Freek Van de Velde
Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving.
Een boek dat vier herdrukken krijgt op korte tijd, is of pulp of zeer goed. Als het een wetenschappelijk onderbouwde studie is, dan weet je dat het tot de tweede groep behoort. Wat taal verraadt begint ogenschijnlijk bescheiden – “een kleine geschiedenis” – maar blijkt al snel ambitieuzer dan de ondertitel doet vermoeden. Het boek ontvouwt zich als een brede reflectie op de verwevenheid van taal en mens: wij geven taal vorm, maar worden er tegelijk zelf door gevormd. Als hoogleraar taalkunde beschrijft Van de Velde taal niet als louter communicatie, maar als een kracht met een eigen dynamiek, diep verankerd in ons brein en onze cultuur. Hij spreekt in dat verband over een bio-cultureel fenomeen dat zich in ons denken heeft genesteld en vandaaruit doorwerkt in hoe we de wereld waarnemen en interpreteren. Dat perspectief sluit aan bij inzichten uit zowel de twintigste-eeuwse continentale tradities als de hedendaagse cognitieve wetenschappen.
De originaliteit van het boek zit minder in die these zelf dan in de manier waarop ze hier wordt uitgewerkt: helder, goed gedocumenteerd en met zichtbaar vertelplezier. De opbouw is doordacht. In een geleidelijke beweging verkent de auteur eerst de biologische basis (brein en evolutie), vervolgens de sociale dimensie (cultuur en geschiedenis), om uiteindelijk uit te komen bij de individuele ervaring van de spreker. Zo ontstaat een breed beeld waarin taalkunde zich toont als een discipline die voortdurend verbindingen legt met andere domeinen, van biologie tot geschiedenis. Wie taal herleidt tot regels en correctheid, krijgt hier een ruimer en vruchtbaarder perspectief aangereikt.
Wat opvalt, is de stijl. Van de Velde schrijft zoals de betere hoogleraren college geven: speels, associatief, licht ironisch, en met een aanstekelijk enthousiasme voor zijn onderwerp. Dat enthousiasme vertaalt zich onder meer in een overvloedig gebruik van metaforen en vergelijkingen: taal verschijnt als een levend ecosysteem, als iets dat groeit, woekert en zich aanpast. Die beelden maken abstracte processen concreet en bijna tastbaar, maar tegelijk is er een keerzijde. Wat eerst verheldert, kan op termijn ook verzadigen: de overvloed laat de lezer soms weinig ruimte om het voorgaande te laten bezinken. Af en toe lijkt de stijl zichzelf te willen overtreffen, als een demonstratie van virtuositeit. Ik denk dan onwillekeurig aan Goethe: „In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister“.
Daarmee raken we aan een belangrijke spanning bij boeken geschreven door wetenschappers: die tussen toegankelijkheid en eruditie. Van de Velde mikt duidelijk op een breed publiek en slaagt daar grotendeels in. De toon is vlot en uitnodigend, maar onder die lichtheid schuilt een hoge informatiedichtheid. Voor wie bereid is aandachtig te lezen, is dat een kwaliteit. Als ervaren lezer vind ik de omgekeerde verhouding (veel woorden, weinig informatie) maar niks, en dat is hier heel zeker niet het geval. Het boek biedt inhoud in een compacte vorm.
Wat ik bijzonder belangrijk vind, is de min of meer impliciete stellingname die bijna overal terugkeert. Van de Velde stelt taal niet voor als een neutraal doorgeefluik, wel als een kracht die onze realiteit mede bepaalt. Ze beïnvloedt hoe we de wereld waarnemen, hoe we redeneren, en – nog belangrijker – hoe we naar onszelf en naar anderen kijken. Voor sommigen is dat een oud debat, voor anderen een vaststelling. Van de Velde brengt het zonder dogmatiek en laat ruimte voor de lezer om zelf de consequenties te overdenken. Die consequenties zijn er tegenwoordig in overvloed en ik geef meteen de allerbelangrijkste. De les die de linkse Antonio Gramski meegaf vanuit zijn gevangeniscel in de jaren dertig (wil je de maatschappij veranderen, dan moet je eerst taalkundige hegemonie verwerven om daarlangs het denken van mensen aan te sturen) werd literair verwoord door George Orwell, met de ‘Newspeak’ in zijn dystopische roman ‘1948’. Ondertussen wordt dit volop in praktijk gebracht door ultrarechtse denktanks, op een doordachte en sluwe manier waardoor hun taal en daarmee hun gedachtengoed bij veel mensen letterlijk vanzelfsprekend geworden is. Gelukkig is er Trump, die door zijn combinatie van narcisme en domheid de achterliggende agenda steeds meer open en bloot prijsgeeft.
Verschillende talen zijn verschillend in de manier waarop ze de werkelijkheid opdelen en ordenen. Een ander taalgebruik geeft ons een andere toegang tot de werkelijkheid en vervolgens een andere manier van aanpak. We zijn ons daar veel te weinig van bewust, waardoor we belangrijke keuzes uit handen geven, keuzes die steevast moreel van aard zijn. Net zoals de taal zelf beweegt het boek zich voortdurend op dat snijvlak tussen observatie en interpretatie. Niet alles is even strak gedoseerd, maar de bandbreedte is indrukwekkend. Ik heb ervan genoten.
Freek Van de Velde (2024)
Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving.
Tielt: Lannoo Campus, 238 pagina’s.
ISBN 978 94 014 9970 5