het laatste hoofdstuk lezen we op de eerste pagina wat identiteit wél is: ‘De uitkomst van het geheel van procédés waarmee een predicaat aan een object wordt toegekend.’ De sleutelwoorden van de definitie – uitkomst, geheel, procédés, predicaat, toegekend, object – licht ze toe in de vijf volgende pagina’s. Daarna kan de lezer eindelijk voor de spiegel gaan staan (‘Wie ben ik?’).

Kort, krachtig, genuanceerd, zo kan ik dit boek het best omschrijven. En stukken beter dan bijvoorbeeld Finkelkraut (Ongelukkige identiteit) of Fukuyama (Identity).

 

Nathalie Heinich (2019)
Wat onze identiteit niet is.
Amsterdam: Prometheus, 141 pagina’s.
ISBN 978 90 446 4173 8

 

 

 

 

Bas van Bavel

Bas van Bavel
De onzichtbare hand.
Hoe markteconomieën opkomen en neergaan.

 

Een van de betere manieren om te beseffen hoe wij, als individu maar ook als maatschappij, dezelfde processen herhalen, is een grondige studie van het verleden. Welke toekomst wacht onze door een vrijemarkteconomie gedomineerde samenleving? Dit boek (oorspronkelijk gepubliceerd in het Engels, door de prestigieuze Oxford University Press) zou wel eens een klassieker kunnen worden. Als historicus biedt van Bavel op grond van degelijk studiewerk een andere blik op de evolutie van marktsamenlevingen in het algemeen en op de onze in het bijzonder.

Inderdaad, marktsamenlevingen, in het meervoud. Dat is al een eerste originele bevinding waarmee dit boek ingaat tegen de dominante opvatting die het vrijemarktkapitalisme als een recent fenomeen van de industriële revolutie beschouwt. Klassiek wordt het ontstaan ervan gesitueerd begin negentiende eeuw, met een forse opgang in de twintigste. In de tweede helft van de vorige eeuw komt er een onwrikbaar geloof in de vrije markt, als bron van vooruitgang, vrijheid en democratie, op de koop toe gebaseerd op een zelfregulerend mechanisme, sedert Adam Smith bekend als ‘de onzichtbare hand’. Tot vandaag de dag gebruiken neoliberale politici dat verondersteld zelfregulerend mechanisme als argument om overheidsinterventies zoveel mogelijk af te schaffen.

De laatste decennia komt dit geloof in het gedrang door de opeenvolgende economische crisissen. De verklaring voor de crisissen kan twee richtingen uitgaan. Volgens de gelovigen zijn zij slechts tijdelijke rimpelingen die vanzelf zullen verdwijnen op voorwaarde dat we nog méér vrije markt installeren. Volgens de ketters zijn de crisissen het startpunt van het onvermijdelijke einde dat ingebakken ligt in het systeem, en moeten we het roer radicaal omgooien. Beide opvattingen gaan uit van een lineaire visie op de geschiedenis, de ene opwaarts, de andere bergaf, beiden even onafwendbaar.

Van Bavel toont aan dat marktsamenlevingen al veel langer bestaan dan de negentiende eeuw, en bovendien dat ze een cyclisch verloop kennen, van opgang, bloei, stagnering tot ondergang. Het cyclische verloop is meteen zijn tweede originele bijdrage tot de studie van het verband tussen economie, markt en maatschappij.

In een eerste hoofdstuk beschrijft de auteur de klassieke opvatting samen met zijn eigen stellingen. Daarbij is het onderscheid tussen ‘productmarkten’ (de alledaagse invulling van markt) en de pas later in de geschiedenis ontstane ‘factormarkten’ van belang. Op factormarkten worden de productiefactoren verhandeld, met name de middelen om goederen en diensten te produceren, zoals grond, arbeid en kapitaal. In traditionele samenlevingen blijven grond en kapitaal in de schoot van een familie of een organisatie, waarbinnen ook het leeuwenaandeel van de arbeid gebeurt. In doorgedreven marktsamenlevingen worden ze verhandeld. Belangrijk om weten is dat de regelgeving bij de handel in grond, arbeid en kapitaal een veel grotere impact op de samenleving heeft dan deze bij productmarkten. Afhankelijk van de aard en omvang van de regelgeving kan de impact van factormarkten zeer verschillend zijn. Bij wijze van voorbeeld: hoeveel interest is er toegelaten? Wat zijn de fiscale maatregelen? Welke tijdslimieten worden er opgelegd bij verkoop (tegenwoordig koopt en verkoopt men aandelen binnen de tijd van één seconde). Wijzigingen in dergelijke regelgevingen hebben een enorme invloed op de accumulatie van geld en bijgevolg op de maatschappij.

Dit wordt ten overvloede geïllustreerd in de daarop volgende hoofdstukken. Van Bavel toont aan dat marktecononomieën reeds lang voor het industriële tijdperk bestonden en dat we over voldoende data beschikken om ze aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen: het Irak van de achtste tot de dertiende eeuw, de Noord-Italiaanse stadstaten vlak voor en tijdens de Renaissance, de Lage Landen van de late middeleeuwen tot en met de Gouden Eeuw. Vervolgens vergelijkt hij deze vroege vormen van markteconomie met meer hedendaagse (Engeland in de periode 1500-1800, gevolgd door de VS 1800-1850 en ten slotte Noordwest-Europa vanaf 1950) met als doel na te gaan of hij ook daar gelijkaardige cylische bewegingen kan aantreffen.

De belangrijkste conclusie van dit boek zal ongetwijfeld bekend worden als ‘de cyclus van van Bavel’. Hij herkent in de door hem beschreven markteconomieën een telkens terugkerend verloop, van aanvankelijk positief, gevolgd door stagnatie en uiteindelijk negatief, waarna de cyclus zich herhaalt (zij het meestal elders). Het vernieuwende zit hem in de gedetailleerde analyse van het verloop, in de vaststelling dat dit reeds meerdere malen in de geschiedenis opgetreden is, en – natuurlijk – in de herkenbaarheid voor wat vandaag de dag bij ons bezig is.

De korte samenvatting van de cyclus geef ik graag weer in de bewoording van de auteur zelf: “(…) de oorspronkelijk zo positieve terugkoppelingscyclus van toenemende vrijheid, groeiende factormarkten en economische groei slaat om in een negatieve cyclus van toenemende maatschappelijke polarisatie, een toenemende verstoring van het marktevenwicht ten gunste van de belangen van de marktelites, en stagnatie van de economie, uiteindelijk gevolgd door relatieve of absolute achteruitgang.” (p.371). Een langere beschrijving geef ik in de volgende paragrafen.

De aanvangsperiode is uitdrukkelijk positief. Een feodaal tijdperk leidt tot maatschappelijke revolte, gevolgd door een samenleving met een hoge graad van zelforganisatie van gewone mensen. Dat leidt tot grotere vrijheid en grotere activiteit, met meer producten en dus ook meer handel. Voor van Bavel verklaart dit de positieve visie van Adam Smith in The Wealth of Nations (1776), want de studie van Smith betreft de ‘gunstige fase van de Engelse cyclus’. De markt zoals wij die kennen, vindt in die periode haar ontstaan, wat op zijn beurt de basis vormt voor de ontwikkeling van factormarkten. Het is deze positieve aanvangsperiode  die tot vandaag de dag gebruikt worden om ‘de’ vrijemarktsamenleving te verdedigen, waarbij er geen rekening gehouden wordt met de verdere evolutie. Na de mooie aanvangsfaze volgt er helaas een negatieve evolutie die men probeert op te lossen met nog meer vrije markt, in de illusie dat deze zichzelf zal corrigeren. Voorbij een bepaald punt verdwijnen de zelfcorrigerende mechanismen en gaat het steeds sneller de verkeerde richting uit. De oorzaak ligt in een uiterst belangrijke accentverschuiving: van productiemarkten naar factormarkten en dan vooral naar kapitaalmarkten. Kapitaal is niet langer een middel, maar wordt een doel.

De oorspronkelijke bedoeling van kapitaalmarkten (denk aan de eerste ‘beurs’) was het faciliteren van ondernemingen en dus van de productie en handel (kapitaal als middel).… Lees verder

Didier Eribon

Didier Eribon

Terugkeer naar Reims.

Op mijn twaalfde – we schrijven 1967 – moest ik als oudste zoon van een ongeletterde familie dik tegen mijn zin op kostschool. Ongeweten en ongewild was ik een onderdeel van de toenmalige sociale mobiliteit die West-Europa zou veranderen. Kinderen werden getest op hun schoolse intelligentie, waarna hun ouders advies kregen welke opleiding aansloot bij de mogelijkheden van hun spruit (bij mij werd dat Grieks-Latijnse). In terugblik besef ik dat de school waar ik naartoe gestuurd werd, vooral kinderen rekruteerde uit de lagere middenklasse: zonen van bakkers, beenhouwers, automechaniekers, schoenlappers. Een groep die elkaar herkende en die van huize uit de ambitie met de paplepel meegekregen had. Er waren ook een handvol boerenzonen en een nog kleiner aantal jongens uit het arbeidersmilieu. Na zes jaar bleven enkel de kinderen uit de middenklasse over, de anderen hadden onderweg afgehaakt. Wij gingen door, het merendeel deed universitaire studies, twee ervan werden zelfs hoogleraar. Het resultaat was dat ik mij als jongvolwassene nergens nog thuis voelde – mijn familie voelde niet meer als thuis, en de intellectuele kringen waarin ik mij bewoog, evenmin. Ik herinner mij nog het ongemakkelijk gevoel na mijn doctoraatsverdediging toen de aristocratische voorzitter van de jury een praatje ging maken met mijn ouders – zij spraken nauwelijks Nederlands. Nu, meer dan dertig jaar later, voel ik mij beschaamd over de schaamte die ik toen voelde. De juiste emotie zou dankbaarheid geweest zijn.

Het boek van Didier Eribon is een meesterwerk (en dus leest het niet altijd even makkelijk), zowel literair als inhoudelijk. Het biedt een terugblik op zijn geschiedenis en die van zijn oorspronkelijke sociale klasse. Als bonus krijg je een verklaring voor het huidige succes van het hedendaags nationaalsocialisme. Geboren in 1953 als zoon van arbeiders in Reims is hij een van de weinigen die, dankzij onderwijs én een paar mensen die in hem geloofden, uit die klasse is kunnen wegstappen. Weglopen is een betere omschrijving, want op jonge leeftijd breekt hij met zijn familie, hoofdzakelijk omwille van zijn homoseksuele geaardheid. Hij zal pas dertig jaar later, na de dood van zijn vader, terugkeren en vooral, terugblikken.

Door de lectuur van dit boek heb ik voor het eerst doorvoeld begrepen op welke sluipende manier uitsluitingsmechanismen werken en onder andere als gevolg hebben dat slechts weinig arbeiderskinderen hoger onderwijs volgen – ze haken ‘spontaan’ af. Ik herinner mij een medeleerling uit mijn eerste jaar Grieks-Latijnse, zoon van landarbeiders en duidelijk heel erg intelligent. Na de zomervakantie was hij verdwenen. Op mijn achttiende deed ik een vakantiejob in een fabriek en ontmoette hem opnieuw – hij had geen enkele studie afgewerkt en stond al twee jaar aan de lopende band. Ik begreep niet, echt niet, hoe dat kon. Nu begrijp ik het wel.

Beide ouders van Eribon combineerden twee jobs – de vader een in de fabriek en een daarbuiten, de moeder in de fabriek met het huishouden daar bovenop. Hard werken belette niet dat ze voortdurend vernederd en gebrutaliseerd werden, zeker de moeder – een halve eeuw voor #MeToo was seksueel misbruik schering en inslag. Ze stemden communist, zoals alle Franse arbeiders tot diep in de jaren zestig, niet omdat ze overtuigd communist waren, wel als protest tegen het onrecht dat ze dagelijks moesten ondergaan.

De tragiek wil dat een onzichtbaar sociaal reproductiesysteem hun kinderen in hetzelfde gareel dwong. Het onderwijs weerde hen – ook vandaag de dag zijn er nog leerkrachten én scholen die kinderen uit de lagere sociale klasse het ‘advies’ geven om toch maar beroepsonderwijs te volgen. In het gunstige geval waar leerkrachten en scholen emanciperend te werk willen gaan, botsen ze op weerstand bij de kinderen (en hun ouders), die aan zelfselectie doen. De mogelijkheid om onderwijs te kunnen volgen, berust niet alleen op de intelligentie van het kind, maar ook en zelfs vooral op de steun bij en aandacht voor onderwijs in het thuismilieu, en op de sociale vaardigheden en omgangsvormen die het kind met zijn opvoeding meekrijgt. Dat alles maakt dat het zich ‘thuis’ voelt tussen de andere leerlingen. Of niet, waarna er in veel gevallen zelfeliminatie volgt. De kleren die je draagt, de taal die je gebruikt, de onderwerpen waarover je praat, de kennis die je van thuis meebrengt: als die niet sporen met de groep, dan lig je eruit; of hou je de eer aan jezelf en stap je er zelf uit.

Zijn homoseksuele geaardheid maakte Eribon tot een buitenbeentje in zijn eigen sociale klasse – homo zijn in Frankrijk in het algemeen en in het arbeidersmilieu van de jaren zestig in het bijzonder, je wil het niet meemaken. Op school was het zijn sociale klasse die hem tot outcast maakte.  Ik beeld mij in dat hij zich in de klas net iets minder vreemd voelde dan thuis, daardoor tegen alle verwachtingen in toch zijn diploma behaalde en naar Parijs kon vertrekken. Net zoals vele jongvolwassen homo’s begint hij in de grootstad een nieuw leven. Zijn intelligentie wordt opgemerkt en snel verwerft hij een plaats als journalist. Nog later studeert hij filosofie en sociologie en wordt hij een gevierd academicus.

Jarenlang blijft hij ervan overtuigd dat hij als kind verworpen werd omwille van zijn homoseksualiteit, en dat het hem een half leven gekost heeft om zich van die opgelegde inferieure positie los te maken. Op zijn zestigste beseft hij dat dit maar de helft van het verhaal is, misschien zelfs de minst belangrijke helft. Als zoon van niet-geschoolde arbeiders heeft hij zich even hard moeten bevrijden van de hem opgelegde identiteit onderaan de ladder. Naar buiten treden als homo in Parijs zal ongetwijfeld aangevoeld hebben als een bevrijding. De andere kant van wie hij is, blijft hij dertig jaar angstvallig verbergen. Voorbij de leeftijd van vijftig komt hij tot de pijnlijke vaststelling dat zijn vrienden en collega’s nauwelijks iets weten over zijn afkomst, omdat hij zijn eigen verhaal zorgvuldig verzwegen heeft op grond van diepe schaamte. Het schrijven van dit boek is een andere vorm van ‘uit de kast komen’.

Dertig jaar nadat hij zijn familie ontvlucht is, zoekt hij hen terug op.… Lees verder

Géraldine Schwarz

 

Géraldine Schwarz

De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme.

 

Na de lectuur van de twee vorige boeken (Van Duppen en Hoebeke; Bregman) komt het werk van Géraldine Schwarz toch wel als een koude douche. Slechts weinig mensen deugen in tijden van beproeving, mensen kunnen supersamenwerkers worden voor heel verkeerde dingen, en vooral: mensen zijn o zo beïnvloedbaar. Op grond vaneen persoonlijk motief – Schwarz is de dochter van een Duitse vader en een Franse moeder, beiden kort na WO II geboren – onderzoekt zij hoe haar Duitse en Franse familie, en ruimer, hoe Duitsland en Frankrijk, Italië en Oostenrijk hun oorlogsgeschiedenis verwerkt hebben. Bij de vertaling van het boek heeft de schrijfster een hoofdstuk over Nederland toegevoegd – haar zus was ondertussen getrouwd met een Nederlandse man, waardoor de familie Duits-Frans-Nederlands werd.

Het korte antwoord op de vraag naar de verwerking van de oorlogsgeschiedenis luidt:  veel te weinig en veel te laat. Het langere antwoord toont op welke manier en in welke mate zowel gewone mensen als overheidsinstanties (ja, ook in Frankrijk, en verrassend genoeg, zelfs in Nederland waar procentueel het hoogst aantal Joodse slachtoffers viel) meegewerkt hebben met de Nazi’s, en hoe ze dit decennia lang ontkend hebben.

Het is een bittere pil om slikken: mensen zoals u en ik zijn in staat een gruwelijk beleid toe te laten, er zelfs actief aan mee te werken, en gaan dat nadien ontkennen of vergoelijken. Schwarz toont minutieus aan hoe het gif van volksmenners vanaf de jaren dertig geleidelijk de geesten overnam, door aanvallen op de vrije pers (‘Lugenpresse’), op de universiteiten en op rechters. Hoe de nazi’s doelbewust uittestten hoe ver ze konden gaan (het begon met het uitmoorden van gehandicapten, gecamoufleerd als ‘genadedood’, het eindigde met de holocaust en het afslachten van een burgerbevolking in Rusland).  Pers, universiteiten en rechters waren onderweg al monddood gemaakt (vaak ook gewoon dood).

De schrijfster neemt uitdrukkelijk een ethisch standpunt in dat we al bij Sophocles’ “Antigone” vinden (Antigone begroef haar broer ondanks een wettelijk verbod): er is een hogere wet die de wet van de ‘polis’ of de staat overstijgt, zeker als beleidsvoerders wetten herschrijven waardoor misdaden gelegaliseerd worden. Weigeren mee te werken aan een dergelijk beleid is het minimum minimorum, actieve burgerlijke ongehoorzaamheid is beter. Uit haar relaas blijkt bovendien dat dit zelden bestraft werd. Maar ook dat slechts een minderheid verzet aantekende, in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en Italië (Bulgarije was toonaangevend in de weigering Joodse burgers uit te leveren). De overgrote meerderheid werden simpelweg meelopers, die vaak al gehoorzaamden vooraleer er een duidelijk bevel geformuleerd werd en  hielpen op die manier mee aan de steeds groter wordende onmenselijkheid.

Tegenwoordig heeft ongeveer iedereen het geloof verloren in de traditionele politieke partijen. De verklaring daarvoor is makkelijk te formuleren: de voorbije regeringen doen niet langer aan politiek in functie van hun kiezers, ze voeren een economisch beleid in functie van een kleine minderheid. Het gevolg is dat steeds meer mensen sympathie krijgen voor ultrarechtse, nationalistische partijen die een andere, meer ‘nationaal-socialistische’ aanpak beloven, zij het zonder het gebruik van die vlag en al helemaal zonder sociaal te zijn. Ik kan alleen maar hopen dat veel mensen dit boek zullen lezen, want naast het geloof in ‘de’ politiek zijn we ook ons geheugen verloren. Dit boek is een meer dan noodzakelijke wake up call.

Hieronder geef ik een aantal citaten uit ‘De geheugenlozen’. De vergelijking met het heden laat ik aan de intelligentie van de lezer over.

“(…) en toen de bezittende klasse doorkreeg dat Hitler de sociale orde niet omver zou werpen, steunde ze hem zonder aarzelen. Wat toegang tot (hoger) onderwijs betreft ondernam het regime niets om de sociale reproductie te doorbreken, en in de bedrijven bevoorrechtte het de werkgevers ten nadele van de werknemers: cao-regelingen, contractvrijheid en stakingsrecht werden afgeschaft, terwijl de vakbonden kapotgemaakt, hun bezittingen in beslag genomen en hun leiders gevangengenomen werden, (…) .” (Pp. 113-114).

“Door de filter van de nationaalsocialistische censuur was de kwaliteit van de cultuurprogramma’s aanzienlijk achteruitgaan, maar ter compensatie bood de staat een grote waaier ontspanningsactiviteiten aan (….). Het streefdoel was allerminst sociaal, maar ideologisch: de ban met de Volksgemeinschaft en daarmee ook met de Führer en de staat versterken.” (Pp. 115-116).

“Hitler had de Frauenemanzipation, die volgens hem ‘slechts een door het joodse intellect uitgevonden woord’ was, de oorlog verklaard.” (p.121).

“Meer in het algemeen voelde de conservatieve en hoogopgeleide elite zich aangesproken door de antisocialistische en antidemocratische toon van de Führer (…).” (p.123).

“Er is in ons leven een grens voorbij welke we niet meer mogen meedoen (…) dat is de basis van iedere ethiek en ieder recht.” (p.149).

“De Duitse president (Richard von Weisacker) eindigde zijn toespraak (in 1985) met: ‘we leren uit onze eigen geschiedenis waartoe de mens in staat is. Daarom moeten we ons niet inbeelden dat we als mens nu anders en beter zouden zijn geworden.'” (p.251).

“Door te geloven dat toegeven bij kleine dingen geen gevolgen heeft. Uiteindelijk wordt het een opeenstapeling, kleinigheid op kleinigheid, compromis op compromis. Je komt op een kruising tussen goed en kwaad te staan. Je aanvaardt, je aanvaardt. Je wijkt voor jezelf. Je vergeet de mens die je bent geweest, de mens die je zou moeten zijn. Je houdt jezelf voor een toeschouwer te zijn, terwijl je allang hoofdrolspeler bent. En als vanzelf aanvaard je het onherstelbare.” (p.282).

“Ik (Chris Dutilh, vrijwilliger bij het Nederlandse Verzetsmuseum) probeer jongeren bij te brengen dat je altijd de keuze hebt om verzet te plegen en niet te zwichten, maar dat dat moed vergt en een morele ethiek, en ik spoor hen aan die ethiek nu al te ontwikkelen door met anderen van gedachten te wisselen en boeken te lezen.” (Pp. 401-402).

“(…) Thierry Baudet (voor de Vlaamse lezer: denk aan Theo Francken cum suis) maakt gebruik van de klassieke retoriek van de populisten van vroeger en vandaag: hij zwaait met de dreiging van de ondergang van het land, jut de kiezers op tegen de journalisten, de academici, de traditionele politici, de Europese Unie en de klassieke zondebokken: de immigranten.… Lees verder

Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke
Rutger Bregman

 

 Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke

De supersamenwerker

 

Rutger Bregman

De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens.

Korte dagen, lange avonden, dus tijd voor een luie stoel onder de leeslamp, een glas wijn en een feel good-boek. Ik heb er twee en bespreek ze samen, eenvoudigweg omdat ze bij elkaar horen. Ze behandelen hetzelfde onderwerp (de wetenschappelijke onderbouwing van solidariteit en empathie) vanuit een verschillende invalshoek (natuurwetenschappelijk; menswetenschappelijk), ze hebben hetzelfde doel (het naar voren schuiven van een correcter mensbeeld), ze komen tot gelijkaardige conclusies, zij het met verschillende accenten (politiek-maatschappelijk; ontologisch-beschouwend).  Kortom, ze vullen elkaar mooi aan.

Beide werken zijn geschreven vanuit een persoonlijke missie. Dirk Van Duppen behoort tot de linkse PVDA en werkt sinds jaar en dag als arts bij Geneeskunde voor het Volk, zie https://www.humo.be/humo-archief/405975/dirk-van-duppen-het-grote-afscheidsinterview-voor-farmabedrijven-is-een-levensjaar-50-000-euro-waard; biochemicus Johan Hoebeke is eveneens lid van de PVDA en gewezen onderzoeksleider aan het Centre National de Recherche Scientifique (Frankrijk). Rutger Bregman is de zoon van een dominee en kreeg zowel kritisch nadenken als predikantschap met de paplepel mee. Beide boeken illustreren hoe wetenschap nooit neutraal kan zijn (maar wel objectief moet blijven). Alleen al de keuze van het onderwerp en de bijbehorende onderzoeksvragen hebben een sturend effect. Mensen uit neoliberale thinktanks zullen solidariteit nooit op hun onderzoeksagenda plaatsen, zij focussen op concurrentie.

De supersamenwerker dateert van 2016 en kreeg aanvankelijk weinig aandacht. Marxisme en ultralinks zitten tegenwoordig in het verdomhoekje. Ondertussen is er een vierde druk. De meeste mensen deugen werd reeds voor de publicatie de hemel in geprezen en kende binnen de kortste keren meerdere herdrukken. Beide boeken krijgen aanbevelingen van een rij prestigieuze professoren, met als opvallend verschil dat er bij De supersamenwerker zes tot de top behoren van de natuurwetenschappen. Het cliché dat natuurwetenschappers ‘rechts’ zouden zijn, vindt hier alvast geen bevestiging.

Ook een ander cliché gaat voor de bijl. In het Westen zijn wij er al eeuwenlang van overtuigd dat de mens (vooral de andere mens) door en door slecht is, en dat vanaf de geboorte; zonder strenge opvoeding en centraal gezag komt er ‘oorlog van allen tegen allen’ (Hobbes). In de vorige eeuw werd dat nog eens wetenschappelijk bevestigd ook, denk maar aan Milgram (de beul in ons) en Dawkins (Het zelfzuchtige gen). Confess, confess! Na het lezen van deze boeken kijk je op een andere manier in de spiegel: je ziet een in se zachtaardig wezen dat zich vooral goed voelt bij geven en krijgen en pas gewelddadig wordt na serieuze aanporring. Research van pakweg de laatste vijftien jaar weerlegt tweeduizend jaar zelfhaat en ontmaskert en passant heel wat slecht onderzoek.

De supersamenwerker bestaat uit twee delen, een wetenschappelijk-onderzoeksmatig en een historisch-wetenschappelijk. Het eerste deel bundelt research uit onder andere neurowetenschappen, experimentele evolutionaire psychologie en paleoantropologie. Het tweede deel bespreekt de geschiedenis van de manier waarop we naar onszelf kijken. Het gemeenschappelijke onderwerp van het geheel betreft intermenselijke verhoudingen, met accent op samenwerking.

‘Waarom wij samenwerken’, het eerste deel, is een bijzonder geslaagde weergave van heel veel recent onderzoek. Er is een uitvoerig notenapparaat waar een kritische lezer de bronnen kan natrekken (die zijn erg overtuigend). Wie een voorkeur heeft voor natuurwetenschappen komt ruim aan zijn trekken in de hoofdstukken over neurologie en evolutieleer, waaruit blijkt dat anderen helpen, empathie en altruïsme in onze biologische make-up ingebakken liggen. De ontdekkingen van de voorbije decennia zijn fascinerend, gaande van spiegelneuronen, oxytocine (het knuffelhormoon), over nervus vagus tot prosociaal gedrag bij kleuters –  veel te veel om hier op te sommen. Peuters vertonen spontaan help- en deelgedrag, maar wanneer ouders hen daarvoor belonen, doet dit het gedrag afnemen. Extrinsieke motivatie kan een intrinsieke motivatie om zeep helpen (bonussen, iemand?). Een andere, ondertussen dankzij Frans de Waal bekende vaststelling is dat alle sociale dieren zeer negatief reageren op oneerlijke verdelingen. De recente wereldwijde golf van straatprotesten tegen ongelijkheid toont hoe dit ook voor Homo sapiens geldt.

De mens heeft een goede inborst, maar wat dan met onze negatieve kanten? De omgeving selecteert overwegend voor alles wat samenwerking inhoudt, maar kan ook het zelfzuchtige in het individu bevorderen. Blijkbaar werkt zoiets zelfbestendigend, want hoe meer iemand bezit, hoe minder hij wil delen. Zelfs in het verkeer zijn er opvallende verschillen: chauffeurs van dure auto’s houden zich minder aan de regels en vertonen meer asociaal gedrag dan mensen met een gewone wagen. Wie nu mocht denken dat dergelijke chauffeurs andere genen hebben – de alfa male! –  vergist zich: plaats iemand langere tijd in een positie van machtshebber en hij of zij zal dit soort gedrag vertonen (meteen een belangrijk argument om niemand al te lang in zo’n positie te houden). Ons gedrag wordt bepaald door de combinatie sociale positie & omgeving.

Een reëel risico voor goed samenleven is de vaststelling dat wij van kindsbeen af een voorkeur hebben voor onze ‘ingroup’, en afstand houden van de ‘outgroup’. Risico, omdat dit de deur wagenwijd openzet voor manipulatie en conflicten op groepsniveau, tot (burger)oorlog toe. Tonnen sociaalpsychologisch onderzoek tonen hoe makkelijk wij te manipuleren zijn. Opvallend: groepsvorming gebeurt niet op grond van aangeboren kenmerken (het volstaat een groep in twee helften te verdelen en elke groep een t-shirt aan te trekken met een verschillend kleur), en groepsvorming gaat niet automatisch een vijandige richting uit (maar kan makkelijk in die richting geduwd worden). De politieke implicaties van dergelijke vaststellingen liggen voor de hand. Hebben we verbindende of mensen-tegen-elkaar-opzettende politici? Ruimer: hoe kunnen we een samenleving organiseren die het beste in ons naar boven haalt? Dit kan een nieuwe betekenis geven aan het woord ‘excelleren’ dat tegenwoordig te pas en vooral te onpas gebruikt wordt: excelleren in samenleven, in plaats van excelleren ten koste van de ander.

Het tweede deel, ‘De geschiedenis van het denken over samenwerking’ blijft voor een flink stuk putten uit de natuurwetenschappen, met een accent op genetica, evolutietheorie en zelfs op wat we weten over het ontstaan van het leven op zich. In dit deel tonen de auteurs aan hoe wetenschappelijke gegevens misbruikt kunnen worden om onethische praktijken te rechtvaardigen door hen te voorzien van een pseudowetenschappelijke onderbouw.… Lees verder

Frans de Waal

Frans de Waal

Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.

Biologie heb ik pas in mijn eerste jaar universiteit ontdekt, toen ik onderwijs kreeg van wijlen professor Hublé (https://www.ugentmemorie.be/personen/huble-jan-1923-2009). Zijn colleges waren een verademing tussen de toenmalige gortdroge psychologie- en pedagogiekvakken. Na mijn studies woonde ik vijftien jaar op een boerderijtje waar mijn kinderen opgroeiden tussen andere dieren – biologie-in-de-praktijk dus. Ik kijk nog altijd met plezier terug op mijn geitenwollensokkenperiode.

Frans de Waal is een even begenadigde verteller als Hublé en een wetenschapper om u tegen te zeggen. Met zijn onderzoek heeft hij niet alleen onze blik op dieren grondig gewijzigd, hij verplicht ons ook tot een grondige herziening van ons zelfbeeld. In zijn boeken veegt hij de vloer aan met twee misvattingen: dat dieren gevoelloze wezens zouden zijn én dat de mens rationeel functioneert. Alle dieren hebben emoties en bij het Homo sapiens-dier is rationaliteit slechts een dunne korst boven een kolkende binnenkant, gaande van angst en haat tot geilheid en liefde. Sterker nog: rationele kennis heeft alleen maar impact als ze emotioneel onderbouwd is.

Nu we toch bezig zijn, kunnen we nog een derde miskleun uit de wereld helpen: de illusie van het autonome BV-Ik, geruggesteund door een psychologie die nog altijd niet door heeft dat mensen tot de sociale diersoorten behoren. Onze gedragingen en gedachten hebben slechts een betekenis en een functie in verhouding tot anderen, desnoods een denkbeeldige ander. Psychologie is altijd sociale psychologie.

Overigens vormde de ontkenning dat dieren emoties vertonen geen enkel beletsel om tot een paar decennia terug chimpansees als oorlogszuchtige monsters te beschrijven – de ‘killer ape’ – én bovendien meteen de parallel te trekken met de mens. Wij hebben al eeuwenlang een uiterst negatief zelfbeeld – zondig, wellustig, moorddadig – wat ‘wetenschappelijk’ onderbouwd werd door onze slechte inborst te verklaren met een verwijzing naar ‘het beest’ in de mens.

Dergelijke vooroordelen zijn door en door fout. de Waal beschrijft hoe sociale dieren bijna het volledige gamma van emoties vertonen, zowel helpende als egoïstische, zowel liefdevolle als agressieve. Lachen en fronsen, empathie en sympathie, maar ook schaamte en schuldgevoel, machtswellust en wraak komen in afzonderlijke hoofdstukken aan bod, vol prachtige verhalen met voor dierenliefhebbers zeer herkenbare beelden. Het openingshoofdstuk (waar de titel van het boek naar verwijst) is ontroerend mooi: een oude man neemt afscheid van een stervende oude vrouw – ontroerend, ook al omdat het de stervende vrouw is die de man geruststelt.

De vrouw is een chimpansee, de man een hoogleraar biologie, je kan het hier bekijken (en meteen hoor je ook de Waal):

https://www.youtube.com/watch?v=1wEl8gNxWuk

Het laatste stuk van de titel ‘en wat ze zeggen over onszelf’ verwijst naar de kernboodschap van dit boek. Wij zijn zo behept met wie we denken te zijn dat we zelfs in dieren een bevestiging proberen te vinden van eigen angsten en verlangens. Wie een pessimistisch mensbeeld heeft, herkent een nauwe verwantschap tussen Homo sapiens en agressieve chimpansees. Optimisten herkennen zichzelf liever in de bonobo’s, met wie we genetisch even nauw verwant zijn, waar vrouwen de groep leiden en alle conflicten een oplossing vinden in seks (allen daarheen!). Zoals altijd is de waarheid een stuk complexer. Wat de Waal beschrijft, is dat sociale diersoorten zowel liefdevol als agressief uit de hoek kunnen komen, dat ze helpen maar ook pesten, dat ze troosten maar ook kwetsen. Het boek bulkt van de anekdotes, telkens als illustratie van degelijk onderzoek. Ter illustratie:

  • Feel good-experiment: een rat ontdekt een andere rat in een afgesloten bokaal, bevrijdt die spontaan en toont pas daarna belangstelling voor een tweede bokaal met daarin haar lievelingsvoedsel. Het wordt nog straffer. Wanneer dezelfde rat psychofarmaca (genre prozac) toegediend krijgt, toont ze geen belangstelling meer voor haar gevangen soortgenoot en gaat ze uitsluitend voor de chocoladechips! Ik vermoed dat bepaalde politici antidepressiva slikken, afgaande op hun weigering om mensen te helpen en hun voorkeur voor eigen-snoep-eerst.
  • Maffiosi: in Bali hebben Java-apen geleerd toeristen te bestelen en het gestolen goed (meestal een smartphone) pas terug te geven in ruil voor minstens een volledige zak pinda’s.
  • Pestkoppen: jonge chimpansees die zich (in gevangenschap) te pletter vervelen, lokken kippen met broodkruimels tot vlak bij de afsluiting en geven ze dan een mep met een stok.
  • Vakbondsleden: mensapen die ervoor zorgen dat hun ‘collega’s’ dezelfde beloning krijgen voor hetzelfde ‘werk’ als zijzelf.

Het besluit van het boek is hoopvol: ondanks een aantal ‘kleinmenselijke’ neigingen zijn de meeste primaten vooral gericht op samenwerking, en niet op zelfzuchtigheid (het volgende boek dat ik bespreek, draagt als titel De supersamenwerker).

Tot slot: verrassend genoeg maakt de Waal bij dieren hetzelfde onderscheid tussen emoties en gevoelens als ik in Intimiteit deed bij mensen. Emoties (in mijn jargon: ‘affecten’) zijn lichamelijke processen die grotendeels buiten ons bewustzijn om verlopen. Ze staan los van taal maar hebben een hoge communicatieve functie. Sociale dieren reageren veel sneller op iemands emoties dan op wat iemand zegt of doet, wat betekent dat ze zeer belangrijk zijn voor de manier waarop we keuzes maken. Wanneer we emoties niet bewust ervaren, zullen onze keuzes nauwelijks echte keuzes zijn. In het geval we onze en/of andermans emoties bewust (h)erkennen, worden het gevoelens, met als gevolg dat er meer keuzevrijheid komt. Op de allerlaatste bladzijde formuleert hij dezelfde conclusie als deze van Intimiteit: bewustwording van affecten zou wel eens de beste manier kunnen zijn om ermee om te gaan. Zeg dat de Waal het (ook) gezegd heeft.

Frans de Waal (2019)
Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.
Uitgeverij Atlas Contact, 366 pagina’s.
ISBN 978 90 450 3429 4

Jelmer Mommers

Jelmer Mommers
Hoe gaan we dit uitleggen? 
Onze toekomst op een steeds warmere aarde.

Jelmer Mommers behoort tot een ras waar ik van hou: de gedreven onderzoeksjournalisten die zich vastbijten in een onderwerp en daar vervolgens een toegankelijk én genuanceerd verhaal over neerpennen.

Waarom ik zijn boek zo goed vind? Omdat het een antwoord biedt op een van de meest ondraaglijke gevoelens die ik ken: machteloosheid. De berichten over de klimaatverandering zijn ondertussen zo onheilspellend dat ontkennen alleen nog weggelegd is voor idioten en politici in dienst van economische molochs. Terzelfdertijd voelen we ons machteloos, zeker als we moeten vaststellen dat de Belgische overheid doet alsof er geen vuiltje aan de lucht is, en op het politieke toneel narcisten zoals een Trump en een Johnson het mooie (?) weer maken. Daar sta je dan, met de fiets in de hand en je boodschappentas vol lokaal geteelde groenten en fruit – als het een bakfiets is, loop je in Vlaanderen nog het risico voor ‘elitair’ uitgescholden te worden ook.
Machteloosheid ervaren we wanneer we passief moeten toekijken op dingen die een ernstige bedreiging inhouden – terzijde: dit is een klassieker bij het ontstaan van een traumatische stressstoornis. De beste verdediging is een switch naar een actieve houding. Je zal je stukken beter voelen, en dat is nog meer het geval wanneer je dat samen met anderen doet. Dit boek kan daarbij helpen. Eens je het uit hebt, ben je overtuigd van twee zaken. Eén: de klimaatverandering is een nog grotere bedreiging dan je al vermoedde. Twee: er is een uitweg, op grond van collectieve en individuele inspanningen waar je zelf toe kunt bijdragen.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel vertelt de auteur waarom de klimaatverandering inderdaad een bedreiging is, en dit op grond van vijf jaar studiewerk. Vrolijk word je er niet van. In zijn woorden: ‘Het eerlijke verhaal is dat we ongelofelijk diep in de shit zitten.’
De titel van deel twee luidt: ‘Waar gaat het heen?’ Het korte antwoord luidt ofwel naar ‘muren’ (Fort Europa met onze versie van Trumps muur erom heen), ofwel naar ‘bossen’. Het eerste scenario komt neer op een wanhopig proberen vast te houden aan wat toch onherroepelijk verdwijnt; het tweede houdt een evolutie in naar een andere maatschappij.
Het goede nieuws is dat het tweede scenario, waarin we een keuze maken voor een omslag op vlak van energie, landbouw en economie, een realistisch scenario is, zelfs met onze hedendaagse technische mogelijkheden (dat laatste wist ik niet). Een dergelijke omslag impliceert zowel actief ondernemende burgers als een sturende overheid die samen hetzelfde doel nastreven.
Veel lezers knikken nu begrijpend maar denken hoofdschuddend dat een dergelijke omslag er toch niet komt. Daarmee illustreren ze wat Molmers als het allerbelangrijkste obstakel beschouwt: ons o zo negatief zelf- en wereldbeeld. De overtuiging dat alle mensen egoïsten zijn met een ingebakken afkeer voor samenwerking, dat iedereen slechts eigenbelang nastreeft, zit er zo diep ingehamerd dat we het als waarheid beschouwen en er ons ook naar gedragen. Meestal combineren we deze overtuiging met een tweede: dat de overheid en de industrie (‘het systeem’) alleen maar samengesteld zijn uit kwaadaardige sujetten die enkel hun aandelen, c.q. hun populariteit in het oog houden. Recente, wetenschappelijk onderbouwde boeken zoals De supersamenwerker geschreven door Dirk Van Duppen & Jan Hoebeke, en De meeste mensen deugen van  Rutger Bregman, tonen hoe het moreel goede en de wil tot samenwerken ook deel uitmaken van wie de mens is.

Daarmee belanden we bij het derde en belangrijkste deel van het boek,’Wat kunnen we doen?’ Het korte antwoord luidt: veel meer dan je denkt. Verrassend genoeg volgt er geen pleidooi voor ‘minder’ (wat meestal de algemene teneur is,  genre  ‘We zullen moeten inleveren’, ‘De omslag zal banen kosten’), wel een pleidooi voor anders en beter.
Een van zijn sterkste argumenten komt uit onverwachte hoek, met name uit economische studies. ‘De ene analyse na de andere laat zien dat een transformatie naar ware duurzaamheid een bron is van miljoenen nieuwe banen, lagere ziektekosten, minder klimaatschade en groeiende inkomens.’ Veel mensen zijn ervan overtuigd dat economie en geld over ‘alles’ beslissen. Als dat het geval is, dan is de toekomst van een duurzame economie verzekerd, en blijkbaar neemt dat besef toe (er zijn onder Trump al meer kolenmijnen gesloten dan onder Obama).
Toch gaat de verandering traag, en de belangrijkste verklaring vindt Molmers bij overheden die onder invloed van lobbyisten uit de olie- en gassector een status quo willen behouden. Het doordrukken van de noodzakelijke veranderingen wordt ‘het gevecht van de eeuw’. ‘Gevecht’ roept betogingen op met straatrellen, maar Molmers benadrukt twee andere plaatsen: de rechtbank en de beurs.

Straatgevechten zijn spectaculair zichtbaar, juridische gevechten nauwelijks en dat is jammer, want de effecten van een juridische uitspraak hebben meer draagkracht. Burgers die een proces aanspannen tegen de overheid wegens ‘schuldig verzuim’ kunnen een overheid ertoe verplichten van koers te veranderen. Dergelijke processen lopen ondertusen in meer dan twintig landen. Zo werd Nederland in 2015 op grond van een juridisch vonnis verplicht de uitstoot van broeikasgassen met 20% te doen dalen tegen 2020; de Nederlandse staat ging in beroep, in 2018 werd het proces overgedaan en was de veroordeling zo mogelijk nog strenger! De kans dat we hetzelfde in België meemaken, is reëel, zoals hoogleraar milieukunde Pieter Leroy voorspelt  in DS d.d. 19 oktober, zie https://www.standaard.be/cnt/dmf20191018_04670928?articlehash=D8ACF3FB3BC6E0F0F0A3E397F18F0085B2579F7B99EB418DA53BBCBBEF3140995B42E69BEEB0E35B268E585F9078BA6C581EDED8A31535376F79FC80860BF193. Vergelijkbare processen lopen ondertussen tegen multinationals, net zoals indertijd tegen de tabaksindustrie. Op grond van eigen onderzoek was Shell eind vorige eeuw al op de hoogte van de klimaatverandering. Exxon ook en startte vervolgens een campagne om dit verborgen houden. De kans dat zij straks veroordeeld worden, is alles behalve denkbeeldig.

Terzijde even een politicologische noot: de impact van juridische uitspraken die ingaan tegen een (steeds tijdelijk aan de macht zijnde) regering illustreert hoe belangrijk de scheiding der machten is (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Trias_politica). We hebben een van de regering onafhankelijke rechtspraak nodig, om de waan van de dag te onderwerpen aan de ‘checks and balances’ van de hoogste gerechtsorganen.… Lees verder

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall
The misinformation age. How false beliefs spread.

 

Ik had mezelf voorgenomen enkel Nederlandstalige boeken te bespreken, maar voor dit werk moet ik wel een uitzondering maken. Wat deze twee Amerikaanse onderzoekers vertellen, is ontzettend belangrijk voor onze tijd. Ze behandelen twee onderwerpen: foutieve wetenschappelijke informatie (‘fake science’) en de verspreiding daarvan. De kans dat het boek vertaald wordt is klein, daarom licht ik de inhoud grondiger toe, met accent op de ‘misinformation’ en minder op de ‘spreading’. Kort over dat laatste: de auteurs gebruiken computermodellen om te onderzoeken hoe wetenschappelijk verkeerde informatie zelfs bij wetenschappers ingang vindt.

Hun eerste onderwerp – desinformatie – is in deze Donald Trump- en Boris Johnsontijden cruciaal. Aan de hand van drie goed gedocumenteerde voorbeelden tonen de auteurs aan op welke manier correcte informatie uit de natuurwetenschappen in het recente verleden verdacht werd gemaakt en hoe politiek-economische groepen het grote publiek op een misdadige manier hebben misleid of probeerden te misleiden, puur uit commerciële overwegingen.

Het eerste voorbeeld (het effect van roken op de gezondheid) is overbekend, onder andere dankzij de uitstekende documentaire ‘Merchants of doubt’ (‘verkopers van twijfel’, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Merchants_of_Doubt).  De twee andere zijn ondertussen bijna vergeten: CFK’s en hun effect op de ozonlaag; zure regen en de aantasting van bossen.

De manier waarop de Amerikaanse tabakslobby gedurende een halve eeuw doelbewust de dodelijke effecten van nicotine verborgen hield, is een schoolvoorbeeld van ronduit misdadige ‘fake science’. De tabaksgiganten kenden het verband tusen kanker en roken vanaf 1953, waarop ze een systematische strategie ontwikkelden om bona fide onderzoeksresultaten te betwisten. Hun tactiek was simpel: de beste manier om wetenschap te bevechten is door er nog meer wetenschap tegenaan te gooien. In een memo van de tabaksindustrie kan je het volgende lezen: ‘Ons product is het zaaien van twijfel, want dat is de beste manier om de overtuiging van het publiek aan het wankelen te brengen.’ In de praktijk gaven ze tonnen geld uit aan ‘wetenschappelijk’ onderzoek, waaruit – o verrassing ! – telkens opnieuw bleek dat er geen harde bewijzen waren voor bijvoorbeeld het verslavend effect van nicotine of voor het verband tussen roken en longkanker. Onafhankelijke onderzoekers die het tegenovergestelde bewezen op grond van échte research, werden systematisch aangevallen door bijvoorbeeld zwakkere punten in hun resultaten massaal uit te vergroten, en vervolgens hun volledig onderzoek in twijfel te trekken. De tabakslobby speelde ook op de man: intieme zaken uit het privé-leven van onderzoekers kwamen ‘toevallig’ in de pers. Daarnaast werden psychologische labo’s rijkelijk betaald om strategieën te ontwikkelen ter bevordering van het roken, door bijvoorbeeld een sigaret te associëren met gewenste gendermodellen (de Marlboro man; de vrijgevochten vrouw) en door politieke ideeën te misbruiken, genre: “Het is uw vrijheid om te beslissen te roken, laat u dat niet afnemen! Een overheid die afradingscampagnes organiseert, is betuttelend en dus een slechte overheid!”

In 2000 keerde het tij. Dankzij klokkenluiders uit de tabaksindustrie en volhardende wetenschappers werden vijf Amerikaanse tabaksproducenten veroordeeld tot gigantische boetes. Tijdens het proces kwamen hun kwalijke praktijken aan het licht, de publieke opinie heeft zich ondertussen grotendeels tegen hen gekeerd en het aantal rokers blijft dalen. Toch blijft het pijnlijk om te moeten vaststellen hoe sommige politici en zelfs wetenschappers zich lieten omkopen, en hoe economische giganten met volle kennis van zaken een bevolking een dodelijk product bleven aansmeren.

De tweede casus betreft chloorfluorkoolstofverbindingen, bekend als ‘CFK’s’. Zij dienden onder andere als drijfgas voor spuitbussen en koelvloeistoffen in koelkasten. Inderdaad: dienden, ondertussen behoort dit tot het verleden. De manier waarop het verbod op CFK’s tot stand kwam, leest als een wetenschappelijke detectiveroman. Vanaf 1975 kwamen er onheilspellende berichten over de ozonlaag – een onderdeel van de atmosfeer rond de aarde die letterlijk van levensbelang is omdat ze de schadelijke zonnestralen tegenhoudt. Boven Antarctica hadden wetenschappers een reusachtig ‘gat’ in die laag ontdekt, met als gevolg een wereldwijd gezondheidsrisico. Hun onderzoek werd evenwel niet bevestigd door andere metingen uitgevoerd met een satelliet, met als gevolg een controverse in de onderzoekswereld.

Vervolgens zien we natuurwetenschap aan het werk zoals het hoort: nog andere onderzoekers gingen met de data aan de slag, nieuwe metingen werden uitgevoerd, de discussie greep plaats in wetenschappelijke tijdschriften en congressen. Uiteindelijk komen de wetenschappers tot een grote consensus: er is inderdaad een gat, en – nog belangrijker – de oorzaak ligt ten volle bij menselijke activiteit, met name bij het gebruik van CFK’s. Dergelijke gassen stijgen op tot in de atmosfeer en breken daar de beschermende ozonlaag af. De overheid werd gealarmeerd door de American Academy for Sciences, met als gevolg in 1979 een volledig verbod op het gebruik van CFK’s in de VS. Tien jaar later volgde de rest van de wereld, met dank aan de Verenigde Naties.

Wat we hier zien is een politieke besluitvorming in functie van het algemeen belang, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waarover een grote eensgezindheid bestaat. Vanuit de industrie werden er uitdrukkelijk pogingen ondernomen om dit te boycotten met gelijkaardige argumenten als de tabakslobby: ‘Sommige wetenschappers komen tot andere bevindingen’, ‘De resultaten zijn niet honderd procent zeker’, ‘Er zullen veel banen verloren gaan’, ‘Het is financieel niet haalbaar’. Gelukkig waren er verantwoordelijke regeringen aan de macht die een keuze maakten voor het welzijn van hun bevolking.

De derde casus, zure regen,  is gelijkaardig en toch weer niet, want in dit geval koos de Amerikaanse regering de kant van de ‘vrijemarkt’-economie, tegen het belang van haar kiezers in. Voor wie het zich niet meer herinnert of het zelfs nooit geweten heeft, een korte samenvatting. In het laatste kwartaal van de vorige eeuw werd wereldwijd vastgesteld dat bossen steeds meer dode bomen telden. De oorzaak was aanvankelijk onduidelijk. Wetenschappers gingen aan de slag, en eind jaren zeventig kwam er een definitieve wetenschappelijke uitspraak: de bomen sterven door zure regen, wat een gevolg is van de uitstoot van industrie en huishoudens. Gezien het belang van bossen zijn maatregelen meer dan nodig, dat was de alweer ruim onderbouwde wetenschappelijk conclusie.

In dit geval nam Europa het voortouw, en de EU legde vrij snel ingrijpende beschermende maatregelen op.… Lees verder

Bert van den Bergh

Bert van den Bergh

De schaduw van de zwarte hond. Depressie als symptoom van onze tijd.

Wie wil begrijpen wat een depressie is en welke overduidelijke verbanden er bestaan met ons tijdperk waarin we zowel het gelukkigst als het depressiefst zijn, die vindt in dit boek goed onderbouwde antwoorden. Als bonus krijg je een degelijk zicht op de geschiedenis van de psychiatrie. Ik vond het boek meer dan de moeite waard en schreef er een inleiding voor. Die vind je hier:

AFSTEMMING EN RITME

Dit boek is zo rijk dat ik het knap lastig vind om een voorwoord te schrijven dat de rijkdom tot zijn recht laat komen. De schaduw van de zwarte hond is een van die zeldzame werken waar het historische, het existentiële en het persoonlijke samenkomen op een manier waardoor ze elkaar wederzijds versterken. Het zal wel geen toeval zijn dat ‘afstemming’ een sleutelbegrip in het boek is, resonantie, overigens samen met ritme.

Geschiedenis weerklinkt in de manier waarop wij over onszelf denken, zij het tegenwoordig met veel valse klanken en een abominabel ritme, waardoor de afstemming in en met onszelf en onze omgeving grondig verstoord is. Hoe ontstemd ons zelfbeeld wel klinkt, blijkt uit de gangbare manier waarmee we aankijken tegen eigen leed.

Depressie wordt gereduceerd tot een chemisch onevenwicht in onze hersenen ten gevolge van nog nader te ontdekken biologische oorzaken. Nederland heeft zelfs een heuse Hersenstichting, met campagnes waar je nog in 2017 het volgende kon lezen: ‘Een op de vier mensen heeft een hersenaandoening. Zo lijden ruim 500.000 Nederlanders aan een depressie.’ Dergelijke onzin zet vandaag de dag de toon, omdat de officiële psychiatrie vooralsnog verkocht blijft aan de farmaceutische vetpotten. Voor alle duidelijkheid voeg ik er onmiddellijk aan toe dat de opvatting waarbij geestesziektes gereduceerd worden tot hersenaandoeningen veel ouder is, en de geschiedenis van de psychiatrie onder andere gelezen kan worden als een slingerbeweging tussen Psychiker en Somatiker.

Studie van deze geschiedenis houdt het ‘wij zijn ons brein’-tijdperk een ongemakkelijke waarheid voor: psychiatrie is vanaf haar aanvang een praktijk die door en door bepaald wordt door de idealen van de maatschappij waarin ze functioneert. Verandert de maatschappij, dan verandert het idee van normaliteit en dus meteen ook het idee van afwijking en het doel van de behandeling.

Het huidig psychiatrisch diagnostisch systeem – de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) – ligt volledig in deze lijn. Het doet zich voor als een op objectieve waarnemingen gebaseerde classificatie van mentale stoornissen, terwijl het vooral afwijkingen van het huidige maatschappelijk ideaal beschrijft. Een blik op een DSM-diagnose leert snel dat bijna elke diagnostische beschrijving drie lagen bevat: een psychologische, een sociale en een medische. Het psychologische aspect is de zichtbare buitenkant, met beschrijvingen zoals ‘lijkt vaak niet te luisteren’ of ‘affectief instabiel’. Ondanks de dominante aanwezigheid van sociale normering ligt de tweede laag meer verborgen, paradoxaal genoeg achter en in een van de meest gebruikte woordjes: het woord ‘te’ in alle denkbare varianten. Zo bevat de omschrijving van de borderline persoonlijkheidsstoornis een tiental te’s. Te veel kenmerk zus of te weinig gedrag zo. Te druk. Te weinig aandacht. Begrijp: te veel of te weinig in functie van een impliciet gehanteerde sociale norm. De derde laag, de medische, is het meest verborgen en vinden we in de inleiding van het handboek, zijnde de hoopvolle veronderstelling dat de beschreven stoornissen brain disorders zijn, ondanks het ontbreken van overtuigend wetenschappelijk bewijs.

De rationale van de DSM-diagnostiek laat zich dan als volgt samenvatten: op grond van biologische oorzaken komt een psychologisch of gedragsmatig kenmerk te veel of te weinig voor, afgemeten aan een normering die niet openlijk benoemd wordt als sociaal. Een dergelijke diagnostiek heeft dan ook een onmiskenbaar effect op het therapeutische doel. Het ‘te veel’ moet weg, en het ‘te weinig’ moet meer. Genezing betekent dat de patiënt opnieuw beantwoordt aan de sociale norm van de plaats en de tijd waarin hij leeft.

Als een behandeling een dergelijk doel dient, dan moeten we de achterliggende diagnostiek zorgvuldig bekijken. Nog concreter: wat is het bijbehorende mensbeeld waaraan dat ‘te veel’ of ‘te weinig’ wordt afgewogen? Sinds de millenniumwisseling zijn er heel wat auteurs geweest die dit mensbeeld elk op hun manier geëxpliciteerd hebben, met Trudy Dehue als pionier in Nederland. Andere auteurs leggen eigen accenten binnen een vergelijkbare redenering. Met dit boek maakt de lezer kennis met denkers die in het Nederlandse taalgebied meer bekendheid verdienen, bijvoorbeeld Dany-Robert Dufour, Alain Ehrenberg, Thomas Fuchs en Hartmut Rosa. Vanaf nu kunnen we daar ook Bert van den Bergh toe rekenen.

Het huidige mensbeeld waar wij aan moeten beantwoorden om als normaal bestempeld te worden, vat Van den Bergh samen als de homo oeconomicus-mobilis-libidinosus: de immer ondernemende, immer in beweging zijnde, immer genietende en succesvolle bv ik. Wie zich daarmee identificeert, is normaal, maar raakt binnen de kortste keren ontstemd en uit ritme. De auteur toont mooi aan dat de oorsprong van dit ideaal veel verder in de tijd teruggaat dan het huidige ultraliberalisme. De groep succesvolle gestoorden die zich overeind houdt met coke en rilatine/ritaline blijft grotendeels onzichtbaar. De mislukkelingen kunnen hun gevoel gefaald te hebben verbergen achter een ziektelabel.

Ondertussen heeft deze verplichte normaliteit haar limiet bereikt waardoor ze haar geloofwaardigheid kwijt is. Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld én tot de depressiefste, waarbij we de lemma’s ‘geluk’ en ‘depressie’ best ernstig in vraag kunnen stellen.

Een dergelijke invraagstelling is een taak die de psychiatrie om de zoveel tijd op zich neemt. Meestal in de marge van haar eigen bedrijf, maar soms uitdrukkelijk op het voorplan. Historisch beschouwd vindt de psychiatrie haar ontstaansgrond op het kruispunt van het medische, het morele en het juridische. Haar doel is om mensen die niet voldoen aan de psychosociale normen – en daardoor een bedreiging vormen voor zichzelf en voor de maatschappij – netjes op te bergen in aparte ziekenhuizen. Vanaf haar beginperiode zijn er in de psychiatrie figuren en zelfs bewegingen die de norm in vraag stellen, en al helemaal wanneer het aantal op te bergen mensen spectaculair toeneemt.… Lees verder

Liesbeth Woertman

Liesbeth Woertman

Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.

Liesbeth Woertman is een Nederlandse hoogleraar psychologie in wie ik veel van mezelf herken. De dominante opvatting aan de faculteiten psychologie – dat de mens een rationeel en autonoom ‘wij zijn ons brein’-wezen is – vindt ook zij, op zijn zachtst uitgedrukt, eenzijdig.  Ook zij is opgegroeid in een niet-academisch milieu, ook zij stond eerst in het werkveld (wel vroeger en langer) en heeft pas later een academische carrière uitgebouwd, met als resultaat een ruimere blik dan veel van haar (onze) collega’s. Ook zij heeft bijzonder veel aandacht voor de invloed van de beeldcultuur op onze identiteit.

Haar boek handelt over het effect van de ogen die we op ons voelen branden. Allemaal willen we beantwoorden aan het beeld dat de wereld van ons verwacht. Media en reclame tonen perfecte lichamen, met als gevolg dat we zelf nooit goed genoeg zijn. Ik voldoe niet, en – bij uitstek voor vrouwen – ik ben nooit mooi genoeg.

De vaststelling is niet nieuw, andere auteurs brengen dezelfde boodschap, maar de manier waarop Woertman haar blik neerpent maakt het boek bijzonder. De onderwerpen die je als lezer verwacht, komen inderdaad aan bod: nepborsten, angst om je lichaam bloot te geven in combinatie met de dwang om jezelf overal te moeten tonen, seks in het selfietijdperk, de toenemende sixpack- en zwemschoudersobsessie bij mannen, moeten vrijen als een pornoster (en dat eigenlijk niet willen), e tutti quanti.

Het bijzondere is dat je bij de lectuur van het boek de schrijfster zelf leert kennen, op grond van korte, biografische stukjes verweven met het hoofdverhaal dat daardoor diepgang krijgt. We lezen dat ze vanaf haar vijftiende werkte (schoenverkoopster, typiste), ondertussen avondschool deed, zwanger werd op haar zeventiende, veel later naar de universiteit stapte en op haar veertigste doctoreerde op het onderwerp lichaamsbeelden (toen al). Op haar vijfenvijftigste wordt ze hoogleraar psychologie tussen – naar ik vermoed – jonkies die Het Leven vooral kennen op grond van academisch onderzoek (‘Het is wetenschappelijk bewezen dat…’) Zij moet zich een nog vreemdere eend in de bijt gevoeld hebben dan ikzelf.

De wendingen in haar leven kwamen er niet vanzelf. Als ze schrijft dat we de ander nodig hebben om onszelf te kunnen zien en de nog niet ontwikkelde delen naar voren te laten komen, dan weet ze waarover ze het heeft. En vermoedelijk ook over wie. Gelukkige ontmoetingen met anderen kunnen het geloof in onszelf herstellen en ervoor zorgen dat we een nieuwe, betere richting uitgaan. Dan heb ik het uitdrukkelijk over échte ontmoetingen, waarbij je iemand hoort, ziet, ruikt, voelt, niet over digitale ersatz. Helaas is het omgekeerde evenzeer waar. Anderen kunnen ons onderuit halen, en merkwaardig genoeg gebeurt dat wel grotendeels via digitale ‘contacten’.

Los van de twee uitersten – een gelukkige of fnuikende ontmoeting op grond waarvan ons leven een andere wending kan nemen – is er de sluipende invloed van de beelden en woorden die ons omringen. Zonder dat we het beseffen meten we onszelf af aan de constant voorgehouden digitale beelden en bekijken we onszelf door de camera die we overal menen te voelen.

De blik van de digitale Ander op ons lijf is onverbiddelijk omdat die Ander zelf perfect is – uitdagende vormen, eeuwig jong, altijd sexy, overal succesvol. Mijn smalle schouders, licht bollende buik en dunne haren zijn maar niks in vergelijking daarmee. Met als gevolg dat we onszelf voortdurend bijwerken. Of bijgewerkt worden. Schoolfoto’s van kinderen op de basisschool worden standaard gefotoshopt ‘zodat iedereen een fris gezichtje heeft’. Tv-shows waarin een ‘make over’ gepromoot wordt halen hoge kijkcijfers. Jonge vrouwen pronken met onder hun kleding duidelijk zichtbare gezwollen tepels – gezwollen dankzij een injectie. Vrouwen van boven de dertig die niet meer topless durven zonnen, niet uit preutsheid, wel omdat ze ervan overtuigd zijn dat hun borsten niet langer voldoen. Een pas gevormd stel dat samenslapen (en vrijen) uitstelt omdat ze zich letterlijk niet durven blootgeven.

Het lichaam is een seksueel object, daar is niks verkeerd mee (een welgevormde kont mist ook op mij haar effect niet). Maar als ons lijf alleen maar een object-om-te-tonen wordt, dat bovendien altijd voor verbetering vatbaar blijft, dan hebben we een probleem (én slechte seks, én mislukte intimiteit). Ik hoor een vijfjarig meisje haar driejarig zusje uitleggen wat hangborsten zijn en hoe lelijk dat wel is. Woertman schrijft hoe een jongen van zeven niet naar school wil, omdat zijn gezichtje er niet uit ziet (hij heeft een buil en een schram). Een vrouw vol verdriet doet mij haar verhaal terwijl de tranen over een uitdrukkingsloos gezicht rollen – uitdrukkingsloos want opgespoten met botox.

Het is allemaal al wel eens gezegd en geschreven (het boek staat vol verwijzingen naar andere boeken en is in die zin op zich een mooie boekenblog), maar zelden zo dooraderd. Dat geldt nog meer voor het slot. In 2016 kreeg Woertman te horen dat ze huidkanker had, zes maand later kwam daar de diagnose baarmoederhalskanker bovenop. Operatie, chemo, bestralingen. Ziek worden van de behandeling tegen de ziekte. Ontdekken dat het nieuwe medische riedeltje ‘samen beslissen’ onzin is – er is nooit voldoende tijd en de aangereikte kennis is steeds statistisch. ‘Neus dicht en springen lijkt me dichter bij de waarheid’, schrijft ze.

Wat kanker en de behandeling ervan met een lichaam aanrichten en dus met de verhouding tot jezelf en anderen, doet alle bekommernissen over te dunne lippen, ongelijke borsten, bierbuikjes en zwembandjes in het niets verdwijnen. Diepe angst en pijn zetten je helemaal in je blootje. ‘Je wordt ontmaskerd en staat met lege handen.’

En ja, dan hebben we anderen nodig, échte anderen die ons écht zien. Graag zien.

Liesbeth Woertman (2019)
Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.
Utrecht, Uitgeverij Ten Have. 174 pagina’s.
ISBN 978 90 259 0688 7

 

Rosanne Hertzberger // Thomas Oudman & Theunis Piersma

Rosanne Hertzberger

Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.

Uit de titel blijkt de overtuiging van de auteur: wetenschap wordt zwaar overschat – toch wel een verrassende stelling uit de mond van een microbiologe. Als voorbeeld neemt ze de hype rond meditatie, naar mijn aanvoelen een wat makkelijke schietschijf. Ze maakt terecht brandhout van de wetenschappelijke ‘bewijzen’ voor iets wat in veel gevallen afgegleden is naar een louter commerciële praktijk die mijlenver verwijderd staat van de oorspronkelijke boeddhistische filosofie. Jammer dat ze geen vragen stelt over een werkzaamheid die er wel degelijk is en vermoedelijk nauwelijks met meditatie op zich te maken heeft. Placebo rangschikken onder bedrog, zoals zij terloops doet, is veel te kort door de bocht en maakt dat een echt interessante vraag niet aan bod komt: hoe komt het dat mensen in staat zijn zichzelf reëel te beïnvloeden door geloof te hechten aan bepaalde verwachtingen?

In het laatste stuk van het essay heeft ze het over wetenschap-als-bedrijf (mijn benaming) die in de haast om te scoren slechte wetenschap produceert. Minder dan de helft van onderzoek in de menswetenschappen is repliceerbaar. Dat wil zeggen: als wetenschappers een onderzoek van iemand anders op dezelfde manier overdoen, verkrijgen ze niet hetzelfde resultaat. Menswetenschappen, o ja, denkt de lezer. Maar hetzelfde geldt voor één op de drie medische studies inzake kanker. Dat is even slikken.

Wat Hertzberger beschrijft, is pijnlijk juist, net zoals de verklaringen die ze geeft, met als belangrijkste de wijze waarop onderzoeksgelden toegekend worden. Op grond van die bevindingen gaat ze vervolgens opnieuw veel te kort door de bocht. Haar stelling dat wetenschap vaak nauwelijks van religie verschilt, is simpelweg fout. Er zou moeten staan: slechte wetenschap verschilt nauwelijks van kortzichtig marktdenken of van institutionele religie. In mijn ervaring zijn sommige atheïstische wetenschappers diepgelovige mensen voor wie hun versie van wetenschap (meestal een hedendaagse variant van logisch-positivisme) alleenzaligmakend is (wie hen niet volgt, is onwetend of achterlijk). Het lijkt erop dat dit soort wetenschappers voor Hertzberger samenvalt met ‘de’ wetenschapper. Nee hoor, er zijn gelukkig ook andere, lees het boek van Oudman en Piersma dat ik doelbewust hierna bespreek.

Rosanne Hertzberger (2019)
Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.
Amsterdam, Prometheus, Nieuw licht. 89 pagina’s.

 

 

Thomas Oudman & Theunis Piersma

De ontsnapping van de natuur. Een nieuwe kijk op kennis.

Als ik met Ludo Couvreur, mijn geliefkoosde dialoogpartner, over dit boek spreek, hebben we het over ‘de poep van de kanoet’, want dat bekt zo mooi. Kanoeten zijn trekvogels waar de twee auteurs (een doctoraatsstudent biologie en zijn hoogleraar) zich over buigen, en ja, vooral over hun poep. De kanoeten leveren de rode draad voor een mooi onderbouwd pleidooi voor wetenschap zoals ze ooit bedoeld was: om vragen te stellen en vervolgens op basis van geijkte methodes proberen steeds voorlopige antwoorden te vinden. Beide auteurs hebben het schijt (de poep) aan uitspraken die je vandaag overal hoort: “Het is wetenschappelijk bewezen dat…” (in mijn vakgebied: “Het is evidence-based dat…”). Waarna er geen vragen meer kunnen of mogen gesteld worden.

In tegenstelling tot Hertzberger (Het grote niets) kiezen zij geen makkelijke schietschijf, maar gaan ze meteen voor de gouden graal van de wetenschap, met name de evolutietheorie. Op grond van overtuigende argumenten tonen ze aan dat de gangbare manier waarop we deze theorie begrijpen en helaas ook toepassen, veel te eng is en niet meer strookt met de laatste onderzoeksresultaten. Ze houden een fantastisch pleidooi voor verwondering, voor het opnieuw stellen van vragen, voor het toegeven dat we het (zelfs recent nog) verkeerd voor hadden – en dat allemaal in wat voor mij het belangrijkste wetenschapsgebied is, de biologie (het belangrijkste omdat zij het leven zelf bestudeert).

Hun twee onderling gekoppelde bevindingen luiden kort samengevat als volgt: de grenzen tussen organisme en omgeving zijn volstrekt onduidelijk, er is een voortdurende wederzijdse beïnvloeding. Bovendien is het onderscheid tussen genetisch bepaalde en verworven kenmerken (nature versus nurture) volledig achterhaald. (Ik vraag mij al geruime tijd af waarom wij zo vaak aan of/of denken doen, terwijl de praktijk uitwijst dat elke veronderstelde tweeledigheid één geheel vormt.)

De gangbare visie op erfelijkheid luidt ruw geschetst als volgt. Het bouwplan van het menselijk lichaam ligt vervat in 46 chromosomen, lange strengen DNA waarop de genen liggen, zijnde kleinere stukjes DNA die de opbouw van eiwitten bepalen. Elk gen bevat een vaste code die vertaald wordt in bepaalde eiwitten, waardoor dezelfde fenotypische (uiterlijk zichtbare) eigenschappen steeds doorgegeven worden, van generatie tot generatie (overerving). Soms gebeurt er een foutje, een mutatie, tijdens het kopieerproces (variatie), en heel uitzonderlijk levert dat een beter eindresultaat op, dat (juist omdat het beter is), grotere overlevings- en voortplantingskansen heeft (natuurlijke selectie). Laat dat proces een miljoen jaar lopen, en kijk, als glorieus eindresultaat treedt Homo sapiens naar voren (evolutie).

In deze redenering betekent ‘genetisch gedetermineerd’ dat kenmerken van een levend wezen op voorhand vastliggen in de genen en dat de invloed van de omgeving beperkt blijft tot het bevorderen of inperken van de ont – plooiing (dat woord mag je letterlijk begrijpen) van een reeds vaststaand genetisch programma. Wat er niet in zit, kan er nooit uitkomen; wat er wel in zit, komt zeker naar buiten. De sociale consequenties van deze redenering zijn immens. Wie ervan overtuigd is dat bijvoorbeeld intelligentie of zelfs persoonlijkheid erfelijk bepaald is, vindt sociale bijsturingsprogramma’s overbodig, is ervan overtuigd dat domme mensen beter minder kinderen krijgen, enzovoort.

Vandaag weten we dat deze overtuiging niet klopt, minstens om twee redenen.

De eerste reden handelt over wat ons DNA allemaal meer omvat dan de code voor de eiwit coderende genen en de manier waarop het functioneert. Van ons DNA codeert ongeveer twee procent voor eiwitten; van de overige achtennegentig procent werkt een klein deel als ‘promotoren’, de rest is ‘junk’ (wat betekent dat we tot voor kort voor veel ervan geen flauw idee hadden waarvoor het dient). Bij de kleine groep genen die wel voor eiwitten coderen is er tachtig procent die als regulator functioneert (dus als regulator eiwitten); slechts twintig procent dient voor functionele celeiwitten.… Lees verder

Bregje Hofstede // Eva Meijer

Bregje Hofstede

De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out

Dat Hofstede kan schrijven, wist ik al sedert ik haar roman Drift gelezen heb. Op zich al een voldoende reden om mij aan de lectuur van De herontdekking van het lichaam te zetten. Mijn verwachting werd helemaal bewaarheid, het staat vol fijne zinnetjes, zo maar tussendoor, die een glimlach op mijn gezicht toveren.

Dergelijke zinnetjes komen er heus niet zomaar, ze zijn het resultaat van hard en veel werken. Tijdens dat veel te hard werken om De Perfectie te bereiken is de schrijfster zichzelf tegen gekomen, en die ontmoeting verliep niet zo aangenaam. Haar lichaam liet haar duidelijk voelen dat de manier waarop ze bezig was, niet langer door de beugel kon. Tegenwoordig noemen we dat een burn-out en maken we onszelf wijs dat we het fenomeen begrijpen. Wat Hofstede doet, is die al te gratuite benaming terzijde schuiven, en op zoek gaan naar eigen woorden.

De verschillende hoofdstukjes handelen over de verhouding tussen haar en haar lijf, bij uitbreiding de verhouding van haar lichaam tot de buitenwereld (met helaas ook mannen in hun al te mannelijke versie). Als dat lichaam voorbij een bepaalde grens gedreven wordt, hetzij door onszelf, hetzij door opdringerige anderen (vaak mannen en moeders), dan ontstaat er een vergelijkbare situatie met wat in Noord-Ierland eufemistisch ‘The troubles’ genoemd werd. Ik en lichaam staan lijnrecht tegenover elkaar, gaan verschillende richtingen uit, de grenzen worden gesloten, smokkelroutes ontstaan, grensgevechten maken slachtoffers, het leven is al snel geen leven meer. Overleg is nodig, wat tijd en ruimte en veel beweging vraagt, mentaal en fysiek.

De herontdekking van het lichaam is een van die zeldzame boekjes die op nauwelijks honderd pagina’s een flink pak kennis (de bibliografie loopt over zes bladzijden) samenbrengt met een persoonlijk verhaal, bovendien ingebed in een mooie taal. Wat wil je nog meer?

Bregje Hofstede
De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out (2016)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 124 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 694 7

 

 

Eva Meijer

De grenzen van mijn taal. Essay

Er zijn opvallend veel vrouwelijke auteurs die worstelen met zichzelf en dat in literaire essays naar buiten brengen. Marian Donner (Zelfverwoestingsboek) heeft het gehad met de dwang tot perfectie. Bregje Hofstede (De herontdekking van het lichaam) beschreef haar burn-out. In De grenzen van mijn taal beschrijft Eva Meijer haar leven met op de achtergrond een altijd dreigende depressie, nadat ze een meer dan ernstige anorexie achter zich had kunnen laten. Deze schrijfsters mengen ervaring met kennis, met gelukkig een uitdrukkelijk accent op hun eigen ervaringen.

Meijer gaat op zoek naar woorden om weer te geven wat ze meemaakt. Ze slaagt daar wondermooi in, het boek bevat bij tijd en wijle ontroerende passages, over alleen zijn, over wat zelfuithongering met je doet, over slechte dagen en hoe daarmee om te gaan. Overigens zoekt ze niet alleen woorden maar ook praktische manieren om haar leven zinvol uit te bouwen. Op de achtergrond kijkt Aristoteles mee: het aanleren van goede gewoontes in combinatie met zelfkennis helpen haar veel meer dan de huidige visie op gekte en depressie als ‘hersenstoornis’. Als bonus – naast het zoeken naar woorden en naar goede gewoontes – krijgt de lezer ook een betere, ruimere visie op wat we onder ‘gekte’ kunnen begrijpen. Ondanks het onderwerp toch een hoopvol boek.

Eva Meijer
De grenzen van mijn taal. Essay (2019)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 141 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 822 4

 

Marian Donner // Ewald Engelen

Marian Donner

Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen

Zo’n titel maakt een mens nieuwsgierig, dus begon ik onmiddellijk met de lectuur. Ik ben er pas twee uur later mee gestopt, toen ik het boekje uit had. Marian Donner is een ontdekking, ze balt haar vuist, haar blik is scherp én mild, ze beschrijft uit het hart (en ongetwijfeld ook uit een aantal andere lichaamsdelen) wat Ewald Engelen (De mythe van de gemaakte vrouw, ik schreef er ook een bespreking van) op een intellectuele manier uiteenzette. Ik heb de twee boekjes ondertussen al een paar keer samen als geschenk gegeven. Ze horen bij elkaar, vind ik.

Donner is kwaad op een maatschappij waar deskundigen vertellen dat we het allemaal beter kunnen hebben, als we maar de juiste keuzes maken, authentiek zijn, in onszelf geloven, de juiste voeding kiezen, voldoende aan zelfzorg doen, yoga en mindfullness volgen, voldoende bewegen. Die hele zwik heeft maar één doel: ervoor zorgen dat we het langer volhouden, dat we langer blijven functioneren in een systeem gericht op winstmaximalisatie. Ervoor zorgen dat we blijven verdragen wat eigenlijk ondraaglijk is. Met onze ogen wijdopen lopen we erin, een nieuwe versie van ‘Eyes wide shut’. Nooit is het goed genoeg, iedereen moet excelleren – yes, we can. Wanneer we falen, hebben we ons niet voldoende ingespannen. Of, omgekeerd, hebben we net veel te veel inspanningen geleverd; foei toch, kon je het niet wat beter doseren, die burn-out heb je toch echt wel zelf gezocht.

Wat je ook doet, het is jouw schuld, jouw verantwoordelijkheid. Het systeem is zo krachtig dat we dergelijke onzin geloven en ons leven op die manier inrichten.

Honderdveertig bladzijden lang maakt ze de lezer wakker uit de slaap van het knettergekke leven dat we leiden. ‘Slaap’ met enige ironie, bijna iedereen slaapt slecht (gelukkig zijn ook daar apps voor, die je tonen hoe je nog béter voor jezelf kunt zorgen).

Natuurlijk hebben we deels ons leven zelf in de hand, en natuurlijk willen we het beter hebben en beter doen. Natuurlijk is het een zeer goed idee voor jezelf zorg te dragen (maar draag vooral zorg voor die paar mensen van wie je houdt). De vraag is alleen hoe je dat ‘beter hebben en beter doen’ definieert. Voor Marian mag het best wat meer stinken, drinken, bloeden, branden & dansen.

Marian Donner
Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen (2019)
Uitgevers Dag Mag. 141 pagina’s.
ISBN 978 94 924789 1 7

 

 

Ewald Engelen

De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme

‘Nieuw Licht’ is een reeks boekjes geschreven in opdracht. Coen Simon en Frank Meester leggen een hedendaags denker een klassieke tekst voor, met de vraag daar een eigentijdse reactie op te schrijven. In dit geval is het onderwerp het feminisme, met als uitgangspunt De tweede sekse van Simone de Beauvoir.  Hoe zit het met de (on-)gelijkheid tussen man en vrouw? En als de vrouw gemaakt wordt, hoe wordt ze vandaag gemaakt?

Het antwoord van Engelen in een notendop: emancipatie van de vrouw betekent vandaag dat zij zich, net zoals de man, individueel naar de top van de neoliberale ladder kan vechten, waarbij alle middelen geoorloofd zijn. Als ze daarin slaagt – wat zowel bij mannen als vrouwen een uitzondering blijft – ‘mag’ ze 60 tot 80 uur per week werken voor een riant salaris. Dat deze ‘emancipatie’ bijna uitsluitend mogelijk is voor de dochters van de financiële bovenklasse wordt verdoezeld door een paar uitzonderingen uit de onderklasse flink in de verf te zeggen.

‘Feminisme’ is bovenklassefeminisme geworden, en is mijlenver verwijderd van de fundamentele maatschappijkritische ideeën van Simone de Beauvoir cum suis. Een maatschappij, een bedrijf, een universiteit is vandaag ‘feministisch’ als zij erin slagen voldoende vrouwen aan de top te brengen of te hebben. Gelijke kansen betekent: gelijke kansen aan de top.

Anders gesteld: dit soort ‘feminisme’ draagt bij tot de toenemende sociale ongelijkheid die John Lennon indertijd feilloos in één zinnetje wist samen te vatten: “Woman is the nigger of the world”. Een vrouw of neger kan nu inderdaad de top bereiken, op de rug van een zeer grote groep vrouwen en mannen die daar nooit kunnen geraken, en bovendien te horen krijgen dat dit hun eigen schuld is. En dus niks te maken heeft met structureel bepaalde ongelijkheden, zoals de sociaaleconomische positie van je ouders en het land en de regio waar je opgroeit. De ondergroep werkt vaak even hard als de ‘geëmancipeerde’ topvrouw, omdat ze twee onderbetaalde banen moeten combineren.

De ironie van deze pijnlijk juiste analyse is dat Engelen hiermee aantoont dat de basisstelling van de Beauvoir nog altijd juist is. Je wordt niet geboren als vrouw, het is de maatschappij die de vrouw maakt. De huidige maatschappij maakt mannen en vrouwen wijs dat ze zichzelf maken, in alle vrijheid, met accenten zoals zelfontplooiing, excelleren, creativiteit, authenticiteit, zelfreflectie, persoonlijke groei. Just do it! Alles kan en mag, op voorwaarde dat het bijdraagt tot winstmaximalisatie. Het resultaat is een ‘dog eat dog’ wereld, waar mannen en vrouwen inderdaad steeds meer dezelfde honden worden. Onderaan de straathonden, bovenaan de topdogs. Brrrrr.

Engelen heeft een strijdvaardig essay geschreven. Een must voor vrouwen en heel zeker ook voor mannen die zich afvragen hoe het allemaal zo ver is kunnen komen. Best samen te lezen met het boekje van Marian Donner, zie hierboven. En ja, we hebben dringend nood aan een eigenlijke emancipatie.

Ewald Engelen
De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme (2019)
Amsterdam, Ambo/Anthos. 98 pagina’s.
ISBN 978 90 263 3545 7