Olivia Laing

Olivia Laing

De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn.

Tijdens een week waarin ik niet alleen was maar me wel alleen voelde, greep ik min of meer bewust naar De eenzame stad. Over de kunst van het alleen-zijn, geschreven door de mij onbekende Olivia Laing. Kort samengevat: het is een pareltje (parel, want 350 bladzijden). Laing heeft een vlotte pen, een stijl die mij aanspreekt en vooral, ze bezit de gave om mensen zowel raak als mild te beschrijven, een zeldzame combinatie. En ja, het gaat over eenzaamheid, maar niet met de afgezaagde, hoe-slecht-is-onze-maatschappij-toch ondertoon; het gaat over ‘het menselijke, het al te menselijke’.

Als jonge Britse volgt ze de man van haar dromen naar New York. De man bleek een vergissing te zijn, New York niet. Ze leeft er maanden alleen en gaat op zoek naar wat eenzaamheid betekende voor lotgenoten uit een vorig tijdperk die op een of andere manier met kunst bezig waren. Hoofdfiguren zijn Edward Hopper, Andy Warhol, David Wojnarowicz en Henry Darger, naast Valerie Solanas, Nan Goldin, Klaus Nomi en Peter Hujar. De helft van hen kende ik niet, alleen al daarom is het boek de moeite waard. Tussendoor komt haar eigen verhaal aan bod, samen met de meest zinvolle bespiegelingen over eenzaamheid die ik ooit las. Mijn exemplaar staat vol aangekruiste passages en snel in de kantlijn neergekrabbelde nota’s – dat zegt genoeg. Op de koop toe gaat de kwaliteit van haar tekst in stijgende lijn; Laing omcirkelt het onderwerp spiraalsgewijs tot steeds hogere niveaus, met als opstapjes bekende en minder bekende figuren. Als lezer neemt ze je mee in een wereld bewoond door mensen die je niet meer loslaten. Dit is een van de boeken die je voortdurend naar YouTube stuurt, om hen ‘in het echt’ te zien en te horen – de blik van Valerie Solanas, de films van Andy Warhol, de stem van ‘mutant chantant’ Klaus Nomi, de schilderijen van Henri Darger – ik bleef maar doorklikken.

Dit boek lezen voert je binnen in een universum van gekwetste kinderen (gekwetst is een understatement) die daarom eenzame volwassenen werden, ook wanneer ze later omringd werden door bewonderaars. Valerie Solanas staat vooral bekend als de waanzinnige vrouw die Andy Warhol neerschoot, waarbij vergeten wordt dat ze een radicale feministe was (ze beschouwde het gezin als de voornaamste oorzaak van vrouwelijke onderdrukking), auteur van het SCUM-manifest (Society for Cutting Up Men); snoeihard eenzaam en eenzaam snoeihard, na een kindertijd van seksueel misbruik en verwerping. Heel erg intelligent, op zoek naar gehoor dat ze niet krijgt, verworpen door vrouwengroepen die ze net wou verdedigen.

Zij wou vrouwen beschermen terwijl Henri Darger alle onheil wilde weghouden van kinderen. Ook hij was opgegroeid met geweld en misbruik, maar in tegenstelling tot Solanas leidde deze doodarme schoonmaker een onopgemerkt, eenzaam bestaan. Na zijn dood werd in zijn huurflatje een gedurende een halve eeuw opgebouwd oeuvre gevonden, een combinatie van waterschilderijen, collages en een manuscript, alles samen meer dan tienduizend pagina’s, met als onderwerp een oorlog tegen misbruik en slavernij van kinderen, met daarin een ‘onafhankelijkheidsverklaring van het kind’ met onder meer ‘het recht op normale slaap tijdens de uren van de nacht‘. Slik. Ik wil me niet voorstellen wat hij meegemaakt moet hebben.

Solanas en Darger groeiden op met extreem geweld, dat was zo mogelijk nog meer het geval voor David Wojnarowicz, kind-prostituee in Hell’s Kitchen (denk aan Mean Streets van Scorcese). Op zijn twintigste begint hij foto’s te maken, waarmee hij zijn eigen geschiedenis in beeld brengt. Kunst en seks zijn twee ontsnappingsroutes, weg uit de eenzaamheid én uit de gevangenis van het lichaam, ontsnapping die voor hem en vele anderen pas mogelijk werd in randzones – in dit geval Times Square en de verlaten havenloodsen van Chelsea in de jaren ’70. Seks verschijnt als oorzaak van en remedie voor eenzaamheid: verbinding met de ander en dus remedie tegen isolement; gebruik/misbruik van het driftig-agressieve lijf en dus oorzaak van isolement, met kunst als poging om zichtbaar te maken wat altijd aan gene zijde ligt: het verlangen naar heelheid, naar volledig zijn, met jezelf en met de ander. ‘Dat is toch de droom van seks? Dat je uit de kerker van het lichaam bevrijd zult worden door het lichaam zelf, dat eindelijk begeerd wordt, zijn vreemde taal begrepen.

Het boek is zo rijk dat ik het onbegonnen werk vind om het samen te vatten. Je kan er bijvoorbeeld razend interessante ideeën uit putten voor onze corona-eenzaamheid, ook al omdat Laing in één van de hoofdstukken de gevolgen van de aidsepidemie bespreekt (niet mogen aanraken of aangeraakt worden, sterven in isolement). Ik beperk me tot één idee. In een tijdperk waarin individualisering centraal staat, wordt ook de oorzaak van eenzaamheid bij het individu gelegd, niet alleen door de afwijzende anderen (‘Waarom volg je geen training in sociale vaardigheden?’) maar ook door het eenzame individu zèlf. ‘Het alomtegenwoordige, onweerlegbare besef dat het me aan iets ontbrak, dat ik niet de beschikking had over datgene waar mensen over horen te beschikken, en dat dit te wijten was aan een ernstige, ongetwijfeld niet mis te verstane persoonlijke tekortkoming van mij.’ Laing brengt uitvoerig en overtuigend de tegenovergestelde visie: eenzaamheid is een gevolg van oorspronkelijke afwijzingen, heel vaak in een traumatische context. Eenzaamheid ontstaat nooit in isolement, maar is het product van vicieuze sociale cirkels. Het startpunt ligt in een traumatiserende omgeving met afwijzende, of zelfs misbruikende anderen. Een dergelijk kind ontwikkelt een verhoogde waakzaamheid waardoor het als volwassene anderen gaat wegduwen of net aanhalen op een manier die hen op de vlucht doet slaan. Bovendien houden ze hun littekens verborgen, de echte en de figuurlijke, waardoor de buitenwereld hen nog minder begrijpt.

Eens geïnstalleerd houdt eenzaamheid zichzelf in stand omdat het letterlijk afstotend werkt en contact onmogelijk maakt. Eenzaamheid maakt ziek, de figuren die in het boek opgevoerd worden, hebben elk op hun manier een remedie ontwikkeld waarin agressie, liefde en kunst centraal staan.
Tot slot: ‘Ik geloof niet dat iemand leren kennen per se de remedie is tegen eenzaamheid.Lees verder

Abram de Swaan

 

Abram de Swaan
Tegen de vrouwen. De wereldwijde strijd van rechtsisten en jihadisten tegen de emancipatie.

 

Vorige week had ik een gesprek met een jonge vrouw van achtentwintig over emancipatie. Opnieuw moest ik vaststellen hoe weinig deze generatie beseft welke inspanningen haar (over)grootmoeders en in beperktere mate grootvaders hebben moeten leveren om mogelijk te maken wat zij als vanzelfsprekend beschouwt. Met het feit dat zij gendergelijkwaardigheid als normaal ervaart, heb ik natuurlijk geen probleem. Ik heb wel last met de wijze waarop de huidige generatie vrouwen achteloos voorbijgaat aan de emancipatie van een groep als groep en zich nog nauwelijks verwant voelen met hun gendergenoten onderaan de maatschappelijke ladder. Daarmee is deze generatie een kind van haar tijd: alles wordt op het conto van het individu geschreven, zowel het succes als de mislukking. Maar individuele emancipatie is een illusie, en individuen worden steevast tegen elkaar uitgespeeld door ‘the powers that be’. Met als gevolg dat gelijkwaardigheid op de helling kan komen te staan en ongelijkheid straks weer steil kan toenemen. Niets is ooit definitief verworven.

Het boek van de Swaan is in dit opzicht meer dan welkom. Als socioloog schetst hij een beeld van de geschiedenis én bespreekt hij ook uitvoerig de actualiteit. Het eerste deel ‘Het patriarchaat als schrikbewind’ is een opsomming van de vernederingen, onderdrukking en verminkingen die meisjes en vrouwen moesten en moeten ondergaan onder het patriarchaat. Het tweede deel ‘De onstuitbare opkomst van vrouwen in de wereld van nu’ is een mooie correctie op het individualisme en het gebrek aan historisch besef die tegenwoordig heersen. Maar vooral het derde deel maakt dat ik dit boek bijzonder belangwekkend vind, ‘De oorlog tegen de vrouwen door jihadisten en ‘rechtsisten’.

Het voorbije decennium is er heel wat te doen geweest over terrorisme en moslimfundamentalisme, waarbij telkens duidelijk werd in welke mate religie gendergelijkwaardigheid uitsluit en vrouwen reduceert tot seksslavin, meid en broedmachine. Het woord ‘religie’ in de vorige zin zal menig lezer tegen de borst stoten – dit geldt toch enkel voor IS en aanverwanten? De pijnlijke waarheid die de Swaan in herinnering brengt en uitvoerig illustreert, is dat alle godsdiensten van Het Boek (Jodendom, Christendom, Islam) in hetzelfde bedje ziek zijn – de ene is zieker dan de andere, maar geen enkele is gezond. De beschrijvingen van de wijze waarop de katholieke Kerk zich vandaag de dag in Zuid-Amerika opstelt tegenover vrouwen, van de positie van de vrouw in de Joodse gemeenschap zijn pijnlijk overtuigend. De klassieke verdediging van het gelovige individu is telkens dezelfde: dat is niet het échte Christendom, niet de échte Islam, niet het échte Jodendom. Net zoals Stalin en Mao e tutti quanti niet het échte communisme waren, veronderstel ik. De geschiedenis leert dat angst en haat voor de vrouw structureel ingebakken liggen in deze godsdiensten, met onderdrukking, geweld en misbruik als onvermijdelijke gevolgen.

Met uitzondering van de VS is het Westen ondertussen grotendeels geseculariseerd. Religie is een individuele ervaring geworden, aansluitend bij wat ik beschouw als een essentieel kenmerk van onze soort: onze nood aan het transcendente. Het gevaar voor de vrouw komt bij ons nog nauwelijks uit deze hoek, maar is daarom niet geringer: de ‘rechtsisten’ hebben het overgenomen van de godsdienstfundamentalisten, ze verwerven steeds meer macht en we beseffen dat veel te weinig. De beschrijvingen die de Swaan geeft, laten weinig aan de verbeelding over. Op het internet zijn er tal van mannelijke groepen aan het werk die ras en volk verheerlijken en hun afschuw uiten voor alles wat geëmancipeerd is in het algemeen en voor vrouwen in het bijzonder. Hun gewelddadigheid blijkt op betogingen én uit het stijgend aantal moordaanslagen (op hun websites wordt Breivik opgevoerd als rolmodel). Zij verschillen nauwelijks van de jihadisten, op één uiterst belangrijk punt na: ze worden oogluikend gesteund door de ‘gewone’ rechtse partijen, die daarmee het bedje spreiden voor een gevaarlijke evolutie.

Overal in Europa verliezen rechtse politici stemmen aan ultrarechts, met als gevolg dat sommige van deze ooit keurige partijen zowel het taalgebruik als de standpunten overnemen van groeperingen die haat en verdeeldheid tot hun handelsmerk gemaakt hebben. Nog even, en rechts gaat openlijk allianties aan met dergelijke groepen, net zoals hun voorgangers dat deden in het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw, in de hoop op die manier hun macht te kunnen herstellen. Heimelijk zijn rechtse partijen ervan overtuigd dat zij binnen een dergelijke alliantie die ultrarechtse idioten wel zullen overvleugelen. De geschiedenis, zowel de vroegere als de huidige – toont wie de idioten waren en zijn, en wie er overvleugeld werd en wordt – wie had ooit gedacht dat de Amerikaanse republikeinen op zo’n korte tijd zouden muteren tot wat ze nu zijn?  In mijn ogen zijn dergelijke politici zonder meer medeplichtig aan wat ze zelf denken te moeten bestrijden. Zij zijn niet de oplossing, ze zijn deel van het probleem.

De opschuiving naar een gevaarlijk conservatisme is volop bezig, ook al omdat een aantal rechtse politici hun eigen overtuigingen uitvergroot terugvinden bij de ‘rechtsisten’: verheerlijking van volk, cultuur, natie en afschuw voor de Gutmenschen, de do gooders, de klimaatactivisten. Ze menen onze vrouwen (‘onze’?!) te moeten beschermen tegen het gevaar van de Islam, ze prediken dat de échte Westerse normen en waarden weer hersteld moeten worden. In het Nederlandse Steenbergen werd in 2015 een uiteenzetting van een vrouw over vluchtelingen onderbroken door mannen (die ongetwijfeld ‘hun’ vrouwen wilden beschermen) die luidkeels brulden ‘Daar moet een piemel in’. Met dergelijke beschermers hebben vrouwen geen vijanden meer nodig. Ga wat rondneuzen op het net, zoals de Swaan doet, en je ontdekt snel dat hun ideale wereld Gilead is, uit The Handmaid’s Tale.
Opvallend: dergelijke ultrarechtse groepen verwerven macht, omdat zij inderdaad groep vormen en doelbewust zitjes zoeken in beslissingsorganen (tot in de raad van bestuur van mijn eigen universiteit toe). Willen we hen van antwoord dienen, dan zullen wij ons opnieuw bewust moeten worden van het feit dat we als individu niks kunnen, dat we onze meningsverschillen opzij moeten schuiven en als groep een stem verheffen tegen wat een échte bedreiging van onze vrijheid is.… Lees verder

Ingrid Robeyns

Ingrid Robeyns

Rijkdom.
Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?

Er zijn zo van die essays die op het juiste moment komen. De gevolgen van de coronacrisis zullen vooral economisch en sociaal zijn. De schattingen over het op komst zijnde aantal werklozen gaan van hoog tot zeer hoog. Regeringen hebben ontzettend veel geld uitgegeven om noden te verhelpen, waarbij sommige landen letterlijk de prijs moesten betalen voor kortzichtige besparingen uit het verleden. De hamvraag luidt: wie gaat dat betalen?

Hoogleraar Ingrid Robeyns bestudeert al jarenlang rijkdom, wat op zich al uitzonderlijk is. Haar ideeën verschenen vorig jaar in een essay, gepubliceerd in de reeks ‘Nieuw Licht’. Onderzoek naar armoede (hoe definieer je dat, wat zijn de gevolgen, wat kunnen we eraan doen) gebeurt al geruime tijd, met bijvoorbeeld een begrip als ‘armoedegrens’ als resultaat. Maar wat zou een rijkdomgrens kunnen zijn, en welke gevolgen treffen we aan voorbij die grens? In haar aanvangshoofdstuk gaat Robeyns niet te rade bij Marx of Piketty, maar wel bij de filosoof waar ik zelf de voorbije jaren systematisch naar terugkeer: Aristoteles. Ik was onmiddellijk gecharmeerd.

Een stelling, eigenlijk een vaststelling van Aristoteles die we zo snel mogelijk weer ter harte moeten nemen, is dat elke menselijke handeling inherent ethisch is, en dus aan een oordeel kan en moet onderworpen worden. Het idee dat bedrijfskunde en management enkel rationeel te werk gaan, is niet alleen een misvatting, het is bovendien een (morele!) rechtvaardiging voor gedrag dat vaak immoreel is. Een tweede Aristotelische stelling leert dat kiezen voor het juiste midden de basis legt voor een goed leven, het doel van elke mens. Het bestuur van de polis (de stadstaat) moet zich daarop richten, met onder meer economie als middel, nooit als doel.
Met Aristoteles als ruggensteun schuift Robeyns de resultaten van haar onderzoek in verband met rijkdom naar voor, en die zijn niet van de minste. Kort samengevat: extreme rijkdom ondermijnt de democratie, is niet verenigbaar met ecologische noodwendigheden, is bijna altijd onverdiend en schaadt de belangen van iedereen, superrijken incluis. Merk op dat ze geen pleidooi houdt voor gelijkheid en niet tegen rijkdom op zich is. In haar boek geeft ze voldoende argumenten waarom sommige mensen meer moeten verdienen dan anderen. Het gaat hem over de extreme verschillen en de gevolgen daarvan.
Bij elk van haar provocerende bevindingen wijst ze ook oplossingsrichtingen aan. In de slotparagrafen van het essay komt ze tot de globale oplossing: rechtvaardige belastingen. Concreet houdt dit een uitdrukkelijke accentverschuiving in van belasting op arbeid (belastingen die verhoudingsgewijs het minst opleveren) naar een progressieve belasting op vermogens, met een maximaal tarief tussen zeventig en tachtig procent. Als je weet dat vermogens nu nauwelijks belast worden (ondanks het geweeklaag van economisch aangestuurde politici), en veel belastingen vooral lineair zijn (btw-tarieven zijn voor rijk en arm exact dezelfde), zie je de radicaliteit én de noodzakelijkheid van deze oplossing.
Nog een stap verder is de dringende noodzaak om internationale afspraken te maken ten einde belastingen te kunnen heffen op bedrijfswinsten van multinationals. Zij betalen nu nauwelijks en vaak zelfs geen (u leest goed) belastingen maar genieten wel ten volle van met belastinggeld betaalde voordelen (wie heeft er de luchthavens gefinancierd waar Ryanair misbruik van maakt?). Nu beconcurreren landen elkaar om bedrijven nog méér voordelen toe te kennen (‘fiscale rulings’) wat in de praktijk neerkomt op het legaal maken van belastingontduiking. Nederland geniet in Europa de bedenkelijke reputatie een belastingparadijs te zijn, België weigert haar fiscale afspraken met multinationals bekend te maken. De verklaring daarvoor komt al vroeger in het essay aan bod: extreme ongelijkheid is zeer slecht voor de democratie.

Dergelijke ingrijpende veranderingen kunnen alleen maar als ze gedragen worden door een zo breed mogelijke groep in de samenleving. Misschien wordt de coronacrisis een wake up call, en komen er democratische ingrepen in die richting. Misschien ook niet. In dat geval ziet het er niet goed uit, want dan zal de ongelijkheid blijven toenemen, tot de bom barst. Letterlijk.

 

Ingrid Robeyns (2019)
Rijkdom. Hoeveel ongelijkheid is nog verantwoord?
Amsterdam: Prometheus, Nieuw Licht, 98 pagina’s.
ISBN 978 90 446 3975 9

 

Paolo Giordano

Paolo Giordano

In tijden van besmetting.

 

Herinner je je nog de wondermooie debuutroman De eenzaamheid van de priemgetallen, geschreven door de toen piepjonge Paolo Giordano? Als je dat boek de moeite vond, dan dit ook. En als je dat boek niet kent, ook dan is de kans groot dat je dit de moeite waard zult vinden.Als Italiaan heeft Giordano COVID-19 vanop de eerste rij moeten meemaken, iets wat ons bespaard is gebleven. En wat doet een schrijver dan? Juist, hij gaat schrijven. Dit essay (het is géén roman) toont hoe hij greep probeert te krijgen op het ongrijpbare, waarbij hij als wiskundige terugvalt op de zekerheid van de getallen, wat hij met de poëzie van een literator verwoordt (je wenst je kinderen zo’n wiskundeleraar toe). ‘Want wiskunde is niet zozeer de wetenschap van getallen, maar de wetenschap van relaties.’ Hij beschrijft de mathematica van de besmetting zo mooi dat je bijna zou vergeten dat het over pure tragiek gaat.

Zijn analyse brengt hem tot een vaststelling die we allemaal dringend ernstig moeten nemen: wij zijn een gemeenschap. De voorbije decennia waren we dat vergeten (‘There is no such a thing as a society’, hield Thatcher ons voor), maar CoV-2 brengt ons terug bij de les. Het is tijd dat we ons opnieuw gedragen naar die vaststelling in plaats van anderen de loef te willen afsteken door snel snel als eerste een vaccin te ontwikkelen en vervolgens duur te verkopen. Dat we eens grondig nadenken over de oorzaken van COVID-19, die dezelfde zijn als van SARS, MERS en HIV. En van het verdwijnen van oeroude olijfbomen in Italië door parasiet Xylella fastidiosa. Vluchtelingen houden we tegen aan de grenzen, virussen geven we de vrije baan en brengen we zelfs binnen (‘Virussen houden van vakantie’).
Anders gaan leven zullen we sowieso moeten doen; anders betekent niet minder van hetzelfde, niet hetzelfde voor minder mensen, wel ànders. Zijn slotzin geef ik graag mee:

‘Om deze tijd beter te gebruiken, hem te benutten om te bedenken wat we in normale omstandigheden niet kunnen bedenken: hoe we hier gekomen zijn, hoe we de draad weer op willen pakken. De dagen tellen. Opdat wijsheid ons hart vervult. Niet toestaan dat al dit lijden voor niets is geweest.’

 

 

Paolo Giordano (2020)
In tijden van besmetting.
Amsterdam: De Bezige Bij, 80 pagina’s.
ISBN 978 94 031 9830 9

 

Coen Simon

Coen Simon

Pleidooi tegen enthousiasme.

 

Een tijd terug publiceerde filosoof Ignaas Devisch een pleidooi tegen (een verkeerd gebruik van) empathie. Coen Simon houdt nu een even terecht pleidooi tegen enthousiasme. De opgefokte versies daarvan hebben we samen met obesitas overgenomen van de V.S., denk aan het ‘pitchen’ van ideeën en de hijgerige ‘dialogen’ in talkshows (het woord alleen al). Enthousiasme is meer genietbaar dan postmodern cynisme, maar als remedie daartegen is het even erg als de kwaal. In beide gevallen is waarheid de klos. Bij het postmodernisme omdat het bestaan ervan betwijfeld wordt; in het geval van enthousiasme omdat het kritisch nadenken wegvalt.

Sedert de ‘post’ bewegingen (postmodernisme, poststructuralisme, post…) is het bon ton te stellen dat juiste kennis niet bestaat, dat alles neerkomt op een constructie (wie mocht denken dat dit nieuw is, hij of zij wendde zich tot de sofisten ten tijde van Socrates.) Samen met het wegvallen van de onderstuttende Grote Verhalen veroorzaakt het postmodernisme veel onzekerheid en een zoektocht naar De Waarheid. Die vervolgens met het nodige enthousiasme verkocht wordt. Dat laatste mag je letterlijk begrijpen, want in onze vermarkte samenleving moet alles renderen. De gevolgen worden zichtbaar in een aantal nieuwe uitdrukkingen: post truth, fake science, influencers, redpillling, alternative facts; kortom, in het getrumpetter van onze tijd.

Voor Coen Simon leven wij niet zozeer in het ‘post truth’ tijdperk, wel in een periode van postautoriteit – daar ben ik het volledig mee eens. Geen waarheid zonder gezag waarin men vertrouwen heeft (gezag berust altijd op geloof, dat wist Pascal al, en in 1954 legde Hannah Arendt dat nog eens haarfijn uit). Wij hebben het geloof in het patriarchale gezag bij het groot huisvuil gezet (gelukkig maar), in de plaats daarvan kunnen we best een keuze maken voor de autoriteit van wetenschap en ethiek. Daar wringt het schoentje: wetenschappers vertrekken bij twijfel, mensen willen zekerheid.

Nou, die kunnen ze krijgen, in alle kleuren, geuren en smaken, en steeds enthousiast gebracht op dezelfde plaats: het internet, met twitter en YouTube op kop. Het is een bedenkelijke, zelfs gevaarlijke zekerheid. Simon verwijst naar een onderzoek van De Correspondent en de Volkskrant waaruit blijkt hoe en met welke snelheid YouTube vooral rechtse radicalisering in de hand werkt. Rechtse radicalisering staat voor vrouwenhaat, anti-LGTB, racisme, antisemitisme, klimaatontkenning, … De strategie heet ‘redpilling’ (naar ‘the red pil’ uit The Matrix) en gebeurt via filmpjes waarin charismatische leiders een complex betoog afsluiten met eenvoudige conclusies (negers zijn dommer dan blanken; feministes zijn gevaarlijk; mannen moeten weer de baas worden), wat ervoor zorgt dat iemand ‘geredpilled’ wordt en plots de ‘linkse leugens’ over feminisme, multiculturaliteit, migratie of het jodendom doorziet en eindelijk begrijpt waarom leiders zoals Trump, Bolsonaro, Orbán, Putin, … ons zullen redden (en we vluchtelingen maar beter laten verdrinken, kijk naar Geert Mak en huiver: https://www.vpro.nl/programmas/in-europa/kijk/afleveringen/2019-2020/vluchtelingen.html)

Voor wie dergelijke fenomenen als marginaal beschouwt, is dit onderzoek een ijskoude douche. Het aantal volgers is enorm en de tijdspanne waarin zij radicaliseren is benauwelijk kort; het onderzoek zoemt in op een aantal (Nederlandse) gebruikers en toont hoe snel ‘redpilling’ plaatsgrijpt. Het risico op rechts terrorisme is ondertussen vele malen groter dan gelijk welke andere vorm van terreur. Voor het onderzoek, ga naar

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2019/hoe-youtube-rechtse-radicalisering-in-de-hand-werkt/

en

https://www.volkskrant.nl/kijkverder/t/2019/radicalisering-youtube/

Als remedies overloopt Simon kunst, nieuws en wetenschap. Sedert fotoshopping is beeldmateriaal notoir onbetrouwbaar geworden. Kunst krijgt een nieuwe functie: in plaats van te focussen op waarheid – de ‘krietiese’ kunst van de seventies – kan ze ons helpen door bijvoorbeeld te laten zien hoe wij kijken. Nepnieuws moeten we niet alleen te lijf gaan met ‘fact checking’, maar wel met meer geld voor onafhankelijke onderzoeksjournalistiek. Voor gezagsvolle wetenschap verwijst Simon naar Popper, maar die is, wat mij betreft, achterhaald. Met zijn aanpak (falsificatie) blijf je uiteindelijk over met een grote berg Niets. Poppers verwittiging tegen De Ideale Samenleving op grond van wetenschap vind ik dan wel terecht. Een maatschappij baseer je in eerste instantie op ethische keuzes, waar je vervolgens wetenschap bij betrekt. Maar dan moet je dat wel doen, en daarbij is consensus tussen wetenschappers voor mij een meer dan afdoende argument om iets als een (weliswaar altijd voorlopige) waarheid aan te nemen (zie ook https://boekenblog.paulverhaeghe.com/cailin-oconnor-james-owen-weatherall/)

 

Coen Simon beschrijft zijn, beschrijft onze zoektocht naar houvast, nadat we God en klein pierke op de vrije markt gegooid hebben. Een zoektocht die best gebaseerd wordt op geduld en redelijkheid, met de nodige argwaan tegenover geestdrift. Een plotse omslag naar drift is gauw gemaakt, terwijl verandering stapsgewijs en dus traag verloopt. Hij mondt mooi uit bij Hannah Arendt die een pleidooi hield voor ‘[…] een nauwelijks te vatten, maar fundamenteel vertrouwen in het menselijke in alle mensen’.

 

Ik beken: ik heb het boekje met stijgend enthousiasme gelezen.

 

Coen Simon (2020)
Pleidooi tegen enthousiasme.
Amsterdam: De Bezige Bij, 94 pagina’s.
ISBN 978 94 031 8420 3

Nathalie Heinich

Nathalie Heinich
Wat onze identiteit niet is.

Een boek bespreken gewijd aan een onderwerp waar je zelf jaren geleden over gepubliceerd hebt (Identiteit verscheen in 2012) is een heikele zaak. Onvermijdelijk ga je vergelijkingen maken, genre ‘Dat schreef ik toen al’ en ‘Hier mist de auteur een mooie kans om…’ Het besef dat elk boek, dus ook de mijne, een origineel plagiaat is gebaseerd op andere auteurs, helpt tegen een steeds sluimerend narcisme.

Cultuursociologe Nathalie Heinich heeft een duidelijk doel: het verhelderen van het begrip identiteit, dat in se onduidelijk is en daarom zo makkelijk politiek misbruikt kan worden. Verheldering brengt ze door in zeven korte hoofdstukken uiteen te zetten wat identiteit niet is.

Het is geen links (identiteit van minderheidsgroepen) of rechts (dé nationale identiteit) begrip. ‘Ruitenwissersdenken’, zo beschrijft ze het misbruik dat sommige politici maken van het identiteitsbegrip (met accent op ruitenwissers, veel denken komt er niet aan te pas).

Het is geen objectief, vaststaand gegeven (de ‘essentalistische’ benadering) maar ook geen illusie (de postmoderne visie). Niet vaststaand, omdat identiteit gebaseerd is op verhalen, voortdurend verschuift en bovendien meervoudig is. Geen illusie, omdat ‘geconstrueerd’ geen synoniem is aan verzonnen of onecht. Een nationale identiteit is een gemeenschappelijke mentale voorstelling met reële, consistente effecten, gaande van taal tot voedingsgewoonten. Dat een dergelijke voorstelling samen met haar effecten historisch evolueert, maakt een dergelijke identiteit nog belangrijker, want daarmee staat ze open voor manipulatie. Een binaire visie (of feitelijk, of illusoir) op identiteit is te naïef (een binaire visie is altijd naïef).

Identiteit blijft niet beperkt tot een nationale identiteit (laat staan tot een regionale). Wat nationalisten nauwelijks beseffen is dat ‘hun’ identiteit niet ouder is dan de negentiende eeuw. Eigenlijk beseffen ze dat wel, want net daarom probeert elke nationalistische beweging haar oorsprong in een zo ver mogelijk maar altijd roemrijk verleden te leggen. Voor Nederland: de Bataven; voor België: Julius Caesar, met zijn opmerking in de openingsparagraaf van De Bello Gallico (‘Gallia est omnis divisa in partes tres, (…) Horum omnium fortissimi sunt Belgae’). Waarbij de Belgen altijd het vervolg van de zin vergeten: ‘Van al dezen zijn de Belgen de dappersten, omdat ze het verst verwijderd zijn van de cultuur en fijnere beschaving van de provincia, naar hen slechts weinig kooplui reizen en zo door hun invoer (van artikelen) aanzetten tot verzwakte geesten.’

Identiteit valt niet te reduceren tot assimilatie of differentiatie, want ze is zowel individueel (ipse, ikzelf en dus verschillend van anderen) als groepsgebonden (idem, dus gelijk aan anderen).

Identiteit is niet twee-, laat staan eendimensionaal. Het meervoudige karakter (geslacht, familie, leeftijd, taal, religie, …) verklaart de evoluerende aard ervan (dochter/vrouw/moeder; jongere/senior; single/getrouwd, …). Vooral het binaire model is bedrieglijk. Het idee dat we een persoonlijke identiteit bezitten, nààst een sociale, ligt aan de basis van een hardnekkige illusie: dat individuen onafhankelijk van een maatschappij kunnen bestaan, met zelfs een tegenstelling tussen individu en samenleving. Elke identiteit is nauw verweven met de ander, en bij uitbreiding, met het maatschappelijke. Zelfs als ik wil ontsnappen aan de mij toegeschreven identiteiten (‘man’, ‘hoogleraar’, …), is mijn identiteit ten volle betrokken in een maatschappelijke wisselwerking. Zelfperceptie gaat altijd terug op perceptie van anderen, ook wanneer je deze afwijst.

In het laatste hoofdstuk lezen we op de eerste pagina wat identiteit wél is: ‘De uitkomst van het geheel van procédés waarmee een predicaat aan een object wordt toegekend.’ De sleutelwoorden van de definitie – uitkomst, geheel, procédés, predicaat, toegekend, object – licht ze toe in de vijf volgende pagina’s. Daarna kan de lezer eindelijk voor de spiegel gaan staan (‘Wie ben ik?’).

Kort, krachtig, genuanceerd, zo kan ik dit boek het best omschrijven. En stukken beter dan bijvoorbeeld Finkelkraut (Ongelukkige identiteit) of Fukuyama (Identity).

 

Nathalie Heinich (2019)
Wat onze identiteit niet is.
Amsterdam: Prometheus, 141 pagina’s.
ISBN 978 90 446 4173 8

 

 

 

 

Bas van Bavel

Bas van Bavel
De onzichtbare hand.
Hoe markteconomieën opkomen en neergaan.

 

Een van de betere manieren om te beseffen hoe wij, als individu maar ook als maatschappij, dezelfde processen herhalen, is een grondige studie van het verleden. Welke toekomst wacht onze door een vrijemarkteconomie gedomineerde samenleving? Dit boek (oorspronkelijk gepubliceerd in het Engels, door de prestigieuze Oxford University Press) zou wel eens een klassieker kunnen worden. Als historicus biedt van Bavel op grond van degelijk studiewerk een andere blik op de evolutie van marktsamenlevingen in het algemeen en op de onze in het bijzonder.

Inderdaad, marktsamenlevingen, in het meervoud. Dat is al een eerste originele bevinding waarmee dit boek ingaat tegen de dominante opvatting die het vrijemarktkapitalisme als een recent fenomeen van de industriële revolutie beschouwt. Klassiek wordt het ontstaan ervan gesitueerd begin negentiende eeuw, met een forse opgang in de twintigste. In de tweede helft van de vorige eeuw komt er een onwrikbaar geloof in de vrije markt, als bron van vooruitgang, vrijheid en democratie, op de koop toe gebaseerd op een zelfregulerend mechanisme, sedert Adam Smith bekend als ‘de onzichtbare hand’. Tot vandaag de dag gebruiken neoliberale politici dat verondersteld zelfregulerend mechanisme als argument om overheidsinterventies zoveel mogelijk af te schaffen.

De laatste decennia komt dit geloof in het gedrang door de opeenvolgende economische crisissen. De verklaring voor de crisissen kan twee richtingen uitgaan. Volgens de gelovigen zijn zij slechts tijdelijke rimpelingen die vanzelf zullen verdwijnen op voorwaarde dat we nog méér vrije markt installeren. Volgens de ketters zijn de crisissen het startpunt van het onvermijdelijke einde dat ingebakken ligt in het systeem, en moeten we het roer radicaal omgooien. Beide opvattingen gaan uit van een lineaire visie op de geschiedenis, de ene opwaarts, de andere bergaf, beiden even onafwendbaar.

Van Bavel toont aan dat marktsamenlevingen al veel langer bestaan dan de negentiende eeuw, en bovendien dat ze een cyclisch verloop kennen, van opgang, bloei, stagnering tot ondergang. Het cyclische verloop is meteen zijn tweede originele bijdrage tot de studie van het verband tussen economie, markt en maatschappij.

In een eerste hoofdstuk beschrijft de auteur de klassieke opvatting samen met zijn eigen stellingen. Daarbij is het onderscheid tussen ‘productmarkten’ (de alledaagse invulling van markt) en de pas later in de geschiedenis ontstane ‘factormarkten’ van belang. Op factormarkten worden de productiefactoren verhandeld, met name de middelen om goederen en diensten te produceren, zoals grond, arbeid en kapitaal. In traditionele samenlevingen blijven grond en kapitaal in de schoot van een familie of een organisatie, waarbinnen ook het leeuwenaandeel van de arbeid gebeurt. In doorgedreven marktsamenlevingen worden ze verhandeld. Belangrijk om weten is dat de regelgeving bij de handel in grond, arbeid en kapitaal een veel grotere impact op de samenleving heeft dan deze bij productmarkten. Afhankelijk van de aard en omvang van de regelgeving kan de impact van factormarkten zeer verschillend zijn. Bij wijze van voorbeeld: hoeveel interest is er toegelaten? Wat zijn de fiscale maatregelen? Welke tijdslimieten worden er opgelegd bij verkoop (tegenwoordig koopt en verkoopt men aandelen binnen de tijd van één seconde). Wijzigingen in dergelijke regelgevingen hebben een enorme invloed op de accumulatie van geld en bijgevolg op de maatschappij.

Dit wordt ten overvloede geïllustreerd in de daarop volgende hoofdstukken. Van Bavel toont aan dat marktecononomieën reeds lang voor het industriële tijdperk bestonden en dat we over voldoende data beschikken om ze aan wetenschappelijk onderzoek te onderwerpen: het Irak van de achtste tot de dertiende eeuw, de Noord-Italiaanse stadstaten vlak voor en tijdens de Renaissance, de Lage Landen van de late middeleeuwen tot en met de Gouden Eeuw. Vervolgens vergelijkt hij deze vroege vormen van markteconomie met meer hedendaagse (Engeland in de periode 1500-1800, gevolgd door de VS 1800-1850 en ten slotte Noordwest-Europa vanaf 1950) met als doel na te gaan of hij ook daar gelijkaardige cylische bewegingen kan aantreffen.

De belangrijkste conclusie van dit boek zal ongetwijfeld bekend worden als ‘de cyclus van van Bavel’. Hij herkent in de door hem beschreven markteconomieën een telkens terugkerend verloop, van aanvankelijk positief, gevolgd door stagnatie en uiteindelijk negatief, waarna de cyclus zich herhaalt (zij het meestal elders). Het vernieuwende zit hem in de gedetailleerde analyse van het verloop, in de vaststelling dat dit reeds meerdere malen in de geschiedenis opgetreden is, en – natuurlijk – in de herkenbaarheid voor wat vandaag de dag bij ons bezig is.

De korte samenvatting van de cyclus geef ik graag weer in de bewoording van de auteur zelf: “(…) de oorspronkelijk zo positieve terugkoppelingscyclus van toenemende vrijheid, groeiende factormarkten en economische groei slaat om in een negatieve cyclus van toenemende maatschappelijke polarisatie, een toenemende verstoring van het marktevenwicht ten gunste van de belangen van de marktelites, en stagnatie van de economie, uiteindelijk gevolgd door relatieve of absolute achteruitgang.” (p.371). Een langere beschrijving geef ik in de volgende paragrafen.

De aanvangsperiode is uitdrukkelijk positief. Een feodaal tijdperk leidt tot maatschappelijke revolte, gevolgd door een samenleving met een hoge graad van zelforganisatie van gewone mensen. Dat leidt tot grotere vrijheid en grotere activiteit, met meer producten en dus ook meer handel. Voor van Bavel verklaart dit de positieve visie van Adam Smith in The Wealth of Nations (1776), want de studie van Smith betreft de ‘gunstige fase van de Engelse cyclus’. De markt zoals wij die kennen, vindt in die periode haar ontstaan, wat op zijn beurt de basis vormt voor de ontwikkeling van factormarkten. Het is deze positieve aanvangsperiode  die tot vandaag de dag gebruikt worden om ‘de’ vrijemarktsamenleving te verdedigen, waarbij er geen rekening gehouden wordt met de verdere evolutie. Na de mooie aanvangsfaze volgt er helaas een negatieve evolutie die men probeert op te lossen met nog meer vrije markt, in de illusie dat deze zichzelf zal corrigeren. Voorbij een bepaald punt verdwijnen de zelfcorrigerende mechanismen en gaat het steeds sneller de verkeerde richting uit. De oorzaak ligt in een uiterst belangrijke accentverschuiving: van productiemarkten naar factormarkten en dan vooral naar kapitaalmarkten. Kapitaal is niet langer een middel, maar wordt een doel.

De oorspronkelijke bedoeling van kapitaalmarkten (denk aan de eerste ‘beurs’) was het faciliteren van ondernemingen en dus van de productie en handel (kapitaal als middel).… Lees verder

Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke
Rutger Bregman

 

 Dirk Van Duppen & Johan Hoebeke

De supersamenwerker

 

Rutger Bregman

De meeste mensen deugen. Een nieuwe geschiedenis van de mens.

Korte dagen, lange avonden, dus tijd voor een luie stoel onder de leeslamp, een glas wijn en een feel good-boek. Ik heb er twee en bespreek ze samen, eenvoudigweg omdat ze bij elkaar horen. Ze behandelen hetzelfde onderwerp (de wetenschappelijke onderbouwing van solidariteit en empathie) vanuit een verschillende invalshoek (natuurwetenschappelijk; menswetenschappelijk), ze hebben hetzelfde doel (het naar voren schuiven van een correcter mensbeeld), ze komen tot gelijkaardige conclusies, zij het met verschillende accenten (politiek-maatschappelijk; ontologisch-beschouwend).  Kortom, ze vullen elkaar mooi aan.

Beide werken zijn geschreven vanuit een persoonlijke missie. Dirk Van Duppen behoort tot de linkse PVDA en werkt sinds jaar en dag als arts bij Geneeskunde voor het Volk, zie https://www.humo.be/humo-archief/405975/dirk-van-duppen-het-grote-afscheidsinterview-voor-farmabedrijven-is-een-levensjaar-50-000-euro-waard; biochemicus Johan Hoebeke is eveneens lid van de PVDA en gewezen onderzoeksleider aan het Centre National de Recherche Scientifique (Frankrijk). Rutger Bregman is de zoon van een dominee en kreeg zowel kritisch nadenken als predikantschap met de paplepel mee. Beide boeken illustreren hoe wetenschap nooit neutraal kan zijn (maar wel objectief moet blijven). Alleen al de keuze van het onderwerp en de bijbehorende onderzoeksvragen hebben een sturend effect. Mensen uit neoliberale thinktanks zullen solidariteit nooit op hun onderzoeksagenda plaatsen, zij focussen op concurrentie.

De supersamenwerker dateert van 2016 en kreeg aanvankelijk weinig aandacht. Marxisme en ultralinks zitten tegenwoordig in het verdomhoekje. Ondertussen is er een vierde druk. De meeste mensen deugen werd reeds voor de publicatie de hemel in geprezen en kende binnen de kortste keren meerdere herdrukken. Beide boeken krijgen aanbevelingen van een rij prestigieuze professoren, met als opvallend verschil dat er bij De supersamenwerker zes tot de top behoren van de natuurwetenschappen. Het cliché dat natuurwetenschappers ‘rechts’ zouden zijn, vindt hier alvast geen bevestiging.

Ook een ander cliché gaat voor de bijl. In het Westen zijn wij er al eeuwenlang van overtuigd dat de mens (vooral de andere mens) door en door slecht is, en dat vanaf de geboorte; zonder strenge opvoeding en centraal gezag komt er ‘oorlog van allen tegen allen’ (Hobbes). In de vorige eeuw werd dat nog eens wetenschappelijk bevestigd ook, denk maar aan Milgram (de beul in ons) en Dawkins (Het zelfzuchtige gen). Confess, confess! Na het lezen van deze boeken kijk je op een andere manier in de spiegel: je ziet een in se zachtaardig wezen dat zich vooral goed voelt bij geven en krijgen en pas gewelddadig wordt na serieuze aanporring. Research van pakweg de laatste vijftien jaar weerlegt tweeduizend jaar zelfhaat en ontmaskert en passant heel wat slecht onderzoek.

De supersamenwerker bestaat uit twee delen, een wetenschappelijk-onderzoeksmatig en een historisch-wetenschappelijk. Het eerste deel bundelt research uit onder andere neurowetenschappen, experimentele evolutionaire psychologie en paleoantropologie. Het tweede deel bespreekt de geschiedenis van de manier waarop we naar onszelf kijken. Het gemeenschappelijke onderwerp van het geheel betreft intermenselijke verhoudingen, met accent op samenwerking.

‘Waarom wij samenwerken’, het eerste deel, is een bijzonder geslaagde weergave van heel veel recent onderzoek. Er is een uitvoerig notenapparaat waar een kritische lezer de bronnen kan natrekken (die zijn erg overtuigend). Wie een voorkeur heeft voor natuurwetenschappen komt ruim aan zijn trekken in de hoofdstukken over neurologie en evolutieleer, waaruit blijkt dat anderen helpen, empathie en altruïsme in onze biologische make-up ingebakken liggen. De ontdekkingen van de voorbije decennia zijn fascinerend, gaande van spiegelneuronen, oxytocine (het knuffelhormoon), over nervus vagus tot prosociaal gedrag bij kleuters –  veel te veel om hier op te sommen. Peuters vertonen spontaan help- en deelgedrag, maar wanneer ouders hen daarvoor belonen, doet dit het gedrag afnemen. Extrinsieke motivatie kan een intrinsieke motivatie om zeep helpen (bonussen, iemand?). Een andere, ondertussen dankzij Frans de Waal bekende vaststelling is dat alle sociale dieren zeer negatief reageren op oneerlijke verdelingen. De recente wereldwijde golf van straatprotesten tegen ongelijkheid toont hoe dit ook voor Homo sapiens geldt.

De mens heeft een goede inborst, maar wat dan met onze negatieve kanten? De omgeving selecteert overwegend voor alles wat samenwerking inhoudt, maar kan ook het zelfzuchtige in het individu bevorderen. Blijkbaar werkt zoiets zelfbestendigend, want hoe meer iemand bezit, hoe minder hij wil delen. Zelfs in het verkeer zijn er opvallende verschillen: chauffeurs van dure auto’s houden zich minder aan de regels en vertonen meer asociaal gedrag dan mensen met een gewone wagen. Wie nu mocht denken dat dergelijke chauffeurs andere genen hebben – de alfa male! –  vergist zich: plaats iemand langere tijd in een positie van machtshebber en hij of zij zal dit soort gedrag vertonen (meteen een belangrijk argument om niemand al te lang in zo’n positie te houden). Ons gedrag wordt bepaald door de combinatie sociale positie & omgeving.

Een reëel risico voor goed samenleven is de vaststelling dat wij van kindsbeen af een voorkeur hebben voor onze ‘ingroup’, en afstand houden van de ‘outgroup’. Risico, omdat dit de deur wagenwijd openzet voor manipulatie en conflicten op groepsniveau, tot (burger)oorlog toe. Tonnen sociaalpsychologisch onderzoek tonen hoe makkelijk wij te manipuleren zijn. Opvallend: groepsvorming gebeurt niet op grond van aangeboren kenmerken (het volstaat een groep in twee helften te verdelen en elke groep een t-shirt aan te trekken met een verschillend kleur), en groepsvorming gaat niet automatisch een vijandige richting uit (maar kan makkelijk in die richting geduwd worden). De politieke implicaties van dergelijke vaststellingen liggen voor de hand. Hebben we verbindende of mensen-tegen-elkaar-opzettende politici? Ruimer: hoe kunnen we een samenleving organiseren die het beste in ons naar boven haalt? Dit kan een nieuwe betekenis geven aan het woord ‘excelleren’ dat tegenwoordig te pas en vooral te onpas gebruikt wordt: excelleren in samenleven, in plaats van excelleren ten koste van de ander.

Het tweede deel, ‘De geschiedenis van het denken over samenwerking’ blijft voor een flink stuk putten uit de natuurwetenschappen, met een accent op genetica, evolutietheorie en zelfs op wat we weten over het ontstaan van het leven op zich. In dit deel tonen de auteurs aan hoe wetenschappelijke gegevens misbruikt kunnen worden om onethische praktijken te rechtvaardigen door hen te voorzien van een pseudowetenschappelijke onderbouw.… Lees verder