Arthur Eaton

Arthur Eaton

De kleine Freud. Zijn psychoanalytische theorie samengevat.

Met de regelmaat van een klok krijg ik de vraag voorgeschoteld wat ik eigenlijk doe (‘Gewoon luisteren? Kan iedereen toch!’) en of Freud nog wel relevant is. Af en toe is het een echte vraag van iemand die echt benieuwd is naar die ogenschijnlijk makkelijke praktijk. Het is niet makkelijk om daar een antwoord op te formuleren, deels omwille van de moeilijkheid van het onderwerp, deels omwille van de vooroordelen waartegen je moet opboksen, deels omwille van het gebrek aan tijd (zulke vragen worden vaak gesteld op recepties/bij de borrel).

Vanaf nu heb ik mijn antwoord klaar: lees het boekje van Arthur Eaton, waar je op zestig pagina’s een vlot geschreven verhaal krijgt over Freuds theorie en praktijk. Eaton is een jonge Nederlands-Amerikaanse analyticus die zijn psychoanalytisch werk combineert met schrijven voor kwaliteitstijdschriften zoals De Groene Amsterdammer. Hij benadert Freud vanuit vier invalshoeken die elk een apart hoofdstuk krijgen: praten, dromen, vrijen, sterven. Bij elk onderwerp krijgt de lezer een degelijk zicht op Freuds ideeën, hoe die bij de psychoanalytische praktijk aansluiten en wat de ruimere implicaties zijn. Tussen de regels door herken ik de klinische ervaring van de auteur.
Het mooiste vind ik zijn beschrijving van de psychoanalytische ruimte als een van die zeldzame plaatsen waar alles gezegd kan worden. In zijn woorden: ‘Het is een schuilplaats tegen de tirannie van de courante moraal. De analyse is een experiment met het vrije woord.’ Dat klinkt lekker revolutionair, en is het ook – autoritaire régimes (Nazi-Duitsland, meerdere Zuid-Amerikaanse staten, de vroegere USSR) beschouwden psychoanalyse en psychoanalytici als staatsgevaarlijk, simpelweg omdat iemand die in analyse is, onvermijdelijk de normaliteit-van-de-dag in vraag gaat stellen.
Voor alle duidelijkheid: de psychoanalytische ruimte is geen plaats voor zelfverklaarde vrijdenkers die daar graag mee uitpakken (daar hebben ze twitter voor). Het waarlijk revolutionaire grijpt in eerste instantie plaats bij het individu dat op de divan/de bank ligt, omdat het door zijn of haar eigen spreken verrast wordt (‘Heb ik dat écht gezegd?’), met als gevolg een ontmaskering van opgelegde normen en overtuigingen, naar de limiet toe zelfs een ontmaskering van de eigen identiteit. Het resultaat is een grotere keuzevrijheid. Het gevolg kan een keuze voor hetzelfde zijn als voorheen, het kan ook een keuze zijn voor iets anders. De bewustwording dàt het keuzes betreft, dat zogenaamde zekerheden geen vastliggende waarheden zijn, maakt deze praktijk tot een subversieve.

In het slothoofdstuk snijdt de auteur de vraag aan of psychoanalyse onze postmoderne tijd zal overleven. Haar innoverende ideeën zijn overgenomen door psychotherapeutische theorieën die niet eens beseffen wat ze overgenomen hebben. Wat niet belet dat de huidige klinische praktijk haaks staat op de psychoanalytische: tegenwoordig is het de therapeut die het woord voert en aan de ‘cliënt’ uitlegt welke stoornis hij heeft en hoe hij die moet aanpakken. In de academische wereld heerst het Amerikaanse vertoog van de gedragswetenschappen, met een focus op afwijkend gedrag en normalisatie op grond van evidence-based disciplinerende technieken. Geesteswetenschappen en kunst komen steeds meer in het academische verdomhoekje te staan, samen met de psychoanalyse die meer aan hen verwant is dan aan de behavioral sciences.

Daartegenover staat dat er buiten de universiteit en de psychotherapie duidelijk een vernieuwde belangstelling is voor Freuds ideeën, vooral om de alomtegenwoordige irrationaliteit en zelfdestructie te begrijpen. In Eatons woorden: ‘Het onbewuste is terug op het wereldtoneel, en hoe.’ In de wereld van de psychotherapie zien we hoe een groeiend aantal mensen zich afkeren van behandelaars die, vaak dik tegen hun zin, moeten functioneren als managers van een opgelegde normaliteit. Veel van die behandelaars willen weer therapeut worden.

Ik zou de divan/de bank nog niet al te snel opbergen.

 

Arthur Eaton (2020)
De kleine Freud. Zijn psychoanalytische theorie samengevat.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 61 pagina’s.
ISBN 978 90 450 3606 9

Brenda Froyen

Brenda Froyen
Ben ik dan nu weer normaal?

In 1880 wordt Jozef Breuer, een dokter met naam en faam, te hulp geroepen door een familie behorende tot de hogere Weense burgerij. Hun volwassen dochter vertoont een zware stoornis met onder meer hallucinaties en hevige angsten. Bij toeval ontdekt de arts een behandeling die de geschiedenis zal ingaan als de hypnokathartische methode (denk aan EMDR en je bent aardig in de buurt). Een volledige genezing blijft uit en de jonge vrouw zal geruime tijd opgenomen worden in een psychiatrische instelling. Vijftien jaar later beschrijven Breuer en Freud haar behandeling in een boek waar het woord psychotherapie voor het eerst gebruikt wordt. Voorgesteld als ‘Anna O’ krijgt ze de diagnose hysterie. Nog een halve eeuw later, wanneer psychiatrie en psychoanalyse stevig in het zadel zitten, kan je in heel wat artikels lezen dat beide heren flink fout zaten met hun diagnose. Anna O leed ongetwijfeld aan een beginnende schizofrenie, zo luidt het, vandaar dat er na de behandeling een vermoedelijk levenslange hospitalisatie volgde.

In 1972 wordt deze wijd gedeelde overtuiging met één klap onderuitgehaald door een Amerikaanse wetenschapsjournaliste. Lucy Freeman ontdekt wie Anna O was (Bertha Pappenheim) en, vooral, dat Bertha na haar zwaar gestoorde periode niet alleen een normaal maar bovendien een maatschappelijk zeer geëngageerd leven heeft geleid waarvoor ze postuum een officiële erkenning kreeg. In 1954 werd haar beeltenis op een Duitse postzegel afgedrukt, in de reeks ‘Benefactors of mankind’ (https://en.wikipedia.org/wiki/Bertha_Pappenheim)

De conclusie? Iemand met een ongetwijfeld ernstige stoornis kan na verloop van tijd een normaal leven hebben. Een psychiatrische diagnose is een momentopname, ook als dat moment twee jaar duurt, en geen veroordeling tot levenslang gestoord zijn.

Deze conclusie heeft men niet gemaakt. De huidige Bertha’s krijgen een label opgeplakt dat de overgrote meerderheid onder hen nooit meer kwijtgeraakt. Voor de buitenwereld, en helaas vaak ook voor henzelf, zijn en blijven ze nauwelijks iets anders dan hun ‘stoornis’. Alles wat ze doen en zeggen wordt door de buitenwereld verklaard aan de hand van het label, ook als ze reeds geruime tijd opnieuw tot de ‘normalen’ behoren.

Dat is de ervaring van Brenda Froyen, een Bertha Pappenheim 2.0. Na de geboorte van haar derde kind liep ze verloren in een ernstige psychose. Haar behandeling in de psychiatrie (gedwongen isolatie, zware medicijnen, nauwelijks gehoor krijgen) is op zich al erg – bij iemand in hoge psychische nood is isolatie zo ongeveer de meest foute ‘behandeling’ die er bestaat – wat nadien volgde, is op een andere manier erg. Kort samengevat: eens volledig hersteld gebruikt ze haar (uitstekende) pen om taboes, misvattingen en mistoestanden in de psychiatrie aan te kaarten. Bij een aantal individuele hulpverleners vindt ze gehoor, bij het psychiatrisch establishment niet, en dat is een understatement. De reacties die ze moet ervaren, kan ik als clinicus beschrijven als hertraumatiserend: afwijzing, ontkenning, beschuldiging. Alles wat iemand-met-een-label zegt of doet, wordt gezien als een uiting van de stoornis. Zelfs als het terechte kritiek is, zelfs als het constructieve suggesties tot verbetering van het systeem zijn. Gelukkig krijgt ze ook positieve reacties, van mensen met dezelfde ervaringen én van hulpverleners.

Kortsluiting in mijn hoofd. Over het beest dat psychose heet (2014) was haar eerste boek. Ben ik dan nu weer normaal? wordt de afsluiter. In de zes jaren tussen de twee boeken nam ze haar job als lector aan de hogeschool weer op. Daarnaast was ze een drijvende kracht achter de oprichting van Psychosenet:
https://www.psychosenet.be
werkte ze mee aan het advies van de Hoge Gezondheidsraad over psychiatrische diagnostiek:https://www.health.belgium.be/sites/default/files/uploads/fields/fpshealth_theme_file/hgr_9360_dsm5.pdf
aan de oprichting van de interuniversitaire opleiding Herstelgerichte psychiatrie:
https://pevpat-ugent.be/pev-herstelgerichte-ggz/
en gaf ze heel wat lezingen.

Wat ze beschrijft, zijn zowel wantoestanden in sommige psychiatrische instellingen als de structurele fouten van het systeem. In de betere instellingen of afdelingen komen dergelijke wantoestanden – te veel medicijnen, te weinig luisterend oor, familieleden die buitengesloten worden, isolatiepraktijken – nauwelijks voor. Maar zelfs in de betere ziekenhuizen zijn de effecten van de structurele systeemfouten duidelijk, met als belangrijkste en meest verrassende effect dat de eigenlijke zorg in de verdrukking komt te staan. Iedereen die een opleiding volgt in de hulpverlening doet dat met een portie idealisme. Na een paar jaar praktijk blijft daar vaak niet veel meer van over. De duidelijkste verwoording komt tijdens een van Froyens lezingen uit de mond van een verpleegkundige: ‘Hulpverleners hebben heus niet altijd de beste bedoelingen. Vaak hebben ze geen bedoelingen meer, ze voeren alleen hun baan uit’.

De structuurfouten van het psychiatrisch bestel liggen op meerdere vlakken. Eén ervan staat volgens mij centraal: het diagnostisch systeem. De wijze waarop wij een probleem definiëren bepaalt de richting van de daarbij aansluitende oplossing. Een psychiatrische diagnose is een probleemdefiniëring, die in het ideale geval de problematiek van een individu begrijpt en beschrijft als het gecombineerde resultaat van diens sociale context, psychologische make-up en biologische ondergrond. Idealiter wordt dit alles netjes in een diagnostisch verslag gegoten, waarna oplossingen voorgesteld worden die de drie velden bestrijken. Tegenwoordig krijgen mensen-in-moeilijkheden een VMA-label opgeplakt (VMA: Vaak Met Afkorting), op grond van poepsimpele checklijstjes waarvan de naïeve eenvoud verborgen blijft achter moeilijke termen en letterwoorden. Mensen krijgen te horen dat hun stoornis blijvend is want neurobiologisch bepaald en dat ze hun medicijnen levenslang moeten slikken. Wat het merendeel doet, want ermee stoppen veroorzaakt een stortvloed van helse afkickeffecten.

De allerbelangrijkste misvatting is dat dergelijke labels wetenschappelijke benamingen zouden zijn van ziektes. In het beste geval zijn het beschrijvingen van problemen die mensen ervaren. In het slechtste geval zijn het beschrijvingen van problemen die wij ervaren met mensen die anders zijn. In geen enkel geval zijn het objectieve aanduidingen voor netjes in kaart gebrachte neurobiologische aandoeningen. Voor geen enkele ‘stoornis’ hebben we medicijnen die genezend werken. Pillen beïnvloeden het gestoorde of storende gedrag door het te dempen of het op te peppen. Alle pillen hebben neveneffecten, sommige daarvan zeer zwaar, bepaalde ervan helaas niet-omkeerbaar.

Deze vaststellingen zijn al geruime tijd bekend en wetenschappelijk zeer goed onderbouwd. In de praktijk worden zij genegeerd of zelfs ontkend, waardoor de officiële psychiatrie een hoog Trumpgehalte krijgt: wat buiten haar invloedssfeer als waar bewezen is, wordt in de eigen kringen ontkend, verdacht gemaakt, in extreme gevallen uitgescholden voor onwetenschappelijk.… Lees verder

Annie Dillard

Annie Dillard

De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.

 

Als Marja Pruis (dé essayiste van het huidige Nederlandse taalgebied) op zoek moet gaan naar woorden om de kwaliteit van Dillards bundel te omschrijven, dan weet je dat er iets bijzonders op de plank ligt. Nadat ik De overvloed een tweede maal gelezen had (dat was nodig en ik deed het graag), heb ik het knap moeilijk om te omschrijven wàt ik gelezen heb. Dillard leert je opnieuw kijken naar ‘dingen’ omdat ze telkens heel hard naar juiste woorden zoekt om de lezer wakker te maken. Dertig onvergetelijke pagina’s over zand en stof (en Teilhard de Chardin)? Nooit zal ik zand nog op dezelfde manier kunnen bekijken. We vegen en poetsen om onze teraardebestelling uit te stellen. Een zonsverduistering? Een botsing op het onbegrip in ons begrijpen, op de futiliteit van al onze bekommernissen, toen onze generatie aan de beurt was om te leven. Vergeten hoe het was om zestien te zijn? Niets kon dit ernstige geval van zachtheid genezen, behalve, heel misschien, geweld.

Als ik dan toch een poging moet doen om te omschrijven waarover ze het heeft, dan kom ik het dichtst in de buurt (denk ik) als ik haar onderwerp benoem als de Goddelijke Komedie, waarin wij vol van onszelf een rol spelen terwijl de kosmos in en buiten ons zijn gang gaat.

Een boek met een diepgang en een stijl waar ik diep voor buig.

 

Annie Dillard (2020)
De overvloed. Essays. Met een voorwoord van Marja Pruis.
Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 253 pagina’s.
978 90 254 6192 8

 

Ton Lemaire

Ton Lemaire

Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.

 

Na het lezen van De eenzame stad (Olivia Laing) greep ik naar een boek over wandelen, omdat deze activiteit het idee van alleen zijn oproept (met dank aan J.J.Rousseau en diens Les Rêveries du promeneur solitaire). Voor wie Ton Lemaire niet kent: hij is een Nederlandse docent filosofie die in 1990 uit onvrede met de gang van zaken aan de universiteit naar de Dordogne trok en daar sedertdien op zijn eentje zo ecologisch mogelijk leeft. Om de paar jaar verschijnt er wel een boek van hem, en ik heb ze stuk voor stuk graag gelezen (heel corona-actueel is zijn in 2010 gepubliceerde De val van Prometheus). Zelfs wanneer hij over ogenschijnlijk ‘gewone’ onderwerpen schrijft, bereikt hij een diepgang die weinig auteurs gegeven is, bovendien in een lichtvoetige stijl.

Wandelen dus. In de inleiding lezen we dat een beschouwing over de plaats van wandelen een goede toegang kan bieden tot meerdere aspecten van onze samenleving, en zelfs kan uitmonden in een diagnose van de moderniteit. Raker kan ik het niet samenvatten, en als bonus krijgen we in het boek nog een mooi zicht op de geschiedenis. De verschillen tussen de Franse, Duitse en Angelsaksische cultuur maken dat ze ook anders wandelen, wat tot in hun tuinaanleg zichtbaar wordt – het verband tussen de Franse centralistische politiek en de strakke Versailleperken is even duidelijk als dat tussen de Britse ‘wilde’ parktuin en het Angelsaksische liberalisme.

Het boek is min of meer thematisch geordend, met onderwerpen zoals slenteren in de stad, trektochten in de natuur, iconische wandelaars, bedreigde voetgangers. Er struinen veel figuren door de tweehonderdvijftig pagina’s (de namenindex achteraan neemt drie bladzijden met dubbele kolommen in beslag), maar nooit wordt het ‘namedropping’, wel een mogen mee wandelen met markante denkers. Tussendoor krijgt de lezer rake redeneringen voorgeschoteld, bijvoorbeeld wanneer Lemaire afrekent met het gebruik van het woord ‘elitair’ als dooddoener (bepaalde standpunten zijn wel degelijk beter en een pleidooi voor gelijke rechten houdt niet in dat alle meningen gelijkwaardig zijn), of een vergelijking maakt tussen massatoerisme en klimaatvluchtelingen, of een koppeling legt tussen onze passieve mobiliteit (zittend halen we snelheden van 800 kilometer per uur) en wandelen (‘hiking’) als hype.

Na de twee laatste hoofdstukken ‘Lof van het lopen’ en ‘Kunst van het wandelen’ heb ik mijn wandelschoenen uit de kast gehaald en mijn agenda anders georganiseerd om er binnenkort weer op uit te kunnen trekken, op zoek naar de dubbelzinnige ervaring die Lemaire (met dank aan Camus) op het einde van zijn boek zo mooi samenvat. Wandelend vallen we samen met en verdwijnen we in de natuur, tot we opgeschrikt worden op het moment dat we de betekenissen verliezen die we er zelf ingelegd hebben en oog in oog komen te staan met de vreemdheid, het niet-menselijke van wat ons omringt.

Volgend weekend ga ik stappen.

 

Ton Lemaire (2020)
Met lichte tred. De wereld van de wandelaar.
Amsterdam: Ambo/Anthos, 250 pagina’s.
ISBN 978 90 263 4787 0

Olivia Laing

Olivia Laing

De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn.

Tijdens een week waarin ik niet alleen was maar me wel alleen voelde, greep ik min of meer bewust naar De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn, geschreven door de mij onbekende Olivia Laing. Kort samengevat: het is een pareltje (parel, want 350 bladzijden). Laing heeft een vlotte pen, een stijl die mij aanspreekt en vooral, ze bezit de gave om mensen zowel raak als mild te beschrijven, een zeldzame combinatie. En ja, het gaat over eenzaamheid, maar niet met de afgezaagde, hoe-slecht-is-onze-maatschappij-toch ondertoon; het gaat over ‘het menselijke, het al te menselijke’.

Als jonge Britse volgt ze de man van haar dromen naar New York. De man bleek een vergissing te zijn, New York niet. Ze leeft er maanden alleen en gaat op zoek naar wat eenzaamheid betekende voor lotgenoten uit een vorig tijdperk die op een of andere manier met kunst bezig waren. Hoofdfiguren zijn Edward Hopper, Andy Warhol, David Wojnarowicz en Henry Darger, naast Valerie Solanas, Nan Goldin, Klaus Nomi en Peter Hujar. De helft van hen kende ik niet, alleen al daarom is het boek de moeite waard. Tussendoor komt haar eigen verhaal aan bod, samen met de meest zinvolle bespiegelingen over eenzaamheid die ik ooit las. Mijn exemplaar staat vol aangekruiste passages en snel in de kantlijn neergekrabbelde nota’s – dat zegt genoeg. Op de koop toe gaat de kwaliteit van haar tekst in stijgende lijn; Laing omcirkelt het onderwerp spiraalsgewijs tot steeds hogere niveaus, met als opstapjes bekende en minder bekende figuren. Als lezer neemt ze je mee in een wereld bewoond door mensen die je niet meer loslaten. Dit is een van de boeken die je voortdurend naar YouTube stuurt, om hen ‘in het echt’ te zien en te horen – de blik van Valerie Solanas, de films van Andy Warhol, de stem van ‘mutant chantant’ Klaus Nomi, de schilderijen van Henri Darger – ik bleef maar doorklikken.

Dit boek lezen voert je binnen in een universum van gekwetste kinderen (gekwetst is een understatement) die daarom eenzame volwassenen werden, ook wanneer ze later omringd werden door bewonderaars. Valerie Solanas staat vooral bekend als de waanzinnige vrouw die Andy Warhol neerschoot, waarbij vergeten wordt dat ze een radicale feministe was (ze beschouwde het gezin als de voornaamste oorzaak van vrouwelijke onderdrukking), auteur van het SCUM-manifest (Society for Cutting Up Men); snoeihard eenzaam en eenzaam snoeihard, na een kindertijd van seksueel misbruik en verwerping. Heel erg intelligent, op zoek naar gehoor dat ze niet krijgt, verworpen door vrouwengroepen die ze net wou verdedigen.

Zij wou vrouwen beschermen terwijl Henri Darger alle onheil wilde weghouden van kinderen. Ook hij was opgegroeid met geweld en misbruik, maar in tegenstelling tot Solanas leidde deze doodarme schoonmaker een onopgemerkt, eenzaam bestaan. Na zijn dood werd in zijn huurflatje een gedurende een halve eeuw opgebouwd oeuvre gevonden, een combinatie van waterschilderijen, collages en een manuscript, alles samen meer dan tienduizend pagina’s, met als onderwerp een oorlog tegen misbruik en slavernij van kinderen, met daarin een ‘onafhankelijkheidsverklaring van het kind’ met onder meer ‘het recht op normale slaap tijdens de uren van de nacht‘. Slik. Ik wil me niet voorstellen wat hij meegemaakt moet hebben.

Solanas en Darger groeiden op met extreem geweld, dat was zo mogelijk nog meer het geval voor David Wojnarowicz, kind-prostituee in Hell’s Kitchen (denk aan Mean Streets van Scorcese). Op zijn twintigste begint hij foto’s te maken, waarmee hij zijn eigen geschiedenis in beeld brengt. Kunst en seks zijn twee ontsnappingsroutes, weg uit de eenzaamheid én uit de gevangenis van het lichaam, ontsnapping die voor hem en vele anderen pas mogelijk werd in randzones – in dit geval Times Square en de verlaten havenloodsen van Chelsea in de jaren ’70. Seks verschijnt als oorzaak van en remedie voor eenzaamheid: verbinding met de ander en dus remedie tegen isolement; gebruik/misbruik van het driftig-agressieve lijf en dus oorzaak van isolement, met kunst als poging om zichtbaar te maken wat altijd aan gene zijde ligt: het verlangen naar heelheid, naar volledig zijn, met jezelf en met de ander. ‘Dat is toch de droom van seks? Dat je uit de kerker van het lichaam bevrijd zult worden door het lichaam zelf, dat eindelijk begeerd wordt, zijn vreemde taal begrepen.

Het boek is zo rijk dat ik het onbegonnen werk vind om het samen te vatten. Je kan er bijvoorbeeld razend interessante ideeën uit putten voor onze corona-eenzaamheid, ook al omdat Laing in één van de hoofdstukken de gevolgen van de aidsepidemie bespreekt (niet mogen aanraken of aangeraakt worden, sterven in isolement). Ik beperk me tot één idee. In een tijdperk waarin individualisering centraal staat, wordt ook de oorzaak van eenzaamheid bij het individu gelegd, niet alleen door de afwijzende anderen (‘Waarom volg je geen training in sociale vaardigheden?’) maar ook door het eenzame individu zèlf. ‘Het alomtegenwoordige, onweerlegbare besef dat het me aan iets ontbrak, dat ik niet de beschikking had over datgene waar mensen over horen te beschikken, en dat dit te wijten was aan een ernstige, ongetwijfeld niet mis te verstane persoonlijke tekortkoming van mij.’ Laing brengt uitvoerig en overtuigend de tegenovergestelde visie: eenzaamheid is een gevolg van oorspronkelijke afwijzingen, heel vaak in een traumatische context. Eenzaamheid ontstaat nooit in isolement, maar is het product van vicieuze sociale cirkels. Het startpunt ligt in een traumatiserende omgeving met afwijzende, of zelfs misbruikende anderen. Een dergelijk kind ontwikkelt een verhoogde waakzaamheid waardoor het als volwassene anderen gaat wegduwen of net aanhalen op een manier die hen op de vlucht doet slaan. Bovendien houden ze hun littekens verborgen, de echte en de figuurlijke, waardoor de buitenwereld hen nog minder begrijpt.

Eens geïnstalleerd houdt eenzaamheid zichzelf in stand omdat het letterlijk afstotend werkt en contact onmogelijk maakt. Eenzaamheid maakt ziek, de figuren die in het boek opgevoerd worden, hebben elk op hun manier een remedie ontwikkeld waarin agressie, liefde en kunst centraal staan.
Tot slot: ‘Ik geloof niet dat iemand leren kennen per se de remedie is tegen eenzaamheid.Lees verder

Abram de Swaan

 

Abram de Swaan
Tegen de vrouwen. De wereldwijde strijd van rechtsisten en jihadisten tegen de emancipatie.

 

Vorige week had ik een gesprek met een jonge vrouw van achtentwintig over emancipatie. Opnieuw moest ik vaststellen hoe weinig deze generatie beseft welke inspanningen haar (over)grootmoeders en in beperktere mate grootvaders hebben moeten leveren om mogelijk te maken wat zij als vanzelfsprekend beschouwt. Met het feit dat zij gendergelijkwaardigheid als normaal ervaart, heb ik natuurlijk geen probleem. Ik heb wel last met de wijze waarop de huidige generatie vrouwen achteloos voorbijgaat aan de emancipatie van een groep als groep en zich nog nauwelijks verwant voelen met hun gendergenoten onderaan de maatschappelijke ladder. Daarmee is deze generatie een kind van haar tijd: alles wordt op het conto van het individu geschreven, zowel het succes als de mislukking. Maar individuele emancipatie is een illusie, en individuen worden steevast tegen elkaar uitgespeeld door ‘the powers that be’. Met als gevolg dat gelijkwaardigheid op de helling kan komen te staan en ongelijkheid straks weer steil kan toenemen. Niets is ooit definitief verworven.

Het boek van de Swaan is in dit opzicht meer dan welkom. Als socioloog schetst hij een beeld van de geschiedenis én bespreekt hij ook uitvoerig de actualiteit. Het eerste deel ‘Het patriarchaat als schrikbewind’ is een opsomming van de vernederingen, onderdrukking en verminkingen die meisjes en vrouwen moesten en moeten ondergaan onder het patriarchaat. Het tweede deel ‘De onstuitbare opkomst van vrouwen in de wereld van nu’ is een mooie correctie op het individualisme en het gebrek aan historisch besef die tegenwoordig heersen. Maar vooral het derde deel maakt dat ik dit boek bijzonder belangwekkend vind, ‘De oorlog tegen de vrouwen door jihadisten en ‘rechtsisten’.

Het voorbije decennium is er heel wat te doen geweest over terrorisme en moslimfundamentalisme, waarbij telkens duidelijk werd in welke mate religie gendergelijkwaardigheid uitsluit en vrouwen reduceert tot seksslavin, meid en broedmachine. Het woord ‘religie’ in de vorige zin zal menig lezer tegen de borst stoten – dit geldt toch enkel voor IS en aanverwanten? De pijnlijke waarheid die de Swaan in herinnering brengt en uitvoerig illustreert, is dat alle godsdiensten van Het Boek (Jodendom, Christendom, Islam) in hetzelfde bedje ziek zijn – de ene is zieker dan de andere, maar geen enkele is gezond. De beschrijvingen van de wijze waarop de katholieke Kerk zich vandaag de dag in Zuid-Amerika opstelt tegenover vrouwen, van de positie van de vrouw in de Joodse gemeenschap zijn pijnlijk overtuigend. De klassieke verdediging van het gelovige individu is telkens dezelfde: dat is niet het échte Christendom, niet de échte Islam, niet het échte Jodendom. Net zoals Stalin en Mao e tutti quanti niet het échte communisme waren, veronderstel ik. De geschiedenis leert dat angst en haat voor de vrouw structureel ingebakken liggen in deze godsdiensten, met onderdrukking, geweld en misbruik als onvermijdelijke gevolgen.

Met uitzondering van de VS is het Westen ondertussen grotendeels geseculariseerd. Religie is een individuele ervaring geworden, aansluitend bij wat ik beschouw als een essentieel kenmerk van onze soort: onze nood aan het transcendente. Het gevaar voor de vrouw komt bij ons nog nauwelijks uit deze hoek, maar is daarom niet geringer: de ‘rechtsisten’ hebben het overgenomen van de godsdienstfundamentalisten, ze verwerven steeds meer macht en we beseffen dat veel te weinig. De beschrijvingen die de Swaan geeft, laten weinig aan de verbeelding over. Op het internet zijn er tal van mannelijke groepen aan het werk die ras en volk verheerlijken en hun afschuw uiten voor alles wat geëmancipeerd is in het algemeen en voor vrouwen in het bijzonder. Hun gewelddadigheid blijkt op betogingen én uit het stijgend aantal moordaanslagen (op hun websites wordt Breivik opgevoerd als rolmodel). Zij verschillen nauwelijks van de jihadisten, op één uiterst belangrijk punt na: ze worden oogluikend gesteund door de ‘gewone’ rechtse partijen, die daarmee het bedje spreiden voor een gevaarlijke evolutie.

Overal in Europa verliezen rechtse politici stemmen aan ultrarechts, met als gevolg dat sommige van deze ooit keurige partijen zowel het taalgebruik als de standpunten overnemen van groeperingen die haat en verdeeldheid tot hun handelsmerk gemaakt hebben. Nog even, en rechts gaat openlijk allianties aan met dergelijke groepen, net zoals hun voorgangers dat deden in het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw, in de hoop op die manier hun macht te kunnen herstellen. Heimelijk zijn rechtse partijen ervan overtuigd dat zij binnen een dergelijke alliantie die ultrarechtse idioten wel zullen overvleugelen. De geschiedenis, zowel de vroegere als de huidige – toont wie de idioten waren en zijn, en wie er overvleugeld werd en wordt – wie had ooit gedacht dat de Amerikaanse republikeinen op zo’n korte tijd zouden muteren tot wat ze nu zijn?  In mijn ogen zijn dergelijke politici zonder meer medeplichtig aan wat ze zelf denken te moeten bestrijden. Zij zijn niet de oplossing, ze zijn deel van het probleem.

De opschuiving naar een gevaarlijk conservatisme is volop bezig, ook al omdat een aantal rechtse politici hun eigen overtuigingen uitvergroot terugvinden bij de ‘rechtsisten’: verheerlijking van volk, cultuur, natie en afschuw voor de Gutmenschen, de do gooders, de klimaatactivisten. Ze menen onze vrouwen (‘onze’?!) te moeten beschermen tegen het gevaar van de Islam, ze prediken dat de échte Westerse normen en waarden weer hersteld moeten worden. In het Nederlandse Steenbergen werd in 2015 een uiteenzetting van een vrouw over vluchtelingen onderbroken door mannen (die ongetwijfeld ‘hun’ vrouwen wilden beschermen) die luidkeels brulden ‘Daar moet een piemel in’. Met dergelijke beschermers hebben vrouwen geen vijanden meer nodig. Ga wat rondneuzen op het net, zoals de Swaan doet, en je ontdekt snel dat hun ideale wereld Gilead is, uit The Handmaid’s Tale.
Opvallend: dergelijke ultrarechtse groepen verwerven macht, omdat zij inderdaad groep vormen en doelbewust zitjes zoeken in beslissingsorganen (tot in de raad van bestuur van mijn eigen universiteit toe). Willen we hen van antwoord dienen, dan zullen wij ons opnieuw bewust moeten worden van het feit dat we als individu niks kunnen, dat we onze meningsverschillen opzij moeten schuiven en als groep een stem verheffen tegen wat een échte bedreiging van onze vrijheid is.… Lees verder

Ingrid Robeyns

Ingrid Robeyns

Rijkdom.
Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?

Er zijn zo van die essays die op het juiste moment komen. De gevolgen van de coronacrisis zullen vooral economisch en sociaal zijn. De schattingen over het op komst zijnde aantal werklozen gaan van hoog tot zeer hoog. Regeringen hebben ontzettend veel geld uitgegeven om noden te verhelpen, waarbij sommige landen letterlijk de prijs moesten betalen voor kortzichtige besparingen uit het verleden. De hamvraag luidt: wie gaat dat betalen?

Hoogleraar Ingrid Robeyns bestudeert al jarenlang rijkdom, wat op zich al uitzonderlijk is. Haar ideeën verschenen vorig jaar in een essay, gepubliceerd in de reeks ‘Nieuw Licht’. Onderzoek naar armoede (hoe definieer je dat, wat zijn de gevolgen, wat kunnen we eraan doen) gebeurt al geruime tijd, met bijvoorbeeld een begrip als ‘armoedegrens’ als resultaat. Maar wat zou een rijkdomgrens kunnen zijn, en welke gevolgen treffen we aan voorbij die grens? In haar aanvangshoofdstuk gaat Robeyns niet te rade bij Marx of Piketty, maar wel bij de filosoof waar ik zelf de voorbije jaren systematisch naar terugkeer: Aristoteles. Ik was onmiddellijk gecharmeerd.

Een stelling, eigenlijk een vaststelling van Aristoteles die we zo snel mogelijk weer ter harte moeten nemen, is dat elke menselijke handeling inherent ethisch is, en dus aan een oordeel kan en moet onderworpen worden. Het idee dat bedrijfskunde en management enkel rationeel te werk gaan, is niet alleen een misvatting, het is bovendien een (morele!) rechtvaardiging voor gedrag dat vaak immoreel is. Een tweede Aristotelische stelling leert dat kiezen voor het juiste midden de basis legt voor een goed leven, het doel van elke mens. Het bestuur van de polis (de stadstaat) moet zich daarop richten, met onder meer economie als middel, nooit als doel.
Met Aristoteles als ruggensteun schuift Robeyns de resultaten van haar onderzoek in verband met rijkdom naar voor, en die zijn niet van de minste. Kort samengevat: extreme rijkdom ondermijnt de democratie, is niet verenigbaar met ecologische noodwendigheden, is bijna altijd onverdiend en schaadt de belangen van iedereen, superrijken incluis. Merk op dat ze geen pleidooi houdt voor gelijkheid en niet tegen rijkdom op zich is. In haar boek geeft ze voldoende argumenten waarom sommige mensen meer moeten verdienen dan anderen. Het gaat hem over de extreme verschillen en de gevolgen daarvan.
Bij elk van haar provocerende bevindingen wijst ze ook oplossingsrichtingen aan. In de slotparagrafen van het essay komt ze tot de globale oplossing: rechtvaardige belastingen. Concreet houdt dit een uitdrukkelijke accentverschuiving in van belasting op arbeid (belastingen die verhoudingsgewijs het minst opleveren) naar een progressieve belasting op vermogens, met een maximaal tarief tussen zeventig en tachtig procent. Als je weet dat vermogens nu nauwelijks belast worden (ondanks het geweeklaag van economisch aangestuurde politici), en veel belastingen vooral lineair zijn (btw-tarieven zijn voor rijk en arm exact dezelfde), zie je de radicaliteit én de noodzakelijkheid van deze oplossing.
Nog een stap verder is de dringende noodzaak om internationale afspraken te maken ten einde belastingen te kunnen heffen op bedrijfswinsten van multinationals. Zij betalen nu nauwelijks en vaak zelfs geen (u leest goed) belastingen maar genieten wel ten volle van met belastinggeld betaalde voordelen (wie heeft er de luchthavens gefinancierd waar Ryanair misbruik van maakt?). Nu beconcurreren landen elkaar om bedrijven nog méér voordelen toe te kennen (‘fiscale rulings’) wat in de praktijk neerkomt op het legaal maken van belastingontduiking. Nederland geniet in Europa de bedenkelijke reputatie een belastingparadijs te zijn, België weigert haar fiscale afspraken met multinationals bekend te maken. De verklaring daarvoor komt al vroeger in het essay aan bod: extreme ongelijkheid is zeer slecht voor de democratie.

Dergelijke ingrijpende veranderingen kunnen alleen maar als ze gedragen worden door een zo breed mogelijke groep in de samenleving. Misschien wordt de coronacrisis een wake up call, en komen er democratische ingrepen in die richting. Misschien ook niet. In dat geval ziet het er niet goed uit, want dan zal de ongelijkheid blijven toenemen, tot de bom barst. Letterlijk.

 

Ingrid Robeyns (2019)
Rijkdom. Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?
Amsterdam: Prometheus, Nieuw Licht, 98 pagina’s.
ISBN 978 90 446 3975 9

 

Paolo Giordano

Paolo Giordano

In tijden van besmetting.

 

Herinner je je nog de wondermooie debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen, geschreven door de toen piepjonge Paolo Giordano? Als je dat boek de moeite vond, dan dit ook. En als je dat boek niet kent, ook dan is de kans groot dat je dit de moeite waard zult vinden.Als Italiaan heeft Giordano COVID-19 vanop de eerste rij moeten meemaken, iets wat ons bespaard is gebleven. En wat doet een schrijver dan? Juist, hij gaat schrijven. Dit essay (het is géén roman) toont hoe hij greep probeert te krijgen op het ongrijpbare, waarbij hij als wiskundige terugvalt op de zekerheid van de getallen, wat hij met de poëzie van een literator verwoordt (je wenst je kinderen zo’n wiskundeleraar toe). ‘Want wiskunde is niet zozeer de wetenschap van getallen, maar de wetenschap van relaties.’ Hij beschrijft de mathematica van de besmetting zo mooi dat je bijna zou vergeten dat het over pure tragiek gaat.

Zijn analyse brengt hem tot een vaststelling die we allemaal dringend ernstig moeten nemen: wij zijn een gemeenschap. De voorbije decennia waren we dat vergeten (‘There is no such a thing as a society’, hield Thatcher ons voor), maar CoV-2 brengt ons terug bij de les. Het is tijd dat we ons opnieuw gedragen naar die vaststelling in plaats van anderen de loef te willen afsteken door snel snel als eerste een vaccin te ontwikkelen en vervolgens duur te verkopen. Dat we eens grondig nadenken over de oorzaken van COVID-19, die dezelfde zijn als van SARS, MERS en HIV. En van het verdwijnen van oeroude olijfbomen in Italië door parasiet Xylella fastidiosa. Vluchtelingen houden we tegen aan de grenzen, virussen geven we de vrije baan en brengen we zelfs binnen (‘Virussen houden van vakantie’).
Anders gaan leven zullen we sowieso moeten doen; anders betekent niet minder van hetzelfde, niet hetzelfde voor minder mensen, wel ànders. Zijn slotzin geef ik graag mee:

‘Om deze tijd beter te gebruiken, hem te benutten om te bedenken wat we in normale omstandigheden niet kunnen bedenken: hoe we hier gekomen zijn, hoe we de draad weer op willen pakken. De dagen tellen. Opdat wijsheid ons hart vervult. Niet toestaan dat al dit lijden voor niets is geweest.’

 

 

Paolo Giordano (2020)
In tijden van besmetting.
Amsterdam: De Bezige Bij, 80 pagina’s.
ISBN 978 94 031 9830 9

 

Coen Simon

Coen Simon

Pleidooi tegen enthousiasme.

 

Een tijd terug publiceerde filosoof Ignaas Devisch een pleidooi tegen (een verkeerd gebruik van) empathie. Coen Simon houdt nu een even terecht pleidooi tegen enthousiasme. De opgefokte versies daarvan hebben we samen met obesitas overgenomen van de V.S., denk aan het ‘pitchen’ van ideeën en de hijgerige ‘dialogen’ in talkshows (het woord alleen al). Enthousiasme is meer genietbaar dan postmodern cynisme, maar als remedie daartegen is het even erg als de kwaal. In beide gevallen is waarheid de klos. Bij het postmodernisme omdat het bestaan ervan betwijfeld wordt; in het geval van enthousiasme omdat het kritisch nadenken wegvalt.

Sedert de ‘post’ bewegingen (postmodernisme, poststructuralisme, post…) is het bon ton te stellen dat juiste kennis niet bestaat, dat alles neerkomt op een constructie (wie mocht denken dat dit nieuw is, hij of zij wendde zich tot de sofisten ten tijde van Socrates.) Samen met het wegvallen van de onderstuttende Grote Verhalen veroorzaakt het postmodernisme veel onzekerheid en een zoektocht naar De Waarheid. Die vervolgens met het nodige enthousiasme verkocht wordt. Dat laatste mag je letterlijk begrijpen, want in onze vermarkte samenleving moet alles renderen. De gevolgen worden zichtbaar in een aantal nieuwe uitdrukkingen: post truth, fake science, influencers, redpillling, alternative facts; kortom, in het getrumpetter van onze tijd.

Voor Coen Simon leven wij niet zozeer in het ‘post truth’ tijdperk, wel in een periode van postautoriteit – daar ben ik het volledig mee eens. Geen waarheid zonder gezag waarin men vertrouwen heeft (gezag berust altijd op geloof, dat wist Pascal al, en in 1954 legde Hannah Arendt dat nog eens haarfijn uit). Wij hebben het geloof in het patriarchale gezag bij het groot huisvuil gezet (gelukkig maar), in de plaats daarvan kunnen we best een keuze maken voor de autoriteit van wetenschap en ethiek. Daar wringt het schoentje: wetenschappers vertrekken bij twijfel, mensen willen zekerheid.

Nou, die kunnen ze krijgen, in alle kleuren, geuren en smaken, en steeds enthousiast gebracht op dezelfde plaats: het internet, met twitter en YouTube op kop. Het is een bedenkelijke, zelfs gevaarlijke zekerheid. Simon verwijst naar een onderzoek van De Correspondent en de Volkskrant waaruit blijkt hoe en met welke snelheid YouTube vooral rechtse radicalisering in de hand werkt. Rechtse radicalisering staat voor vrouwenhaat, anti-LGTB, racisme, antisemitisme, klimaatontkenning, … De strategie heet ‘redpilling’ (naar ‘the red pil’ uit The Matrix) en gebeurt via filmpjes waarin charismatische leiders een complex betoog afsluiten met eenvoudige conclusies (negers zijn dommer dan blanken; feministes zijn gevaarlijk; mannen moeten weer de baas worden), wat ervoor zorgt dat iemand ‘geredpilled’ wordt en plots de ‘linkse leugens’ over feminisme, multiculturaliteit, migratie of het jodendom doorziet en eindelijk begrijpt waarom leiders zoals Trump, Bolsonaro, Orbán, Putin, … ons zullen redden (en we vluchtelingen maar beter laten verdrinken, kijk naar Geert Mak en huiver: https://www.vpro.nl/programmas/in-europa/kijk/afleveringen/2019-2020/vluchtelingen.html)

Voor wie dergelijke fenomenen als marginaal beschouwt, is dit onderzoek een ijskoude douche. Het aantal volgers is enorm en de tijdspanne waarin zij radicaliseren is benauwelijk kort; het onderzoek zoemt in op een aantal (Nederlandse) gebruikers en toont hoe snel ‘redpilling’ plaatsgrijpt. Het risico op rechts terrorisme is ondertussen vele malen groter dan gelijk welke andere vorm van terreur. Voor het onderzoek, ga naar

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2019/hoe-youtube-rechtse-radicalisering-in-de-hand-werkt/

en

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/2019/radicalisering-youtube/

Als remedies overloopt Simon kunst, nieuws en wetenschap. Sedert fotoshopping is beeldmateriaal notoir onbetrouwbaar geworden. Kunst krijgt een nieuwe functie: in plaats van te focussen op waarheid – de ‘krietiese’ kunst van de seventies – kan ze ons helpen door bijvoorbeeld te laten zien hoe wij kijken. Nepnieuws moeten we niet alleen te lijf gaan met ‘fact checking’, maar wel met meer geld voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Voor gezagsvolle wetenschap verwijst Simon naar Popper, maar die is, wat mij betreft, achterhaald. Met zijn aanpak (falsificatie) blijf je uiteindelijk over met een grote berg Niets. Poppers verwittiging tegen De Ideale Samenleving op grond van wetenschap vind ik dan wel terecht. Een maatschappij baseer je in eerste instantie op ethische keuzes, waar je vervolgens wetenschap bij betrekt. Maar dan moet je dat wel doen, en daarbij is consensus tussen wetenschappers voor mij een meer dan afdoende argument om iets als een (weliswaar altijd voorlopige) waarheid aan te nemen (zie ook https://boekenblog.paulverhaeghe.com/cailin-oconnor-james-owen-weatherall/)

 

Coen Simon beschrijft zijn, beschrijft onze zoektocht naar houvast, nadat we God en klein pierke op de vrije markt gegooid hebben. Een zoektocht die best gebaseerd wordt op geduld en redelijkheid, met de nodige argwaan tegenover geestdrift. Een plotse omslag naar drift is gauw gemaakt, terwijl verandering stapsgewijs en dus traag verloopt. Hij mondt mooi uit bij Hannah Arendt die een pleidooi hield voor ‘[…] een nauwelijks te vatten, maar fundamenteel vertrouwen in het menselijke in alle mensen’.

 

Ik beken: ik heb het boekje met stijgend enthousiasme gelezen.

 

Coen Simon (2020)
Pleidooi tegen enthousiasme.
Amsterdam: De Bezige Bij, 94 pagina’s.
ISBN 978 94 031 8420 3

Nathalie Heinich

Nathalie Heinich
Wat onze identiteit niet is.

Een boek bespreken gewijd aan een onderwerp waar je zelf jaren geleden over gepubliceerd hebt (Identiteit verscheen in 2012) is een heikele zaak. Onvermijdelijk ga je vergelijkingen maken, genre ‘Dat schreef ik toen al’ en ‘Hier mist de auteur een mooie kans om…’ Het besef dat elk boek, dus ook de mijne, een origineel plagiaat is gebaseerd op andere auteurs, helpt tegen een steeds sluimerend narcisme.

Cultuursociologe Nathalie Heinich heeft een duidelijk doel: het verhelderen van het begrip identiteit, dat in se onduidelijk is en daarom zo makkelijk politiek misbruikt kan worden. Verheldering brengt ze door in zeven korte hoofdstukken uiteen te zetten wat identiteit niet is.

Het is geen links (identiteit van minderheidsgroepen) of rechts (dé nationale identiteit) begrip. ‘Ruitenwissersdenken’, zo beschrijft ze het misbruik dat sommige politici maken van het identiteitsbegrip (met accent op ruitenwissers, veel denken komt er niet aan te pas).

Het is geen objectief, vaststaand gegeven (de ‘essentalistische’ benadering) maar ook geen illusie (de postmoderne visie). Niet vaststaand, omdat identiteit gebaseerd is op verhalen, voortdurend verschuift en bovendien meervoudig is. Geen illusie, omdat ‘geconstrueerd’ geen synoniem is aan verzonnen of onecht. Een nationale identiteit is een gemeenschappelijke mentale voorstelling met reële, consistente effecten, gaande van taal tot voedingsgewoonten. Dat een dergelijke voorstelling samen met haar effecten historisch evolueert, maakt een dergelijke identiteit nog belangrijker, want daarmee staat ze open voor manipulatie. Een binaire visie (of feitelijk, of illusoir) op identiteit is te naïef (een binaire visie is altijd naïef).

Identiteit blijft niet beperkt tot een nationale identiteit (laat staan tot een regionale). Wat nationalisten nauwelijks beseffen is dat ‘hun’ identiteit niet ouder is dan de negentiende eeuw. Eigenlijk beseffen ze dat wel, want net daarom probeert elke nationalistische beweging haar oorsprong in een zo ver mogelijk maar altijd roemrijk verleden te leggen. Voor Nederland: de Bataven; voor België: Julius Caesar, met zijn opmerking in de openingsparagraaf van De Bello Gallico (‘Gallia est omnis divisa in partes tres, (…) Horum omnium fortissimi sunt Belgae’). Waarbij de Belgen altijd het vervolg van de zin vergeten: ‘Van al dezen zijn de Belgen de dappersten, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en fijnere beschaving van de provincia, naar hen slechts weinig kooplui reizen en zo door hun invoer (van artikelen) aanzetten tot verzwakte geesten.’

Identiteit valt niet te reduceren tot assimilatie of differentiatie, want ze is zowel individueel (ipse, ikzelf en dus verschillend van anderen) als groepsgebonden (idem, dus gelijk aan anderen).

Identiteit is niet twee-, laat staan eendimensionaal. Het meervoudige karakter (geslacht, familie, leeftijd, taal, religie, …) verklaart de evoluerende aard ervan (dochter/vrouw/moeder; jongere/senior; single/getrouwd, …). Vooral het binaire model is bedrieglijk. Het idee dat we een persoonlijke identiteit bezitten, nààst een sociale, ligt aan de basis van een hardnekkige illusie: dat individuen onafhankelijk van een maatschappij kunnen bestaan, met zelfs een tegenstelling tussen individu en samenleving. Elke identiteit is nauw verweven met de ander, en bij uitbreiding, met het maatschappelijke. Zelfs als ik wil ontsnappen aan de mij toegeschreven identiteiten (‘man’, ‘hoogleraar’, …), is mijn identiteit ten volle betrokken in een maatschappelijke wisselwerking. Zelfperceptie gaat altijd terug op perceptie van anderen, ook wanneer je deze afwijst.

In het laatste hoofdstuk lezen we op de eerste pagina wat identiteit wél is: ‘De uitkomst van het geheel van procédés waarmee een predicaat aan een object wordt toegekend.’ De sleutelwoorden van de definitie – uitkomst, geheel, procédés, predicaat, toegekend, object – licht ze toe in de vijf volgende pagina’s. Daarna kan de lezer eindelijk voor de spiegel gaan staan (‘Wie ben ik?’).

Kort, krachtig, genuanceerd, zo kan ik dit boek het best omschrijven. En stukken beter dan bijvoorbeeld Finkelkraut (Ongelukkige identiteit) of Fukuyama (Identity).

 

Nathalie Heinich (2019)
Wat onze identiteit niet is.
Amsterdam: Prometheus, 141 pagina’s.
ISBN 978 90 446 4173 8

 

 

 

 

Bas van Bavel

Bas van Bavel
De onzichtbare hand.
Hoe markteconomieën opkomen en neergaan.

 

Een van de betere manieren om te beseffen hoe wij, als individu maar ook als maatschappij, dezelfde processen herhalen, is een grondige studie van het verleden. Welke toekomst wacht onze door een vrijemarkteconomie gedomineerde samenleving? Dit boek (oorspronkelijk gepubliceerd in het Engels, door de prestigieuze Oxford University Press) zou wel eens een klassieker kunnen worden. Als historicus biedt van Bavel op grond van degelijk studiewerk een andere blik op de evolutie van marktsamenlevingen in het algemeen en op de onze in het bijzonder.

Inderdaad, marktsamenlevingen, in het meervoud. Dat is al een eerste originele bevinding waarmee dit boek ingaat tegen de dominante opvatting die het vrijemarktkapitalisme als een recent fenomeen van de industriële revolutie beschouwt. Klassiek wordt het ontstaan ervan gesitueerd begin negentiende eeuw, met een forse opgang in de twintigste. In de tweede helft van de vorige eeuw komt er een onwrikbaar geloof in de vrije markt, als bron van vooruitgang, vrijheid en democratie, op de koop toe gebaseerd op een zelfregulerend mechanisme, sedert Adam Smith bekend als ‘de onzichtbare hand’. Tot vandaag de dag gebruiken neoliberale politici dat verondersteld zelfregulerend mechanisme als argument om overheidsinterventies zoveel mogelijk af te schaffen.

De laatste decennia komt dit geloof in het gedrang door de opeenvolgende economische crisissen. De verklaring voor de crisissen kan twee richtingen uitgaan. Volgens de gelovigen zijn zij slechts tijdelijke rimpelingen die vanzelf zullen verdwijnen op voorwaarde dat we nog méér vrije markt installeren. Volgens de ketters zijn de crisissen het startpunt van het onvermijdelijke einde dat ingebakken ligt in het systeem, en moeten we het roer radicaal omgooien. Beide opvattingen gaan uit van een lineaire visie op de geschiedenis, de ene opwaarts, de andere bergaf, beiden even onafwendbaar.

Van Bavel toont aan dat marktsamenlevingen al veel langer bestaan dan de negentiende eeuw, en bovendien dat ze een cyclisch verloop kennen, van opgang, bloei, stagnering tot ondergang. Het cyclische verloop is meteen zijn tweede originele bijdrage tot de studie van het verband tussen economie, markt en maatschappij.

In een eerste hoofdstuk beschrijft de auteur de klassieke opvatting samen met zijn eigen stellingen. Daarbij is het onderscheid tussen ‘productmarkten’ (de alledaagse invulling van markt) en de pas later in de geschiedenis ontstane ‘factormarkten’ van belang. Op factormarkten worden de productiefactoren verhandeld, met name de middelen om goederen en diensten te produceren, zoals grond, arbeid en kapitaal. In traditionele samenlevingen blijven grond en kapitaal in de schoot van een familie of een organisatie, waarbinnen ook het leeuwenaandeel van de arbeid gebeurt. In doorgedreven marktsamenlevingen worden ze verhandeld. Belangrijk om weten is dat de regelgeving bij de handel in grond, arbeid en kapitaal een veel grotere impact op de samenleving heeft dan deze bij productmarkten. Afhankelijk van de aard en omvang van de regelgeving kan de impact van factormarkten zeer verschillend zijn. Bij wijze van voorbeeld: hoeveel interest is er toegelaten? Wat zijn de fiscale maatregelen? Welke tijdslimieten worden er opgelegd bij verkoop (tegenwoordig koopt en verkoopt men aandelen binnen de tijd van één seconde). Wijzigingen in dergelijke regelgevingen hebben een enorme invloed op de accumulatie van geld en bijgevolg op de maatschappij.

Dit wordt ten overvloede geïllustreerd in de daarop volgende hoofdstukken. Van Bavel toont aan dat marktecononomieën reeds lang voor het industriële tijdperk bestonden en dat we over voldoende data beschikken om ze aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen: het Irak van de achtste tot de dertiende eeuw, de Noord-Italiaanse stadstaten vlak voor en tijdens de Renaissance, de Lage Landen van de late middeleeuwen tot en met de Gouden Eeuw. Vervolgens vergelijkt hij deze vroege vormen van markteconomie met meer hedendaagse (Engeland in de periode 1500-1800, gevolgd door de VS 1800-1850 en ten slotte Noordwest-Europa vanaf 1950) met als doel na te gaan of hij ook daar gelijkaardige cylische bewegingen kan aantreffen.

De belangrijkste conclusie van dit boek zal ongetwijfeld bekend worden als ‘de cyclus van van Bavel’. Hij herkent in de door hem beschreven markteconomieën een telkens terugkerend verloop, van aanvankelijk positief, gevolgd door stagnatie en uiteindelijk negatief, waarna de cyclus zich herhaalt (zij het meestal elders). Het vernieuwende zit hem in de gedetailleerde analyse van het verloop, in de vaststelling dat dit reeds meerdere malen in de geschiedenis opgetreden is, en – natuurlijk – in de herkenbaarheid voor wat vandaag de dag bij ons bezig is.

De korte samenvatting van de cyclus geef ik graag weer in de bewoording van de auteur zelf: “(…) de oorspronkelijk zo positieve terugkoppelingscyclus van toenemende vrijheid, groeiende factormarkten en economische groei slaat om in een negatieve cyclus van toenemende maatschappelijke polarisatie, een toenemende verstoring van het marktevenwicht ten gunste van de belangen van de marktelites, en stagnatie van de economie, uiteindelijk gevolgd door relatieve of absolute achteruitgang.” (p.371). Een langere beschrijving geef ik in de volgende paragrafen.

De aanvangsperiode is uitdrukkelijk positief. Een feodaal tijdperk leidt tot maatschappelijke revolte, gevolgd door een samenleving met een hoge graad van zelforganisatie van gewone mensen. Dat leidt tot grotere vrijheid en grotere activiteit, met meer producten en dus ook meer handel. Voor van Bavel verklaart dit de positieve visie van Adam Smith in The Wealth of Nations (1776), want de studie van Smith betreft de ‘gunstige fase van de Engelse cyclus’. De markt zoals wij die kennen, vindt in die periode haar ontstaan, wat op zijn beurt de basis vormt voor de ontwikkeling van factormarkten. Het is deze positieve aanvangsperiode  die tot vandaag de dag gebruikt worden om ‘de’ vrijemarktsamenleving te verdedigen, waarbij er geen rekening gehouden wordt met de verdere evolutie. Na de mooie aanvangsfaze volgt er helaas een negatieve evolutie die men probeert op te lossen met nog meer vrije markt, in de illusie dat deze zichzelf zal corrigeren. Voorbij een bepaald punt verdwijnen de zelfcorrigerende mechanismen en gaat het steeds sneller de verkeerde richting uit. De oorzaak ligt in een uiterst belangrijke accentverschuiving: van productiemarkten naar factormarkten en dan vooral naar kapitaalmarkten. Kapitaal is niet langer een middel, maar wordt een doel.

De oorspronkelijke bedoeling van kapitaalmarkten (denk aan de eerste ‘beurs’) was het faciliteren van ondernemingen en dus van de productie en handel (kapitaal als middel).… Lees verder

Didier Eribon

Didier Eribon

Terugkeer naar Reims.

Op mijn twaalfde – we schrijven 1967 – moest ik als oudste zoon van een ongeletterde familie dik tegen mijn zin op kostschool. Ongeweten en ongewild was ik een onderdeel van de toenmalige sociale mobiliteit die West-Europa zou veranderen. Kinderen werden getest op hun schoolse intelligentie, waarna hun ouders advies kregen welke opleiding aansloot bij de mogelijkheden van hun spruit (bij mij werd dat Grieks-Latijnse). In terugblik besef ik dat de school waar ik naartoe gestuurd werd, vooral kinderen rekruteerde uit de lagere middenklasse: zonen van bakkers, beenhouwers, automechaniekers, schoenlappers. Een groep die elkaar herkende en die van huize uit de ambitie met de paplepel meegekregen had. Er waren ook een handvol boerenzonen en een nog kleiner aantal jongens uit het arbeidersmilieu. Na zes jaar bleven enkel de kinderen uit de middenklasse over, de anderen hadden onderweg afgehaakt. Wij gingen door, het merendeel deed universitaire studies, twee ervan werden zelfs hoogleraar. Het resultaat was dat ik mij als jongvolwassene nergens nog thuis voelde – mijn familie voelde niet meer als thuis, en de intellectuele kringen waarin ik mij bewoog, evenmin. Ik herinner mij nog het ongemakkelijk gevoel na mijn doctoraatsverdediging toen de aristocratische voorzitter van de jury een praatje ging maken met mijn ouders – zij spraken nauwelijks Nederlands. Nu, meer dan dertig jaar later, voel ik mij beschaamd over de schaamte die ik toen voelde. De juiste emotie zou dankbaarheid geweest zijn.

Het boek van Didier Eribon is een meesterwerk (en dus leest het niet altijd even makkelijk), zowel literair als inhoudelijk. Het biedt een terugblik op zijn geschiedenis en die van zijn oorspronkelijke sociale klasse. Als bonus krijg je een verklaring voor het huidige succes van het hedendaags nationaalsocialisme. Geboren in 1953 als zoon van arbeiders in Reims is hij een van de weinigen die, dankzij onderwijs én een paar mensen die in hem geloofden, uit die klasse is kunnen wegstappen. Weglopen is een betere omschrijving, want op jonge leeftijd breekt hij met zijn familie, hoofdzakelijk omwille van zijn homoseksuele geaardheid. Hij zal pas dertig jaar later, na de dood van zijn vader, terugkeren en vooral, terugblikken.

Door de lectuur van dit boek heb ik voor het eerst doorvoeld begrepen op welke sluipende manier uitsluitingsmechanismen werken en onder andere als gevolg hebben dat slechts weinig arbeiderskinderen hoger onderwijs volgen – ze haken ‘spontaan’ af. Ik herinner mij een medeleerling uit mijn eerste jaar Grieks-Latijnse, zoon van landarbeiders en duidelijk heel erg intelligent. Na de zomervakantie was hij verdwenen. Op mijn achttiende deed ik een vakantiejob in een fabriek en ontmoette hem opnieuw – hij had geen enkele studie afgewerkt en stond al twee jaar aan de lopende band. Ik begreep niet, echt niet, hoe dat kon. Nu begrijp ik het wel.

Beide ouders van Eribon combineerden twee jobs – de vader een in de fabriek en een daarbuiten, de moeder in de fabriek met het huishouden daar bovenop. Hard werken belette niet dat ze voortdurend vernederd en gebrutaliseerd werden, zeker de moeder – een halve eeuw voor #MeToo was seksueel misbruik schering en inslag. Ze stemden communist, zoals alle Franse arbeiders tot diep in de jaren zestig, niet omdat ze overtuigd communist waren, wel als protest tegen het onrecht dat ze dagelijks moesten ondergaan.

De tragiek wil dat een onzichtbaar sociaal reproductiesysteem hun kinderen in hetzelfde gareel dwong. Het onderwijs weerde hen – ook vandaag de dag zijn er nog leerkrachten én scholen die kinderen uit de lagere sociale klasse het ‘advies’ geven om toch maar beroepsonderwijs te volgen. In het gunstige geval waar leerkrachten en scholen emanciperend te werk willen gaan, botsen ze op weerstand bij de kinderen (en hun ouders), die aan zelfselectie doen. De mogelijkheid om onderwijs te kunnen volgen, berust niet alleen op de intelligentie van het kind, maar ook en zelfs vooral op de steun bij en aandacht voor onderwijs in het thuismilieu, en op de sociale vaardigheden en omgangsvormen die het kind met zijn opvoeding meekrijgt. Dat alles maakt dat het zich ‘thuis’ voelt tussen de andere leerlingen. Of niet, waarna er in veel gevallen zelfeliminatie volgt. De kleren die je draagt, de taal die je gebruikt, de onderwerpen waarover je praat, de kennis die je van thuis meebrengt: als die niet sporen met de groep, dan lig je eruit; of hou je de eer aan jezelf en stap je er zelf uit.

Zijn homoseksuele geaardheid maakte Eribon tot een buitenbeentje in zijn eigen sociale klasse – homo zijn in Frankrijk in het algemeen en in het arbeidersmilieu van de jaren zestig in het bijzonder, je wil het niet meemaken. Op school was het zijn sociale klasse die hem tot outcast maakte.  Ik beeld mij in dat hij zich in de klas net iets minder vreemd voelde dan thuis, daardoor tegen alle verwachtingen in toch zijn diploma behaalde en naar Parijs kon vertrekken. Net zoals vele jongvolwassen homo’s begint hij in de grootstad een nieuw leven. Zijn intelligentie wordt opgemerkt en snel verwerft hij een plaats als journalist. Nog later studeert hij filosofie en sociologie en wordt hij een gevierd academicus.

Jarenlang blijft hij ervan overtuigd dat hij als kind verworpen werd omwille van zijn homoseksualiteit, en dat het hem een half leven gekost heeft om zich van die opgelegde inferieure positie los te maken. Op zijn zestigste beseft hij dat dit maar de helft van het verhaal is, misschien zelfs de minst belangrijke helft. Als zoon van niet-geschoolde arbeiders heeft hij zich even hard moeten bevrijden van de hem opgelegde identiteit onderaan de ladder. Naar buiten treden als homo in Parijs zal ongetwijfeld aangevoeld hebben als een bevrijding. De andere kant van wie hij is, blijft hij dertig jaar angstvallig verbergen. Voorbij de leeftijd van vijftig komt hij tot de pijnlijke vaststelling dat zijn vrienden en collega’s nauwelijks iets weten over zijn afkomst, omdat hij zijn eigen verhaal zorgvuldig verzwegen heeft op grond van diepe schaamte. Het schrijven van dit boek is een andere vorm van ‘uit de kast komen’.

Dertig jaar nadat hij zijn familie ontvlucht is, zoekt hij hen terug op.… Lees verder

Géraldine Schwarz

 

Géraldine Schwarz

De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme.

 

Na de lectuur van de twee vorige boeken (Van Duppen en Hoebeke; Bregman) komt het werk van Géraldine Schwarz toch wel als een koude douche. Slechts weinig mensen deugen in tijden van beproeving, mensen kunnen supersamenwerkers worden voor heel verkeerde dingen, en vooral: mensen zijn o zo beïnvloedbaar. Op grond vaneen persoonlijk motief – Schwarz is de dochter van een Duitse vader en een Franse moeder, beiden kort na WO II geboren – onderzoekt zij hoe haar Duitse en Franse familie, en ruimer, hoe Duitsland en Frankrijk, Italië en Oostenrijk hun oorlogsgeschiedenis verwerkt hebben. Bij de vertaling van het boek heeft de schrijfster een hoofdstuk over Nederland toegevoegd – haar zus was ondertussen getrouwd met een Nederlandse man, waardoor de familie Duits-Frans-Nederlands werd.

Het korte antwoord op de vraag naar de verwerking van de oorlogsgeschiedenis luidt:  veel te weinig en veel te laat. Het langere antwoord toont op welke manier en in welke mate zowel gewone mensen als overheidsinstanties (ja, ook in Frankrijk, en verrassend genoeg, zelfs in Nederland waar procentueel het hoogst aantal Joodse slachtoffers viel) meegewerkt hebben met de Nazi’s, en hoe ze dit decennia lang ontkend hebben.

Het is een bittere pil om slikken: mensen zoals u en ik zijn in staat een gruwelijk beleid toe te laten, er zelfs actief aan mee te werken, en gaan dat nadien ontkennen of vergoelijken. Schwarz toont minutieus aan hoe het gif van volksmenners vanaf de jaren dertig geleidelijk de geesten overnam, door aanvallen op de vrije pers (‘Lugenpresse’), op de universiteiten en op rechters. Hoe de nazi’s doelbewust uittestten hoe ver ze konden gaan (het begon met het uitmoorden van gehandicapten, gecamoufleerd als ‘genadedood’, het eindigde met de holocaust en het afslachten van een burgerbevolking in Rusland).  Pers, universiteiten en rechters waren onderweg al monddood gemaakt (vaak ook gewoon dood).

De schrijfster neemt uitdrukkelijk een ethisch standpunt in dat we al bij Sophocles’ “Antigone” vinden (Antigone begroef haar broer ondanks een wettelijk verbod): er is een hogere wet die de wet van de ‘polis’ of de staat overstijgt, zeker als beleidsvoerders wetten herschrijven waardoor misdaden gelegaliseerd worden. Weigeren mee te werken aan een dergelijk beleid is het minimum minimorum, actieve burgerlijke ongehoorzaamheid is beter. Uit haar relaas blijkt bovendien dat dit zelden bestraft werd. Maar ook dat slechts een minderheid verzet aantekende, in Duitsland, Oostenrijk, Frankrijk, Nederland en Italië (Bulgarije was toonaangevend in de weigering Joodse burgers uit te leveren). De overgrote meerderheid werden simpelweg meelopers, die vaak al gehoorzaamden vooraleer er een duidelijk bevel geformuleerd werd en  hielpen op die manier mee aan de steeds groter wordende onmenselijkheid.

Tegenwoordig heeft ongeveer iedereen het geloof verloren in de traditionele politieke partijen. De verklaring daarvoor is makkelijk te formuleren: de voorbije regeringen doen niet langer aan politiek in functie van hun kiezers, ze voeren een economisch beleid in functie van een kleine minderheid. Het gevolg is dat steeds meer mensen sympathie krijgen voor ultrarechtse, nationalistische partijen die een andere, meer ‘nationaal-socialistische’ aanpak beloven, zij het zonder het gebruik van die vlag en al helemaal zonder sociaal te zijn. Ik kan alleen maar hopen dat veel mensen dit boek zullen lezen, want naast het geloof in ‘de’ politiek zijn we ook ons geheugen verloren. Dit boek is een meer dan noodzakelijke wake up call.

Hieronder geef ik een aantal citaten uit ‘De geheugenlozen’. De vergelijking met het heden laat ik aan de intelligentie van de lezer over.

“(…) en toen de bezittende klasse doorkreeg dat Hitler de sociale orde niet omver zou werpen, steunde ze hem zonder aarzelen. Wat toegang tot (hoger) onderwijs betreft ondernam het regime niets om de sociale reproductie te doorbreken, en in de bedrijven bevoorrechtte het de werkgevers ten nadele van de werknemers: cao-regelingen, contractvrijheid en stakingsrecht werden afgeschaft, terwijl de vakbonden kapotgemaakt, hun bezittingen in beslag genomen en hun leiders gevangengenomen werden, (…) .” (Pp. 113-114).

“Door de filter van de nationaalsocialistische censuur was de kwaliteit van de cultuurprogramma’s aanzienlijk achteruitgaan, maar ter compensatie bood de staat een grote waaier ontspanningsactiviteiten aan (….). Het streefdoel was allerminst sociaal, maar ideologisch: de ban met de Volksgemeinschaft en daarmee ook met de Führer en de staat versterken.” (Pp. 115-116).

“Hitler had de Frauenemanzipation, die volgens hem ‘slechts een door het joodse intellect uitgevonden woord’ was, de oorlog verklaard.” (p.121).

“Meer in het algemeen voelde de conservatieve en hoogopgeleide elite zich aangesproken door de antisocialistische en antidemocratische toon van de Führer (…).” (p.123).

“Er is in ons leven een grens voorbij welke we niet meer mogen meedoen (…) dat is de basis van iedere ethiek en ieder recht.” (p.149).

“De Duitse president (Richard von Weisacker) eindigde zijn toespraak (in 1985) met: ‘we leren uit onze eigen geschiedenis waartoe de mens in staat is. Daarom moeten we ons niet inbeelden dat we als mens nu anders en beter zouden zijn geworden.'” (p.251).

“Door te geloven dat toegeven bij kleine dingen geen gevolgen heeft. Uiteindelijk wordt het een opeenstapeling, kleinigheid op kleinigheid, compromis op compromis. Je komt op een kruising tussen goed en kwaad te staan. Je aanvaardt, je aanvaardt. Je wijkt voor jezelf. Je vergeet de mens die je bent geweest, de mens die je zou moeten zijn. Je houdt jezelf voor een toeschouwer te zijn, terwijl je allang hoofdrolspeler bent. En als vanzelf aanvaard je het onherstelbare.” (p.282).

“Ik (Chris Dutilh, vrijwilliger bij het Nederlandse Verzetsmuseum) probeer jongeren bij te brengen dat je altijd de keuze hebt om verzet te plegen en niet te zwichten, maar dat dat moed vergt en een morele ethiek, en ik spoor hen aan die ethiek nu al te ontwikkelen door met anderen van gedachten te wisselen en boeken te lezen.” (Pp. 401-402).

“(…) Thierry Baudet (voor de Vlaamse lezer: denk aan Theo Francken cum suis) maakt gebruik van de klassieke retoriek van de populisten van vroeger en vandaag: hij zwaait met de dreiging van de ondergang van het land, jut de kiezers op tegen de journalisten, de academici, de traditionele politici, de Europese Unie en de klassieke zondebokken: de immigranten.… Lees verder

Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke
Rutger Bregman

 

 Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke

De supersamenwerker

 

Rutger Bregman

De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens.

Korte dagen, lange avonden, dus tijd voor een luie stoel onder de leeslamp, een glas wijn en een feel good-boek. Ik heb er twee en bespreek ze samen, eenvoudigweg omdat ze bij elkaar horen. Ze behandelen hetzelfde onderwerp (de wetenschappelijke onderbouwing van solidariteit en empathie) vanuit een verschillende invalshoek (natuurwetenschappelijk; menswetenschappelijk), ze hebben hetzelfde doel (het naar voren schuiven van een correcter mensbeeld), ze komen tot gelijkaardige conclusies, zij het met verschillende accenten (politiek-maatschappelijk; ontologisch-beschouwend).  Kortom, ze vullen elkaar mooi aan.

Beide werken zijn geschreven vanuit een persoonlijke missie. Dirk Van Duppen behoort tot de linkse PVDA en werkt sinds jaar en dag als arts bij Geneeskunde voor het Volk, zie https://www.humo.be/humo-archief/405975/dirk-van-duppen-het-grote-afscheidsinterview-voor-farmabedrijven-is-een-levensjaar-50-000-euro-waard; biochemicus Johan Hoebeke is eveneens lid van de PVDA en gewezen onderzoeksleider aan het Centre National de Recherche Scientifique (Frankrijk). Rutger Bregman is de zoon van een dominee en kreeg zowel kritisch nadenken als predikantschap met de paplepel mee. Beide boeken illustreren hoe wetenschap nooit neutraal kan zijn (maar wel objectief moet blijven). Alleen al de keuze van het onderwerp en de bijbehorende onderzoeksvragen hebben een sturend effect. Mensen uit neoliberale thinktanks zullen solidariteit nooit op hun onderzoeksagenda plaatsen, zij focussen op concurrentie.

De supersamenwerker dateert van 2016 en kreeg aanvankelijk weinig aandacht. Marxisme en ultralinks zitten tegenwoordig in het verdomhoekje. Ondertussen is er een vierde druk. De meeste mensen deugen werd reeds voor de publicatie de hemel in geprezen en kende binnen de kortste keren meerdere herdrukken. Beide boeken krijgen aanbevelingen van een rij prestigieuze professoren, met als opvallend verschil dat er bij De supersamenwerker zes tot de top behoren van de natuurwetenschappen. Het cliché dat natuurwetenschappers ‘rechts’ zouden zijn, vindt hier alvast geen bevestiging.

Ook een ander cliché gaat voor de bijl. In het Westen zijn wij er al eeuwenlang van overtuigd dat de mens (vooral de andere mens) door en door slecht is, en dat vanaf de geboorte; zonder strenge opvoeding en centraal gezag komt er ‘oorlog van allen tegen allen’ (Hobbes). In de vorige eeuw werd dat nog eens wetenschappelijk bevestigd ook, denk maar aan Milgram (de beul in ons) en Dawkins (Het zelfzuchtige gen). Confess, confess! Na het lezen van deze boeken kijk je op een andere manier in de spiegel: je ziet een in se zachtaardig wezen dat zich vooral goed voelt bij geven en krijgen en pas gewelddadig wordt na serieuze aanporring. Research van pakweg de laatste vijftien jaar weerlegt tweeduizend jaar zelfhaat en ontmaskert en passant heel wat slecht onderzoek.

De supersamenwerker bestaat uit twee delen, een wetenschappelijk-onderzoeksmatig en een historisch-wetenschappelijk. Het eerste deel bundelt research uit onder andere neurowetenschappen, experimentele evolutionaire psychologie en paleoantropologie. Het tweede deel bespreekt de geschiedenis van de manier waarop we naar onszelf kijken. Het gemeenschappelijke onderwerp van het geheel betreft intermenselijke verhoudingen, met accent op samenwerking.

‘Waarom wij samenwerken’, het eerste deel, is een bijzonder geslaagde weergave van heel veel recent onderzoek. Er is een uitvoerig notenapparaat waar een kritische lezer de bronnen kan natrekken (die zijn erg overtuigend). Wie een voorkeur heeft voor natuurwetenschappen komt ruim aan zijn trekken in de hoofdstukken over neurologie en evolutieleer, waaruit blijkt dat anderen helpen, empathie en altruïsme in onze biologische make-up ingebakken liggen. De ontdekkingen van de voorbije decennia zijn fascinerend, gaande van spiegelneuronen, oxytocine (het knuffelhormoon), over nervus vagus tot prosociaal gedrag bij kleuters –  veel te veel om hier op te sommen. Peuters vertonen spontaan help- en deelgedrag, maar wanneer ouders hen daarvoor belonen, doet dit het gedrag afnemen. Extrinsieke motivatie kan een intrinsieke motivatie om zeep helpen (bonussen, iemand?). Een andere, ondertussen dankzij Frans de Waal bekende vaststelling is dat alle sociale dieren zeer negatief reageren op oneerlijke verdelingen. De recente wereldwijde golf van straatprotesten tegen ongelijkheid toont hoe dit ook voor Homo sapiens geldt.

De mens heeft een goede inborst, maar wat dan met onze negatieve kanten? De omgeving selecteert overwegend voor alles wat samenwerking inhoudt, maar kan ook het zelfzuchtige in het individu bevorderen. Blijkbaar werkt zoiets zelfbestendigend, want hoe meer iemand bezit, hoe minder hij wil delen. Zelfs in het verkeer zijn er opvallende verschillen: chauffeurs van dure auto’s houden zich minder aan de regels en vertonen meer asociaal gedrag dan mensen met een gewone wagen. Wie nu mocht denken dat dergelijke chauffeurs andere genen hebben – de alfa male! –  vergist zich: plaats iemand langere tijd in een positie van machtshebber en hij of zij zal dit soort gedrag vertonen (meteen een belangrijk argument om niemand al te lang in zo’n positie te houden). Ons gedrag wordt bepaald door de combinatie sociale positie & omgeving.

Een reëel risico voor goed samenleven is de vaststelling dat wij van kindsbeen af een voorkeur hebben voor onze ‘ingroup’, en afstand houden van de ‘outgroup’. Risico, omdat dit de deur wagenwijd openzet voor manipulatie en conflicten op groepsniveau, tot (burger)oorlog toe. Tonnen sociaalpsychologisch onderzoek tonen hoe makkelijk wij te manipuleren zijn. Opvallend: groepsvorming gebeurt niet op grond van aangeboren kenmerken (het volstaat een groep in twee helften te verdelen en elke groep een t-shirt aan te trekken met een verschillend kleur), en groepsvorming gaat niet automatisch een vijandige richting uit (maar kan makkelijk in die richting geduwd worden). De politieke implicaties van dergelijke vaststellingen liggen voor de hand. Hebben we verbindende of mensen-tegen-elkaar-opzettende politici? Ruimer: hoe kunnen we een samenleving organiseren die het beste in ons naar boven haalt? Dit kan een nieuwe betekenis geven aan het woord ‘excelleren’ dat tegenwoordig te pas en vooral te onpas gebruikt wordt: excelleren in samenleven, in plaats van excelleren ten koste van de ander.

Het tweede deel, ‘De geschiedenis van het denken over samenwerking’ blijft voor een flink stuk putten uit de natuurwetenschappen, met een accent op genetica, evolutietheorie en zelfs op wat we weten over het ontstaan van het leven op zich. In dit deel tonen de auteurs aan hoe wetenschappelijke gegevens misbruikt kunnen worden om onethische praktijken te rechtvaardigen door hen te voorzien van een pseudowetenschappelijke onderbouw.… Lees verder

Frans de Waal

Frans de Waal

Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.

Biologie heb ik pas in mijn eerste jaar universiteit ontdekt, toen ik onderwijs kreeg van wijlen professor Hublé (https://www.ugentmemorie.be/personen/huble-jan-1923-2009). Zijn colleges waren een verademing tussen de toenmalige gortdroge psychologie- en pedagogiekvakken. Na mijn studies woonde ik vijftien jaar op een boerderijtje waar mijn kinderen opgroeiden tussen andere dieren – biologie-in-de-praktijk dus. Ik kijk nog altijd met plezier terug op mijn geitenwollensokkenperiode.

Frans de Waal is een even begenadigde verteller als Hublé en een wetenschapper om u tegen te zeggen. Met zijn onderzoek heeft hij niet alleen onze blik op dieren grondig gewijzigd, hij verplicht ons ook tot een grondige herziening van ons zelfbeeld. In zijn boeken veegt hij de vloer aan met twee misvattingen: dat dieren gevoelloze wezens zouden zijn én dat de mens rationeel functioneert. Alle dieren hebben emoties en bij het Homo sapiens-dier is rationaliteit slechts een dunne korst boven een kolkende binnenkant, gaande van angst en haat tot geilheid en liefde. Sterker nog: rationele kennis heeft alleen maar impact als ze emotioneel onderbouwd is.

Nu we toch bezig zijn, kunnen we nog een derde miskleun uit de wereld helpen: de illusie van het autonome BV-Ik, geruggesteund door een psychologie die nog altijd niet door heeft dat mensen tot de sociale diersoorten behoren. Onze gedragingen en gedachten hebben slechts een betekenis en een functie in verhouding tot anderen, desnoods een denkbeeldige ander. Psychologie is altijd sociale psychologie.

Overigens vormde de ontkenning dat dieren emoties vertonen geen enkel beletsel om tot een paar decennia terug chimpansees als oorlogszuchtige monsters te beschrijven – de ‘killer ape’ – én bovendien meteen de parallel te trekken met de mens. Wij hebben al eeuwenlang een uiterst negatief zelfbeeld – zondig, wellustig, moorddadig – wat ‘wetenschappelijk’ onderbouwd werd door onze slechte inborst te verklaren met een verwijzing naar ‘het beest’ in de mens.

Dergelijke vooroordelen zijn door en door fout. de Waal beschrijft hoe sociale dieren bijna het volledige gamma van emoties vertonen, zowel helpende als egoïstische, zowel liefdevolle als agressieve. Lachen en fronsen, empathie en sympathie, maar ook schaamte en schuldgevoel, machtswellust en wraak komen in afzonderlijke hoofdstukken aan bod, vol prachtige verhalen met voor dierenliefhebbers zeer herkenbare beelden. Het openingshoofdstuk (waar de titel van het boek naar verwijst) is ontroerend mooi: een oude man neemt afscheid van een stervende oude vrouw – ontroerend, ook al omdat het de stervende vrouw is die de man geruststelt.

De vrouw is een chimpansee, de man een hoogleraar biologie, je kan het hier bekijken (en meteen hoor je ook de Waal):

https://www.youtube.com/watch?v=1wEl8gNxWuk

Het laatste stuk van de titel ‘en wat ze zeggen over onszelf’ verwijst naar de kernboodschap van dit boek. Wij zijn zo behept met wie we denken te zijn dat we zelfs in dieren een bevestiging proberen te vinden van eigen angsten en verlangens. Wie een pessimistisch mensbeeld heeft, herkent een nauwe verwantschap tussen Homo sapiens en agressieve chimpansees. Optimisten herkennen zichzelf liever in de bonobo’s, met wie we genetisch even nauw verwant zijn, waar vrouwen de groep leiden en alle conflicten een oplossing vinden in seks (allen daarheen!). Zoals altijd is de waarheid een stuk complexer. Wat de Waal beschrijft, is dat sociale diersoorten zowel liefdevol als agressief uit de hoek kunnen komen, dat ze helpen maar ook pesten, dat ze troosten maar ook kwetsen. Het boek bulkt van de anekdotes, telkens als illustratie van degelijk onderzoek. Ter illustratie:

  • Feel good-experiment: een rat ontdekt een andere rat in een afgesloten bokaal, bevrijdt die spontaan en toont pas daarna belangstelling voor een tweede bokaal met daarin haar lievelingsvoedsel. Het wordt nog straffer. Wanneer dezelfde rat psychofarmaca (genre prozac) toegediend krijgt, toont ze geen belangstelling meer voor haar gevangen soortgenoot en gaat ze uitsluitend voor de chocoladechips! Ik vermoed dat bepaalde politici antidepressiva slikken, afgaande op hun weigering om mensen te helpen en hun voorkeur voor eigen-snoep-eerst.
  • Maffiosi: in Bali hebben Java-apen geleerd toeristen te bestelen en het gestolen goed (meestal een smartphone) pas terug te geven in ruil voor minstens een volledige zak pinda’s.
  • Pestkoppen: jonge chimpansees die zich (in gevangenschap) te pletter vervelen, lokken kippen met broodkruimels tot vlak bij de afsluiting en geven ze dan een mep met een stok.
  • Vakbondsleden: mensapen die ervoor zorgen dat hun ‘collega’s’ dezelfde beloning krijgen voor hetzelfde ‘werk’ als zijzelf.

Het besluit van het boek is hoopvol: ondanks een aantal ‘kleinmenselijke’ neigingen zijn de meeste primaten vooral gericht op samenwerking, en niet op zelfzuchtigheid (het volgende boek dat ik bespreek, draagt als titel De supersamenwerker).

Tot slot: verrassend genoeg maakt de Waal bij dieren hetzelfde onderscheid tussen emoties en gevoelens als ik in Intimiteit deed bij mensen. Emoties (in mijn jargon: ‘affecten’) zijn lichamelijke processen die grotendeels buiten ons bewustzijn om verlopen. Ze staan los van taal maar hebben een hoge communicatieve functie. Sociale dieren reageren veel sneller op iemands emoties dan op wat iemand zegt of doet, wat betekent dat ze zeer belangrijk zijn voor de manier waarop we keuzes maken. Wanneer we emoties niet bewust ervaren, zullen onze keuzes nauwelijks echte keuzes zijn. In het geval we onze en/of andermans emoties bewust (h)erkennen, worden het gevoelens, met als gevolg dat er meer keuzevrijheid komt. Op de allerlaatste bladzijde formuleert hij dezelfde conclusie als deze van Intimiteit: bewustwording van affecten zou wel eens de beste manier kunnen zijn om ermee om te gaan. Zeg dat de Waal het (ook) gezegd heeft.

Frans de Waal (2019)
Mama’s laatste omhelzing. Over emoties bij dieren en wat ze zeggen over onszelf.
Uitgeverij Atlas Contact, 366 pagina’s.
ISBN 978 90 450 3429 4

Jelmer Mommers

Jelmer Mommers
Hoe gaan we dit uitleggen? 
Onze toekomst op een steeds warmere aarde.

Jelmer Mommers behoort tot een ras waar ik van hou: de gedreven onderzoeksjournalisten die zich vastbijten in een onderwerp en daar vervolgens een toegankelijk én genuanceerd verhaal over neerpennen.

Waarom ik zijn boek zo goed vind? Omdat het een antwoord biedt op een van de meest ondraaglijke gevoelens die ik ken: machteloosheid. De berichten over de klimaatverandering zijn ondertussen zo onheilspellend dat ontkennen alleen nog weggelegd is voor idioten en politici in dienst van economische molochs. Terzelfdertijd voelen we ons machteloos, zeker als we moeten vaststellen dat de Belgische overheid doet alsof er geen vuiltje aan de lucht is, en op het politieke toneel narcisten zoals een Trump en een Johnson het mooie (?) weer maken. Daar sta je dan, met de fiets in de hand en je boodschappentas vol lokaal geteelde groenten en fruit – als het een bakfiets is, loop je in Vlaanderen nog het risico voor ‘elitair’ uitgescholden te worden ook.
Machteloosheid ervaren we wanneer we passief moeten toekijken op dingen die een ernstige bedreiging inhouden – terzijde: dit is een klassieker bij het ontstaan van een traumatische stressstoornis. De beste verdediging is een switch naar een actieve houding. Je zal je stukken beter voelen, en dat is nog meer het geval wanneer je dat samen met anderen doet. Dit boek kan daarbij helpen. Eens je het uit hebt, ben je overtuigd van twee zaken. Eén: de klimaatverandering is een nog grotere bedreiging dan je al vermoedde. Twee: er is een uitweg, op grond van collectieve en individuele inspanningen waar je zelf toe kunt bijdragen.

Het boek bestaat uit drie delen. In het eerste deel vertelt de auteur waarom de klimaatverandering inderdaad een bedreiging is, en dit op grond van vijf jaar studiewerk. Vrolijk word je er niet van. In zijn woorden: ‘Het eerlijke verhaal is dat we ongelofelijk diep in de shit zitten.’
De titel van deel twee luidt: ‘Waar gaat het heen?’ Het korte antwoord luidt ofwel naar ‘muren’ (Fort Europa met onze versie van Trumps muur erom heen), ofwel naar ‘bossen’. Het eerste scenario komt neer op een wanhopig proberen vast te houden aan wat toch onherroepelijk verdwijnt; het tweede houdt een evolutie in naar een andere maatschappij.
Het goede nieuws is dat het tweede scenario, waarin we een keuze maken voor een omslag op vlak van energie, landbouw en economie, een realistisch scenario is, zelfs met onze hedendaagse technische mogelijkheden (dat laatste wist ik niet). Een dergelijke omslag impliceert zowel actief ondernemende burgers als een sturende overheid die samen hetzelfde doel nastreven.
Veel lezers knikken nu begrijpend maar denken hoofdschuddend dat een dergelijke omslag er toch niet komt. Daarmee illustreren ze wat Molmers als het allerbelangrijkste obstakel beschouwt: ons o zo negatief zelf- en wereldbeeld. De overtuiging dat alle mensen egoïsten zijn met een ingebakken afkeer voor samenwerking, dat iedereen slechts eigenbelang nastreeft, zit er zo diep ingehamerd dat we het als waarheid beschouwen en er ons ook naar gedragen. Meestal combineren we deze overtuiging met een tweede: dat de overheid en de industrie (‘het systeem’) alleen maar samengesteld zijn uit kwaadaardige sujetten die enkel hun aandelen, c.q. hun populariteit in het oog houden. Recente, wetenschappelijk onderbouwde boeken zoals De supersamenwerker geschreven door Dirk Van Duppen & Jan Hoebeke, en De meeste mensen deugen van  Rutger Bregman, tonen hoe het moreel goede en de wil tot samenwerken ook deel uitmaken van wie de mens is.

Daarmee belanden we bij het derde en belangrijkste deel van het boek,’Wat kunnen we doen?’ Het korte antwoord luidt: veel meer dan je denkt. Verrassend genoeg volgt er geen pleidooi voor ‘minder’ (wat meestal de algemene teneur is,  genre  ‘We zullen moeten inleveren’, ‘De omslag zal banen kosten’), wel een pleidooi voor anders en beter.
Een van zijn sterkste argumenten komt uit onverwachte hoek, met name uit economische studies. ‘De ene analyse na de andere laat zien dat een transformatie naar ware duurzaamheid een bron is van miljoenen nieuwe banen, lagere ziektekosten, minder klimaatschade en groeiende inkomens.’ Veel mensen zijn ervan overtuigd dat economie en geld over ‘alles’ beslissen. Als dat het geval is, dan is de toekomst van een duurzame economie verzekerd, en blijkbaar neemt dat besef toe (er zijn onder Trump al meer kolenmijnen gesloten dan onder Obama).
Toch gaat de verandering traag, en de belangrijkste verklaring vindt Molmers bij overheden die onder invloed van lobbyisten uit de olie- en gassector een status quo willen behouden. Het doordrukken van de noodzakelijke veranderingen wordt ‘het gevecht van de eeuw’. ‘Gevecht’ roept betogingen op met straatrellen, maar Molmers benadrukt twee andere plaatsen: de rechtbank en de beurs.

Straatgevechten zijn spectaculair zichtbaar, juridische gevechten nauwelijks en dat is jammer, want de effecten van een juridische uitspraak hebben meer draagkracht. Burgers die een proces aanspannen tegen de overheid wegens ‘schuldig verzuim’ kunnen een overheid ertoe verplichten van koers te veranderen. Dergelijke processen lopen ondertusen in meer dan twintig landen. Zo werd Nederland in 2015 op grond van een juridisch vonnis verplicht de uitstoot van broeikasgassen met 20% te doen dalen tegen 2020; de Nederlandse staat ging in beroep, in 2018 werd het proces overgedaan en was de veroordeling zo mogelijk nog strenger! De kans dat we hetzelfde in België meemaken, is reëel, zoals hoogleraar milieukunde Pieter Leroy voorspelt  in DS d.d. 19 oktober, zie https://www.standaard.be/cnt/dmf20191018_04670928?articlehash=D8ACF3FB3BC6E0F0F0A3E397F18F0085B2579F7B99EB418DA53BBCBBEF3140995B42E69BEEB0E35B268E585F9078BA6C581EDED8A31535376F79FC80860BF193. Vergelijkbare processen lopen ondertussen tegen multinationals, net zoals indertijd tegen de tabaksindustrie. Op grond van eigen onderzoek was Shell eind vorige eeuw al op de hoogte van de klimaatverandering. Exxon ook en startte vervolgens een campagne om dit verborgen houden. De kans dat zij straks veroordeeld worden, is alles behalve denkbeeldig.

Terzijde even een politicologische noot: de impact van juridische uitspraken die ingaan tegen een (steeds tijdelijk aan de macht zijnde) regering illustreert hoe belangrijk de scheiding der machten is (zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Trias_politica). We hebben een van de regering onafhankelijke rechtspraak nodig, om de waan van de dag te onderwerpen aan de ‘checks and balances’ van de hoogste gerechtsorganen.… Lees verder

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall

Cailin O’Connor & James Owen Weatherall
The misinformation age. How false beliefs spread.

 

Ik had mezelf voorgenomen enkel Nederlandstalige boeken te bespreken, maar voor dit werk moet ik wel een uitzondering maken. Wat deze twee Amerikaanse onderzoekers vertellen, is ontzettend belangrijk voor onze tijd. Ze behandelen twee onderwerpen: foutieve wetenschappelijke informatie (‘fake science’) en de verspreiding daarvan. De kans dat het boek vertaald wordt is klein, daarom licht ik de inhoud grondiger toe, met accent op de ‘misinformation’ en minder op de ‘spreading’. Kort over dat laatste: de auteurs gebruiken computermodellen om te onderzoeken hoe wetenschappelijk verkeerde informatie zelfs bij wetenschappers ingang vindt.

Hun eerste onderwerp – desinformatie – is in deze Donald Trump- en Boris Johnsontijden cruciaal. Aan de hand van drie goed gedocumenteerde voorbeelden tonen de auteurs aan op welke manier correcte informatie uit de natuurwetenschappen in het recente verleden verdacht werd gemaakt en hoe politiek-economische groepen het grote publiek op een misdadige manier hebben misleid of probeerden te misleiden, puur uit commerciële overwegingen.

Het eerste voorbeeld (het effect van roken op de gezondheid) is overbekend, onder andere dankzij de uitstekende documentaire ‘Merchants of doubt’ (‘verkopers van twijfel’, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Merchants_of_Doubt).  De twee andere zijn ondertussen bijna vergeten: CFK’s en hun effect op de ozonlaag; zure regen en de aantasting van bossen.

De manier waarop de Amerikaanse tabakslobby gedurende een halve eeuw doelbewust de dodelijke effecten van nicotine verborgen hield, is een schoolvoorbeeld van ronduit misdadige ‘fake science’. De tabaksgiganten kenden het verband tusen kanker en roken vanaf 1953, waarop ze een systematische strategie ontwikkelden om bona fide onderzoeksresultaten te betwisten. Hun tactiek was simpel: de beste manier om wetenschap te bevechten is door er nog meer wetenschap tegenaan te gooien. In een memo van de tabaksindustrie kan je het volgende lezen: ‘Ons product is het zaaien van twijfel, want dat is de beste manier om de overtuiging van het publiek aan het wankelen te brengen.’ In de praktijk gaven ze tonnen geld uit aan ‘wetenschappelijk’ onderzoek, waaruit – o verrassing ! – telkens opnieuw bleek dat er geen harde bewijzen waren voor bijvoorbeeld het verslavend effect van nicotine of voor het verband tussen roken en longkanker. Onafhankelijke onderzoekers die het tegenovergestelde bewezen op grond van échte research, werden systematisch aangevallen door bijvoorbeeld zwakkere punten in hun resultaten massaal uit te vergroten, en vervolgens hun volledig onderzoek in twijfel te trekken. De tabakslobby speelde ook op de man: intieme zaken uit het privé-leven van onderzoekers kwamen ‘toevallig’ in de pers. Daarnaast werden psychologische labo’s rijkelijk betaald om strategieën te ontwikkelen ter bevordering van het roken, door bijvoorbeeld een sigaret te associëren met gewenste gendermodellen (de Marlboro man; de vrijgevochten vrouw) en door politieke ideeën te misbruiken, genre: “Het is uw vrijheid om te beslissen te roken, laat u dat niet afnemen! Een overheid die afradingscampagnes organiseert, is betuttelend en dus een slechte overheid!”

In 2000 keerde het tij. Dankzij klokkenluiders uit de tabaksindustrie en volhardende wetenschappers werden vijf Amerikaanse tabaksproducenten veroordeeld tot gigantische boetes. Tijdens het proces kwamen hun kwalijke praktijken aan het licht, de publieke opinie heeft zich ondertussen grotendeels tegen hen gekeerd en het aantal rokers blijft dalen. Toch blijft het pijnlijk om te moeten vaststellen hoe sommige politici en zelfs wetenschappers zich lieten omkopen, en hoe economische giganten met volle kennis van zaken een bevolking een dodelijk product bleven aansmeren.

De tweede casus betreft chloorfluorkoolstofverbindingen, bekend als ‘CFK’s’. Zij dienden onder andere als drijfgas voor spuitbussen en koelvloeistoffen in koelkasten. Inderdaad: dienden, ondertussen behoort dit tot het verleden. De manier waarop het verbod op CFK’s tot stand kwam, leest als een wetenschappelijke detectiveroman. Vanaf 1975 kwamen er onheilspellende berichten over de ozonlaag – een onderdeel van de atmosfeer rond de aarde die letterlijk van levensbelang is omdat ze de schadelijke zonnestralen tegenhoudt. Boven Antarctica hadden wetenschappers een reusachtig ‘gat’ in die laag ontdekt, met als gevolg een wereldwijd gezondheidsrisico. Hun onderzoek werd evenwel niet bevestigd door andere metingen uitgevoerd met een satelliet, met als gevolg een controverse in de onderzoekswereld.

Vervolgens zien we natuurwetenschap aan het werk zoals het hoort: nog andere onderzoekers gingen met de data aan de slag, nieuwe metingen werden uitgevoerd, de discussie greep plaats in wetenschappelijke tijdschriften en congressen. Uiteindelijk komen de wetenschappers tot een grote consensus: er is inderdaad een gat, en – nog belangrijker – de oorzaak ligt ten volle bij menselijke activiteit, met name bij het gebruik van CFK’s. Dergelijke gassen stijgen op tot in de atmosfeer en breken daar de beschermende ozonlaag af. De overheid werd gealarmeerd door de American Academy for Sciences, met als gevolg in 1979 een volledig verbod op het gebruik van CFK’s in de VS. Tien jaar later volgde de rest van de wereld, met dank aan de Verenigde Naties.

Wat we hier zien is een politieke besluitvorming in functie van het algemeen belang, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek waarover een grote eensgezindheid bestaat. Vanuit de industrie werden er uitdrukkelijk pogingen ondernomen om dit te boycotten met gelijkaardige argumenten als de tabakslobby: ‘Sommige wetenschappers komen tot andere bevindingen’, ‘De resultaten zijn niet honderd procent zeker’, ‘Er zullen veel banen verloren gaan’, ‘Het is financieel niet haalbaar’. Gelukkig waren er verantwoordelijke regeringen aan de macht die een keuze maakten voor het welzijn van hun bevolking.

De derde casus, zure regen,  is gelijkaardig en toch weer niet, want in dit geval koos de Amerikaanse regering de kant van de ‘vrijemarkt’-economie, tegen het belang van haar kiezers in. Voor wie het zich niet meer herinnert of het zelfs nooit geweten heeft, een korte samenvatting. In het laatste kwartaal van de vorige eeuw werd wereldwijd vastgesteld dat bossen steeds meer dode bomen telden. De oorzaak was aanvankelijk onduidelijk. Wetenschappers gingen aan de slag, en eind jaren zeventig kwam er een definitieve wetenschappelijke uitspraak: de bomen sterven door zure regen, wat een gevolg is van de uitstoot van industrie en huishoudens. Gezien het belang van bossen zijn maatregelen meer dan nodig, dat was de alweer ruim onderbouwde wetenschappelijk conclusie.

In dit geval nam Europa het voortouw, en de EU legde vrij snel ingrijpende beschermende maatregelen op.… Lees verder

Bert van den Bergh

Bert van den Bergh

De schaduw van de zwarte hond. Depressie als symptoom van onze tijd.

Wie wil begrijpen wat een depressie is en welke overduidelijke verbanden er bestaan met ons tijdperk waarin we zowel het gelukkigst als het depressiefst zijn, die vindt in dit boek goed onderbouwde antwoorden. Als bonus krijg je een degelijk zicht op de geschiedenis van de psychiatrie. Ik vond het boek meer dan de moeite waard en schreef er een inleiding voor. Die vind je hier:

AFSTEMMING EN RITME

Dit boek is zo rijk dat ik het knap lastig vind om een voorwoord te schrijven dat de rijkdom tot zijn recht laat komen. De schaduw van de zwarte hond is een van die zeldzame werken waar het historische, het existentiële en het persoonlijke samenkomen op een manier waardoor ze elkaar wederzijds versterken. Het zal wel geen toeval zijn dat ‘afstemming’ een sleutelbegrip in het boek is, resonantie, overigens samen met ritme.

Geschiedenis weerklinkt in de manier waarop wij over onszelf denken, zij het tegenwoordig met veel valse klanken en een abominabel ritme, waardoor de afstemming in en met onszelf en onze omgeving grondig verstoord is. Hoe ontstemd ons zelfbeeld wel klinkt, blijkt uit de gangbare manier waarmee we aankijken tegen eigen leed.

Depressie wordt gereduceerd tot een chemisch onevenwicht in onze hersenen ten gevolge van nog nader te ontdekken biologische oorzaken. Nederland heeft zelfs een heuse Hersenstichting, met campagnes waar je nog in 2017 het volgende kon lezen: ‘Een op de vier mensen heeft een hersenaandoening. Zo lijden ruim 500.000 Nederlanders aan een depressie.’ Dergelijke onzin zet vandaag de dag de toon, omdat de officiële psychiatrie vooralsnog verkocht blijft aan de farmaceutische vetpotten. Voor alle duidelijkheid voeg ik er onmiddellijk aan toe dat de opvatting waarbij geestesziektes gereduceerd worden tot hersenaandoeningen veel ouder is, en de geschiedenis van de psychiatrie onder andere gelezen kan worden als een slingerbeweging tussen Psychiker en Somatiker.

Studie van deze geschiedenis houdt het ‘wij zijn ons brein’-tijdperk een ongemakkelijke waarheid voor: psychiatrie is vanaf haar aanvang een praktijk die door en door bepaald wordt door de idealen van de maatschappij waarin ze functioneert. Verandert de maatschappij, dan verandert het idee van normaliteit en dus meteen ook het idee van afwijking en het doel van de behandeling.

Het huidig psychiatrisch diagnostisch systeem – de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) – ligt volledig in deze lijn. Het doet zich voor als een op objectieve waarnemingen gebaseerde classificatie van mentale stoornissen, terwijl het vooral afwijkingen van het huidige maatschappelijk ideaal beschrijft. Een blik op een DSM-diagnose leert snel dat bijna elke diagnostische beschrijving drie lagen bevat: een psychologische, een sociale en een medische. Het psychologische aspect is de zichtbare buitenkant, met beschrijvingen zoals ‘lijkt vaak niet te luisteren’ of ‘affectief instabiel’. Ondanks de dominante aanwezigheid van sociale normering ligt de tweede laag meer verborgen, paradoxaal genoeg achter en in een van de meest gebruikte woordjes: het woord ‘te’ in alle denkbare varianten. Zo bevat de omschrijving van de borderline persoonlijkheidsstoornis een tiental te’s. Te veel kenmerk zus of te weinig gedrag zo. Te druk. Te weinig aandacht. Begrijp: te veel of te weinig in functie van een impliciet gehanteerde sociale norm. De derde laag, de medische, is het meest verborgen en vinden we in de inleiding van het handboek, zijnde de hoopvolle veronderstelling dat de beschreven stoornissen brain disorders zijn, ondanks het ontbreken van overtuigend wetenschappelijk bewijs.

De rationale van de DSM-diagnostiek laat zich dan als volgt samenvatten: op grond van biologische oorzaken komt een psychologisch of gedragsmatig kenmerk te veel of te weinig voor, afgemeten aan een normering die niet openlijk benoemd wordt als sociaal. Een dergelijke diagnostiek heeft dan ook een onmiskenbaar effect op het therapeutische doel. Het ‘te veel’ moet weg, en het ‘te weinig’ moet meer. Genezing betekent dat de patiënt opnieuw beantwoordt aan de sociale norm van de plaats en de tijd waarin hij leeft.

Als een behandeling een dergelijk doel dient, dan moeten we de achterliggende diagnostiek zorgvuldig bekijken. Nog concreter: wat is het bijbehorende mensbeeld waaraan dat ‘te veel’ of ‘te weinig’ wordt afgewogen? Sinds de millenniumwisseling zijn er heel wat auteurs geweest die dit mensbeeld elk op hun manier geëxpliciteerd hebben, met Trudy Dehue als pionier in Nederland. Andere auteurs leggen eigen accenten binnen een vergelijkbare redenering. Met dit boek maakt de lezer kennis met denkers die in het Nederlandse taalgebied meer bekendheid verdienen, bijvoorbeeld Dany-Robert Dufour, Alain Ehrenberg, Thomas Fuchs en Hartmut Rosa. Vanaf nu kunnen we daar ook Bert van den Bergh toe rekenen.

Het huidige mensbeeld waar wij aan moeten beantwoorden om als normaal bestempeld te worden, vat Van den Bergh samen als de homo oeconomicus-mobilis-libidinosus: de immer ondernemende, immer in beweging zijnde, immer genietende en succesvolle bv ik. Wie zich daarmee identificeert, is normaal, maar raakt binnen de kortste keren ontstemd en uit ritme. De auteur toont mooi aan dat de oorsprong van dit ideaal veel verder in de tijd teruggaat dan het huidige ultraliberalisme. De groep succesvolle gestoorden die zich overeind houdt met coke en rilatine/ritaline blijft grotendeels onzichtbaar. De mislukkelingen kunnen hun gevoel gefaald te hebben verbergen achter een ziektelabel.

Ondertussen heeft deze verplichte normaliteit haar limiet bereikt waardoor ze haar geloofwaardigheid kwijt is. Nederlanders behoren tot de gelukkigste mensen ter wereld én tot de depressiefste, waarbij we de lemma’s ‘geluk’ en ‘depressie’ best ernstig in vraag kunnen stellen.

Een dergelijke invraagstelling is een taak die de psychiatrie om de zoveel tijd op zich neemt. Meestal in de marge van haar eigen bedrijf, maar soms uitdrukkelijk op het voorplan. Historisch beschouwd vindt de psychiatrie haar ontstaansgrond op het kruispunt van het medische, het morele en het juridische. Haar doel is om mensen die niet voldoen aan de psychosociale normen – en daardoor een bedreiging vormen voor zichzelf en voor de maatschappij – netjes op te bergen in aparte ziekenhuizen. Vanaf haar beginperiode zijn er in de psychiatrie figuren en zelfs bewegingen die de norm in vraag stellen, en al helemaal wanneer het aantal op te bergen mensen spectaculair toeneemt.… Lees verder

Liesbeth Woertman

Liesbeth Woertman

Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.

Liesbeth Woertman is een Nederlandse hoogleraar psychologie in wie ik veel van mezelf herken. De dominante opvatting aan de faculteiten psychologie – dat de mens een rationeel en autonoom ‘wij zijn ons brein’-wezen is – vindt ook zij, op zijn zachtst uitgedrukt, eenzijdig.  Ook zij is opgegroeid in een niet-academisch milieu, ook zij stond eerst in het werkveld (wel vroeger en langer) en heeft pas later een academische carrière uitgebouwd, met als resultaat een ruimere blik dan veel van haar (onze) collega’s. Ook zij heeft bijzonder veel aandacht voor de invloed van de beeldcultuur op onze identiteit.

Haar boek handelt over het effect van de ogen die we op ons voelen branden. Allemaal willen we beantwoorden aan het beeld dat de wereld van ons verwacht. Media en reclame tonen perfecte lichamen, met als gevolg dat we zelf nooit goed genoeg zijn. Ik voldoe niet, en – bij uitstek voor vrouwen – ik ben nooit mooi genoeg.

De vaststelling is niet nieuw, andere auteurs brengen dezelfde boodschap, maar de manier waarop Woertman haar blik neerpent maakt het boek bijzonder. De onderwerpen die je als lezer verwacht, komen inderdaad aan bod: nepborsten, angst om je lichaam bloot te geven in combinatie met de dwang om jezelf overal te moeten tonen, seks in het selfietijdperk, de toenemende sixpack- en zwemschoudersobsessie bij mannen, moeten vrijen als een pornoster (en dat eigenlijk niet willen), e tutti quanti.

Het bijzondere is dat je bij de lectuur van het boek de schrijfster zelf leert kennen, op grond van korte, biografische stukjes verweven met het hoofdverhaal dat daardoor diepgang krijgt. We lezen dat ze vanaf haar vijftiende werkte (schoenverkoopster, typiste), ondertussen avondschool deed, zwanger werd op haar zeventiende, veel later naar de universiteit stapte en op haar veertigste doctoreerde op het onderwerp lichaamsbeelden (toen al). Op haar vijfenvijftigste wordt ze hoogleraar psychologie tussen – naar ik vermoed – jonkies die Het Leven vooral kennen op grond van academisch onderzoek (‘Het is wetenschappelijk bewezen dat…’) Zij moet zich een nog vreemdere eend in de bijt gevoeld hebben dan ikzelf.

De wendingen in haar leven kwamen er niet vanzelf. Als ze schrijft dat we de ander nodig hebben om onszelf te kunnen zien en de nog niet ontwikkelde delen naar voren te laten komen, dan weet ze waarover ze het heeft. En vermoedelijk ook over wie. Gelukkige ontmoetingen met anderen kunnen het geloof in onszelf herstellen en ervoor zorgen dat we een nieuwe, betere richting uitgaan. Dan heb ik het uitdrukkelijk over échte ontmoetingen, waarbij je iemand hoort, ziet, ruikt, voelt, niet over digitale ersatz. Helaas is het omgekeerde evenzeer waar. Anderen kunnen ons onderuit halen, en merkwaardig genoeg gebeurt dat wel grotendeels via digitale ‘contacten’.

Los van de twee uitersten – een gelukkige of fnuikende ontmoeting op grond waarvan ons leven een andere wending kan nemen – is er de sluipende invloed van de beelden en woorden die ons omringen. Zonder dat we het beseffen meten we onszelf af aan de constant voorgehouden digitale beelden en bekijken we onszelf door de camera die we overal menen te voelen.

De blik van de digitale Ander op ons lijf is onverbiddelijk omdat die Ander zelf perfect is – uitdagende vormen, eeuwig jong, altijd sexy, overal succesvol. Mijn smalle schouders, licht bollende buik en dunne haren zijn maar niks in vergelijking daarmee. Met als gevolg dat we onszelf voortdurend bijwerken. Of bijgewerkt worden. Schoolfoto’s van kinderen op de basisschool worden standaard gefotoshopt ‘zodat iedereen een fris gezichtje heeft’. Tv-shows waarin een ‘make over’ gepromoot wordt halen hoge kijkcijfers. Jonge vrouwen pronken met onder hun kleding duidelijk zichtbare gezwollen tepels – gezwollen dankzij een injectie. Vrouwen van boven de dertig die niet meer topless durven zonnen, niet uit preutsheid, wel omdat ze ervan overtuigd zijn dat hun borsten niet langer voldoen. Een pas gevormd stel dat samenslapen (en vrijen) uitstelt omdat ze zich letterlijk niet durven blootgeven.

Het lichaam is een seksueel object, daar is niks verkeerd mee (een welgevormde kont mist ook op mij haar effect niet). Maar als ons lijf alleen maar een object-om-te-tonen wordt, dat bovendien altijd voor verbetering vatbaar blijft, dan hebben we een probleem (én slechte seks, én mislukte intimiteit). Ik hoor een vijfjarig meisje haar driejarig zusje uitleggen wat hangborsten zijn en hoe lelijk dat wel is. Woertman schrijft hoe een jongen van zeven niet naar school wil, omdat zijn gezichtje er niet uit ziet (hij heeft een buil en een schram). Een vrouw vol verdriet doet mij haar verhaal terwijl de tranen over een uitdrukkingsloos gezicht rollen – uitdrukkingsloos want opgespoten met botox.

Het is allemaal al wel eens gezegd en geschreven (het boek staat vol verwijzingen naar andere boeken en is in die zin op zich een mooie boekenblog), maar zelden zo dooraderd. Dat geldt nog meer voor het slot. In 2016 kreeg Woertman te horen dat ze huidkanker had, zes maand later kwam daar de diagnose baarmoederhalskanker bovenop. Operatie, chemo, bestralingen. Ziek worden van de behandeling tegen de ziekte. Ontdekken dat het nieuwe medische riedeltje ‘samen beslissen’ onzin is – er is nooit voldoende tijd en de aangereikte kennis is steeds statistisch. ‘Neus dicht en springen lijkt me dichter bij de waarheid’, schrijft ze.

Wat kanker en de behandeling ervan met een lichaam aanrichten en dus met de verhouding tot jezelf en anderen, doet alle bekommernissen over te dunne lippen, ongelijke borsten, bierbuikjes en zwembandjes in het niets verdwijnen. Diepe angst en pijn zetten je helemaal in je blootje. ‘Je wordt ontmaskerd en staat met lege handen.’

En ja, dan hebben we anderen nodig, échte anderen die ons écht zien. Graag zien.

Liesbeth Woertman (2019)
Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.
Utrecht, Uitgeverij Ten Have. 174 pagina’s.
ISBN 978 90 259 0688 7

 

Rosanne Hertzberger // Thomas Oudman & Theunis Piersma

Rosanne Hertzberger

Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.

Uit de titel blijkt de overtuiging van de auteur: wetenschap wordt zwaar overschat – toch wel een verrassende stelling uit de mond van een microbiologe. Als voorbeeld neemt ze de hype rond meditatie, naar mijn aanvoelen een wat makkelijke schietschijf. Ze maakt terecht brandhout van de wetenschappelijke ‘bewijzen’ voor iets wat in veel gevallen afgegleden is naar een louter commerciële praktijk die mijlenver verwijderd staat van de oorspronkelijke boeddhistische filosofie. Jammer dat ze geen vragen stelt over een werkzaamheid die er wel degelijk is en vermoedelijk nauwelijks met meditatie op zich te maken heeft. Placebo rangschikken onder bedrog, zoals zij terloops doet, is veel te kort door de bocht en maakt dat een echt interessante vraag niet aan bod komt: hoe komt het dat mensen in staat zijn zichzelf reëel te beïnvloeden door geloof te hechten aan bepaalde verwachtingen?

In het laatste stuk van het essay heeft ze het over wetenschap-als-bedrijf (mijn benaming) die in de haast om te scoren slechte wetenschap produceert. Minder dan de helft van onderzoek in de menswetenschappen is repliceerbaar. Dat wil zeggen: als wetenschappers een onderzoek van iemand anders op dezelfde manier overdoen, verkrijgen ze niet hetzelfde resultaat. Menswetenschappen, o ja, denkt de lezer. Maar hetzelfde geldt voor één op de drie medische studies inzake kanker. Dat is even slikken.

Wat Hertzberger beschrijft, is pijnlijk juist, net zoals de verklaringen die ze geeft, met als belangrijkste de wijze waarop onderzoeksgelden toegekend worden. Op grond van die bevindingen gaat ze vervolgens opnieuw veel te kort door de bocht. Haar stelling dat wetenschap vaak nauwelijks van religie verschilt, is simpelweg fout. Er zou moeten staan: slechte wetenschap verschilt nauwelijks van kortzichtig marktdenken of van institutionele religie. In mijn ervaring zijn sommige atheïstische wetenschappers diepgelovige mensen voor wie hun versie van wetenschap (meestal een hedendaagse variant van logisch-positivisme) alleenzaligmakend is (wie hen niet volgt, is onwetend of achterlijk). Het lijkt erop dat dit soort wetenschappers voor Hertzberger samenvalt met ‘de’ wetenschapper. Nee hoor, er zijn gelukkig ook andere, lees het boek van Oudman en Piersma dat ik doelbewust hierna bespreek.

Rosanne Hertzberger (2019)
Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.
Amsterdam, Prometheus, Nieuw licht. 89 pagina’s.

 

 

Thomas Oudman & Theunis Piersma

De ontsnapping van de natuur. Een nieuwe kijk op kennis.

Als ik met Ludo Couvreur, mijn geliefkoosde dialoogpartner, over dit boek spreek, hebben we het over ‘de poep van de kanoet’, want dat bekt zo mooi. Kanoeten zijn trekvogels waar de twee auteurs (een doctoraatsstudent biologie en zijn hoogleraar) zich over buigen, en ja, vooral over hun poep. De kanoeten leveren de rode draad voor een mooi onderbouwd pleidooi voor wetenschap zoals ze ooit bedoeld was: om vragen te stellen en vervolgens op basis van geijkte methodes proberen steeds voorlopige antwoorden te vinden. Beide auteurs hebben het schijt (de poep) aan uitspraken die je vandaag overal hoort: “Het is wetenschappelijk bewezen dat…” (in mijn vakgebied: “Het is evidence-based dat…”). Waarna er geen vragen meer kunnen of mogen gesteld worden.

In tegenstelling tot Hertzberger (Het grote niets) kiezen zij geen makkelijke schietschijf, maar gaan ze meteen voor de gouden graal van de wetenschap, met name de evolutietheorie. Op grond van overtuigende argumenten tonen ze aan dat de gangbare manier waarop we deze theorie begrijpen en helaas ook toepassen, veel te eng is en niet meer strookt met de laatste onderzoeksresultaten. Ze houden een fantastisch pleidooi voor verwondering, voor het opnieuw stellen van vragen, voor het toegeven dat we het (zelfs recent nog) verkeerd voor hadden – en dat allemaal in wat voor mij het belangrijkste wetenschapsgebied is, de biologie (het belangrijkste omdat zij het leven zelf bestudeert).

Hun twee onderling gekoppelde bevindingen luiden kort samengevat als volgt: de grenzen tussen organisme en omgeving zijn volstrekt onduidelijk, er is een voortdurende wederzijdse beïnvloeding. Bovendien is het onderscheid tussen genetisch bepaalde en verworven kenmerken (nature versus nurture) volledig achterhaald. (Ik vraag mij al geruime tijd af waarom wij zo vaak aan of/of denken doen, terwijl de praktijk uitwijst dat elke veronderstelde tweeledigheid één geheel vormt.)

De gangbare visie op erfelijkheid luidt ruw geschetst als volgt. Het bouwplan van het menselijk lichaam ligt vervat in 46 chromosomen, lange strengen DNA waarop de genen liggen, zijnde kleinere stukjes DNA die de opbouw van eiwitten bepalen. Elk gen bevat een vaste code die vertaald wordt in bepaalde eiwitten, waardoor dezelfde fenotypische (uiterlijk zichtbare) eigenschappen steeds doorgegeven worden, van generatie tot generatie (overerving). Soms gebeurt er een foutje, een mutatie, tijdens het kopieerproces (variatie), en heel uitzonderlijk levert dat een beter eindresultaat op, dat (juist omdat het beter is), grotere overlevings- en voortplantingskansen heeft (natuurlijke selectie). Laat dat proces een miljoen jaar lopen, en kijk, als glorieus eindresultaat treedt Homo sapiens naar voren (evolutie).

In deze redenering betekent ‘genetisch gedetermineerd’ dat kenmerken van een levend wezen op voorhand vastliggen in de genen en dat de invloed van de omgeving beperkt blijft tot het bevorderen of inperken van de ont – plooiing (dat woord mag je letterlijk begrijpen) van een reeds vaststaand genetisch programma. Wat er niet in zit, kan er nooit uitkomen; wat er wel in zit, komt zeker naar buiten. De sociale consequenties van deze redenering zijn immens. Wie ervan overtuigd is dat bijvoorbeeld intelligentie of zelfs persoonlijkheid erfelijk bepaald is, vindt sociale bijsturingsprogramma’s overbodig, is ervan overtuigd dat domme mensen beter minder kinderen krijgen, enzovoort.

Vandaag weten we dat deze overtuiging niet klopt, minstens om twee redenen.

De eerste reden handelt over wat ons DNA allemaal meer omvat dan de code voor de eiwit coderende genen en de manier waarop het functioneert. Van ons DNA codeert ongeveer twee procent voor eiwitten; van de overige achtennegentig procent werkt een klein deel als ‘promotoren’, de rest is ‘junk’ (wat betekent dat we tot voor kort voor veel ervan geen flauw idee hadden waarvoor het dient). Bij de kleine groep genen die wel voor eiwitten coderen is er tachtig procent die als regulator functioneert (dus als regulator eiwitten); slechts twintig procent dient voor functionele celeiwitten.… Lees verder

Bregje Hofstede // Eva Meijer

Bregje Hofstede

De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out

Dat Hofstede kan schrijven, wist ik al sedert ik haar roman Drift gelezen heb. Op zich al een voldoende reden om mij aan de lectuur van De herontdekking van het lichaam te zetten. Mijn verwachting werd helemaal bewaarheid, het staat vol fijne zinnetjes, zo maar tussendoor, die een glimlach op mijn gezicht toveren.

Dergelijke zinnetjes komen er heus niet zomaar, ze zijn het resultaat van hard en veel werken. Tijdens dat veel te hard werken om De Perfectie te bereiken is de schrijfster zichzelf tegen gekomen, en die ontmoeting verliep niet zo aangenaam. Haar lichaam liet haar duidelijk voelen dat de manier waarop ze bezig was, niet langer door de beugel kon. Tegenwoordig noemen we dat een burn-out en maken we onszelf wijs dat we het fenomeen begrijpen. Wat Hofstede doet, is die al te gratuite benaming terzijde schuiven, en op zoek gaan naar eigen woorden.

De verschillende hoofdstukjes handelen over de verhouding tussen haar en haar lijf, bij uitbreiding de verhouding van haar lichaam tot de buitenwereld (met helaas ook mannen in hun al te mannelijke versie). Als dat lichaam voorbij een bepaalde grens gedreven wordt, hetzij door onszelf, hetzij door opdringerige anderen (vaak mannen en moeders), dan ontstaat er een vergelijkbare situatie met wat in Noord-Ierland eufemistisch ‘The troubles’ genoemd werd. Ik en lichaam staan lijnrecht tegenover elkaar, gaan verschillende richtingen uit, de grenzen worden gesloten, smokkelroutes ontstaan, grensgevechten maken slachtoffers, het leven is al snel geen leven meer. Overleg is nodig, wat tijd en ruimte en veel beweging vraagt, mentaal en fysiek.

De herontdekking van het lichaam is een van die zeldzame boekjes die op nauwelijks honderd pagina’s een flink pak kennis (de bibliografie loopt over zes bladzijden) samenbrengt met een persoonlijk verhaal, bovendien ingebed in een mooie taal. Wat wil je nog meer?

Bregje Hofstede
De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out (2016)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 124 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 694 7

 

 

Eva Meijer

De grenzen van mijn taal. Essay

Er zijn opvallend veel vrouwelijke auteurs die worstelen met zichzelf en dat in literaire essays naar buiten brengen. Marian Donner (Zelfverwoestingsboek) heeft het gehad met de dwang tot perfectie. Bregje Hofstede (De herontdekking van het lichaam) beschreef haar burn-out. In De grenzen van mijn taal beschrijft Eva Meijer haar leven met op de achtergrond een altijd dreigende depressie, nadat ze een meer dan ernstige anorexie achter zich had kunnen laten. Deze schrijfsters mengen ervaring met kennis, met gelukkig een uitdrukkelijk accent op hun eigen ervaringen.

Meijer gaat op zoek naar woorden om weer te geven wat ze meemaakt. Ze slaagt daar wondermooi in, het boek bevat bij tijd en wijle ontroerende passages, over alleen zijn, over wat zelfuithongering met je doet, over slechte dagen en hoe daarmee om te gaan. Overigens zoekt ze niet alleen woorden maar ook praktische manieren om haar leven zinvol uit te bouwen. Op de achtergrond kijkt Aristoteles mee: het aanleren van goede gewoontes in combinatie met zelfkennis helpen haar veel meer dan de huidige visie op gekte en depressie als ‘hersenstoornis’. Als bonus – naast het zoeken naar woorden en naar goede gewoontes – krijgt de lezer ook een betere, ruimere visie op wat we onder ‘gekte’ kunnen begrijpen. Ondanks het onderwerp toch een hoopvol boek.

Eva Meijer
De grenzen van mijn taal. Essay (2019)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 141 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 822 4

 

Marian Donner // Ewald Engelen

Marian Donner

Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen

Zo’n titel maakt een mens nieuwsgierig, dus begon ik onmiddellijk met de lectuur. Ik ben er pas twee uur later mee gestopt, toen ik het boekje uit had. Marian Donner is een ontdekking, ze balt haar vuist, haar blik is scherp én mild, ze beschrijft uit het hart (en ongetwijfeld ook uit een aantal andere lichaamsdelen) wat Ewald Engelen (De mythe van de gemaakte vrouw, ik schreef er ook een bespreking van) op een intellectuele manier uiteenzette. Ik heb de twee boekjes ondertussen al een paar keer samen als geschenk gegeven. Ze horen bij elkaar, vind ik.

Donner is kwaad op een maatschappij waar deskundigen vertellen dat we het allemaal beter kunnen hebben, als we maar de juiste keuzes maken, authentiek zijn, in onszelf geloven, de juiste voeding kiezen, voldoende aan zelfzorg doen, yoga en mindfullness volgen, voldoende bewegen. Die hele zwik heeft maar één doel: ervoor zorgen dat we het langer volhouden, dat we langer blijven functioneren in een systeem gericht op winstmaximalisatie. Ervoor zorgen dat we blijven verdragen wat eigenlijk ondraaglijk is. Met onze ogen wijdopen lopen we erin, een nieuwe versie van ‘Eyes wide shut’. Nooit is het goed genoeg, iedereen moet excelleren – yes, we can. Wanneer we falen, hebben we ons niet voldoende ingespannen. Of, omgekeerd, hebben we net veel te veel inspanningen geleverd; foei toch, kon je het niet wat beter doseren, die burn-out heb je toch echt wel zelf gezocht.

Wat je ook doet, het is jouw schuld, jouw verantwoordelijkheid. Het systeem is zo krachtig dat we dergelijke onzin geloven en ons leven op die manier inrichten.

Honderdveertig bladzijden lang maakt ze de lezer wakker uit de slaap van het knettergekke leven dat we leiden. ‘Slaap’ met enige ironie, bijna iedereen slaapt slecht (gelukkig zijn ook daar apps voor, die je tonen hoe je nog béter voor jezelf kunt zorgen).

Natuurlijk hebben we deels ons leven zelf in de hand, en natuurlijk willen we het beter hebben en beter doen. Natuurlijk is het een zeer goed idee voor jezelf zorg te dragen (maar draag vooral zorg voor die paar mensen van wie je houdt). De vraag is alleen hoe je dat ‘beter hebben en beter doen’ definieert. Voor Marian mag het best wat meer stinken, drinken, bloeden, branden & dansen.

Marian Donner
Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen (2019)
Uitgevers Dag Mag. 141 pagina’s.
ISBN 978 94 924789 1 7

 

 

Ewald Engelen

De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme

‘Nieuw Licht’ is een reeks boekjes geschreven in opdracht. Coen Simon en Frank Meester leggen een hedendaags denker een klassieke tekst voor, met de vraag daar een eigentijdse reactie op te schrijven. In dit geval is het onderwerp het feminisme, met als uitgangspunt De tweede sekse van Simone de Beauvoir.  Hoe zit het met de (on-)gelijkheid tussen man en vrouw? En als de vrouw gemaakt wordt, hoe wordt ze vandaag gemaakt?

Het antwoord van Engelen in een notendop: emancipatie van de vrouw betekent vandaag dat zij zich, net zoals de man, individueel naar de top van de neoliberale ladder kan vechten, waarbij alle middelen geoorloofd zijn. Als ze daarin slaagt – wat zowel bij mannen als vrouwen een uitzondering blijft – ‘mag’ ze 60 tot 80 uur per week werken voor een riant salaris. Dat deze ‘emancipatie’ bijna uitsluitend mogelijk is voor de dochters van de financiële bovenklasse wordt verdoezeld door een paar uitzonderingen uit de onderklasse flink in de verf te zeggen.

‘Feminisme’ is bovenklassefeminisme geworden, en is mijlenver verwijderd van de fundamentele maatschappijkritische ideeën van Simone de Beauvoir cum suis. Een maatschappij, een bedrijf, een universiteit is vandaag ‘feministisch’ als zij erin slagen voldoende vrouwen aan de top te brengen of te hebben. Gelijke kansen betekent: gelijke kansen aan de top.

Anders gesteld: dit soort ‘feminisme’ draagt bij tot de toenemende sociale ongelijkheid die John Lennon indertijd feilloos in één zinnetje wist samen te vatten: “Woman is the nigger of the world”. Een vrouw of neger kan nu inderdaad de top bereiken, op de rug van een zeer grote groep vrouwen en mannen die daar nooit kunnen geraken, en bovendien te horen krijgen dat dit hun eigen schuld is. En dus niks te maken heeft met structureel bepaalde ongelijkheden, zoals de sociaaleconomische positie van je ouders en het land en de regio waar je opgroeit. De ondergroep werkt vaak even hard als de ‘geëmancipeerde’ topvrouw, omdat ze twee onderbetaalde banen moeten combineren.

De ironie van deze pijnlijk juiste analyse is dat Engelen hiermee aantoont dat de basisstelling van de Beauvoir nog altijd juist is. Je wordt niet geboren als vrouw, het is de maatschappij die de vrouw maakt. De huidige maatschappij maakt mannen en vrouwen wijs dat ze zichzelf maken, in alle vrijheid, met accenten zoals zelfontplooiing, excelleren, creativiteit, authenticiteit, zelfreflectie, persoonlijke groei. Just do it! Alles kan en mag, op voorwaarde dat het bijdraagt tot winstmaximalisatie. Het resultaat is een ‘dog eat dog’ wereld, waar mannen en vrouwen inderdaad steeds meer dezelfde honden worden. Onderaan de straathonden, bovenaan de topdogs. Brrrrr.

Engelen heeft een strijdvaardig essay geschreven. Een must voor vrouwen en heel zeker ook voor mannen die zich afvragen hoe het allemaal zo ver is kunnen komen. Best samen te lezen met het boekje van Marian Donner, zie hierboven. En ja, we hebben dringend nood aan een eigenlijke emancipatie.

Ewald Engelen
De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme (2019)
Amsterdam, Ambo/Anthos. 98 pagina’s.
ISBN 978 90 263 3545 7