Daisy Fancourt

Daisy Fancourt

Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid

 

 

Dat kunst goed is voor ons, behoeft nauwelijks betoog. Een concert kan ontroeren, een roman ons zelfbeeld veranderen, schilderen of musiceren kan rust brengen. Daisy Fancourt wil verder gaan dan zulke persoonlijke ervaringen. In Kunst als medicijn stelt de Britse psychobiologe een ambitieuzere vraag: wat weten we wetenschappelijk over de invloed van kunst op onze lichamelijke en geestelijke gezondheid?

Het antwoord blijkt verrassend omvangrijk. Fancourt bespreekt onderzoek naar pijn, depressie, stress, cognitieve achteruitgang en dementie, maar ook naar ontstekingsprocessen, het immuunsysteem en zelfs levensduur. Daarbij hanteert ze een zeer ruime definitie van kunst. Niet alleen theater, literatuur, muziek of museumbezoek komen aan bod, maar ook schilderen, tekenen, dansen, musiceren, schrijven, breien – ik voeg er graag koken aan toe. Het onderscheid tussen hoge en lage kunst interesseert haar niet; centraal staat de ervaring van creativiteit.

 

Als hoogleraar psychobiologie is ze zich terdege bewust van het risico dat een boek met een titel Kunst als medicijn gemakkelijk weggezet kan worden als vrijblijvende welzijnspraat. Ze heeft dat zorgvuldig ondervangen door een indrukwekkend brede wetenschappelijke onderbouw: gerandomiseerde gecontroleerde studies, longitudinaal onderzoek, epidemiologische gegevens, experimenten en onderzoek naar biologische mechanismen wisselen elkaar af. Ze geeft bovendien zelf de beperkingen aan: een samenhang is nog geen oorzakelijk verband, en kunst is geen wondermiddel dat kanker, dementie of depressie ‘geneest’. De individuele verhalen waarmee ze haar onderzoeksresultaten afwisselt, maken dat deze overvloed aan wetenschap leesbaar blijft.

 

Een aantal conclusies zijn sterker onderbouwd dan andere. Voor pijn en depressieve symptomen bestaat behoorlijk overtuigend interventieonderzoek: muziek en andere artistieke activiteiten kunnen klachten aantoonbaar verminderen, meestal als aanvulling op een gewone behandeling. Bij dementie ligt dat moeilijker. Cultureel actieve mensen blijken gemiddeld minder cognitieve achteruitgang te vertonen, maar zulke mensen verschillen ook op andere vlakken: opleiding, sociale contacten, mobiliteit en levensstijl. Hoe groot de bijdrage van kunst precies is, valt daarom moeilijk vast te stellen. Nog voorzichtiger moet men zijn met uitspraken over ontstekingsprocessen, immuniteit of levensduur. Daar zijn de aanwijzingen interessant, maar het bewijs van de werkzaamheid veel beperkter.

 

Juist dat verschil in bewijskracht maakt het boek interessanter dan de titel doet vermoeden. Fancourts sterkste argument is niet dat kunst een geneesmiddel zou zijn. Het is dat kunstbeoefening en kunstbeleving tegelijk verschillende systemen aanspreken. Wie in een koor zingt, gebruikt ademhaling, geheugen en motoriek, maar ervaart ook emotie, sociale verbondenheid en beloning. Wie een museum bezoekt, beweegt, kijkt aandachtig, interpreteert, vergelijkt, herinnert zich en praat misschien met anderen. Kunst is met andere woorden geen enkelvoudige ‘interventie’, maar een bundel van lichamelijke, cognitieve, emotionele en sociale activiteiten.

 

Daarin ligt wellicht de belangrijkste verdienste van Kunst als medicijn. Fancourt verruimt onze gebruikelijke kijk op gezondheid, weg van de hedendaagse biologisch-technologische reductie. We zijn vertrouwd met wetenschappelijke adviezen over beweging, voeding en slaap, maar veel minder met het idee dat ook verbeelding, creativiteit, betekenisgeving en sociale verbondenheid biologische gevolgen hebben. Kunst behoort niet tot de aangename luxe die pas aan bod komt wanneer aan alle wezenlijke behoeften is voldaan, maar tot de activiteiten waar we als kleuter mee starten, en die meebepalen hoe mensen functioneren en ouder worden.

 

Anders gezegd: museumbezoek aanraden als een bloeddrukverlager getuigt van een foute insteek. Kunst heeft haar waarde niet nodig van de geneeskunde. Maar Fancourt maakt wel overtuigend duidelijk dat het omgekeerde evenmin verstandig is: gezondheid reduceren tot voeding, beweging en medicatie en daarbij vergeten dat mensen ook denkende, verbeeldende en sociale wezens zijn.

 

Kunst als medicijn is rijk, soms bijna te rijk aan onderzoeksresultaten. Voor wie geïnteresseerd is in kunst én in de manier waarop lichaam en geest elkaar beïnvloeden, biedt het een fascinerend en doorgaans zorgvuldig onderbouwd overzicht. De Nederlandse titel belooft misschien iets meer dan de wetenschap op dit ogenblik kan bewijzen. Het boek zelf is genuanceerder — en juist daardoor overtuigender. Wie in de kunstensector werkt en om de haverklap subsidieaanvragen moet schrijven bij een overheid die vooral besparingen doorvoert, kan in dit boek voldoende wetenschappelijke argumenten vinden. Kunst mag dan economisch minder belang hebben, als substantieel onderdeel van het mens-zijn is haar waarde onschatbaar.

 

Daisy Fancourt (2026)
Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid
Utrecht: Ten Have, 365 pagina’s.
ISBN 978 90 259 1283 3