Liesbeth Woertman

Liesbeth Woertman

Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.

Liesbeth Woertman is een Nederlandse hoogleraar psychologie in wie ik veel van mezelf herken. De dominante opvatting aan de faculteiten psychologie – dat de mens een rationeel en autonoom ‘wij zijn ons brein’-wezen is – vindt ook zij, op zijn zachtst uitgedrukt, eenzijdig.  Ook zij is opgegroeid in een niet-academisch milieu, ook zij stond eerst in het werkveld (wel vroeger en langer) en heeft pas later een academische carrière uitgebouwd, met als resultaat een ruimere blik dan veel van haar (onze) collega’s. Ook zij heeft bijzonder veel aandacht voor de invloed van de beeldcultuur op onze identiteit.

Haar boek handelt over het effect van de ogen die we op ons voelen branden. Allemaal willen we beantwoorden aan het beeld dat de wereld van ons verwacht. Media en reclame tonen perfecte lichamen, met als gevolg dat we zelf nooit goed genoeg zijn. Ik voldoe niet, en – bij uitstek voor vrouwen – ik ben nooit mooi genoeg.

De vaststelling is niet nieuw, andere auteurs brengen dezelfde boodschap, maar de manier waarop Woertman haar blik neerpent maakt het boek bijzonder. De onderwerpen die je als lezer verwacht, komen inderdaad aan bod: nepborsten, angst om je lichaam bloot te geven in combinatie met de dwang om jezelf overal te moeten tonen, seks in het selfietijdperk, de toenemende sixpack- en zwemschoudersobsessie bij mannen, moeten vrijen als een pornoster (en dat eigenlijk niet willen), e tutti quanti.

Het bijzondere is dat je bij de lectuur van het boek de schrijfster zelf leert kennen, op grond van korte, biografische stukjes verweven met het hoofdverhaal dat daardoor diepgang krijgt. We lezen dat ze vanaf haar vijftiende werkte (schoenverkoopster, typiste), ondertussen avondschool deed, zwanger werd op haar zeventiende, veel later naar de universiteit stapte en op haar veertigste doctoreerde op het onderwerp lichaamsbeelden (toen al). Op haar vijfenvijftigste wordt ze hoogleraar psychologie tussen – naar ik vermoed – jonkies die Het Leven vooral kennen op grond van academisch onderzoek (‘Het is wetenschappelijk bewezen dat…’) Zij moet zich een nog vreemdere eend in de bijt gevoeld hebben dan ikzelf.

De wendingen in haar leven kwamen er niet vanzelf. Als ze schrijft dat we de ander nodig hebben om onszelf te kunnen zien en de nog niet ontwikkelde delen naar voren te laten komen, dan weet ze waarover ze het heeft. En vermoedelijk ook over wie. Gelukkige ontmoetingen met anderen kunnen het geloof in onszelf herstellen en ervoor zorgen dat we een nieuwe, betere richting uitgaan. Dan heb ik het uitdrukkelijk over échte ontmoetingen, waarbij je iemand hoort, ziet, ruikt, voelt, niet over digitale ersatz. Helaas is het omgekeerde evenzeer waar. Anderen kunnen ons onderuit halen, en merkwaardig genoeg gebeurt dat wel grotendeels via digitale ‘contacten’.

Los van de twee uitersten – een gelukkige of fnuikende ontmoeting op grond waarvan ons leven een andere wending kan nemen – is er de sluipende invloed van de beelden en woorden die ons omringen. Zonder dat we het beseffen meten we onszelf af aan de constant voorgehouden digitale beelden en bekijken we onszelf door de camera die we overal menen te voelen.

De blik van de digitale Ander op ons lijf is onverbiddelijk omdat die Ander zelf perfect is – uitdagende vormen, eeuwig jong, altijd sexy, overal succesvol. Mijn smalle schouders, licht bollende buik en dunne haren zijn maar niks in vergelijking daarmee. Met als gevolg dat we onszelf voortdurend bijwerken. Of bijgewerkt worden. Schoolfoto’s van kinderen op de basisschool worden standaard gefotoshopt ‘zodat iedereen een fris gezichtje heeft’. Tv-shows waarin een ‘make over’ gepromoot wordt halen hoge kijkcijfers. Jonge vrouwen pronken met onder hun kleding duidelijk zichtbare gezwollen tepels – gezwollen dankzij een injectie. Vrouwen van boven de dertig die niet meer topless durven zonnen, niet uit preutsheid, wel omdat ze ervan overtuigd zijn dat hun borsten niet langer voldoen. Een pas gevormd stel dat samenslapen (en vrijen) uitstelt omdat ze zich letterlijk niet durven blootgeven.

Het lichaam is een seksueel object, daar is niks verkeerd mee (een welgevormde kont mist ook op mij haar effect niet). Maar als ons lijf alleen maar een object-om-te-tonen wordt, dat bovendien altijd voor verbetering vatbaar blijft, dan hebben we een probleem (én slechte seks, én mislukte intimiteit). Ik hoor een vijfjarig meisje haar driejarig zusje uitleggen wat hangborsten zijn en hoe lelijk dat wel is. Woertman schrijft hoe een jongen van zeven niet naar school wil, omdat zijn gezichtje er niet uit ziet (hij heeft een buil en een schram). Een vrouw vol verdriet doet mij haar verhaal terwijl de tranen over een uitdrukkingsloos gezicht rollen – uitdrukkingsloos want opgespoten met botox.

Het is allemaal al wel eens gezegd en geschreven (het boek staat vol verwijzingen naar andere boeken en is in die zin op zich een mooie boekenblog), maar zelden zo dooraderd. Dat geldt nog meer voor het slot. In 2016 kreeg Woertman te horen dat ze huidkanker had, zes maand later kwam daar de diagnose baarmoederhalskanker bovenop. Operatie, chemo, bestralingen. Ziek worden van de behandeling tegen de ziekte. Ontdekken dat het nieuwe medische riedeltje ‘samen beslissen’ onzin is – er is nooit voldoende tijd en de aangereikte kennis is steeds statistisch. ‘Neus dicht en springen lijkt me dichter bij de waarheid’, schrijft ze.

Wat kanker en de behandeling ervan met een lichaam aanrichten en dus met de verhouding tot jezelf en anderen, doet alle bekommernissen over te dunne lippen, ongelijke borsten, bierbuikjes en zwembandjes in het niets verdwijnen. Diepe angst en pijn zetten je helemaal in je blootje. ‘Je wordt ontmaskerd en staat met lege handen.’

En ja, dan hebben we anderen nodig, échte anderen die ons écht zien. Graag zien.

Liesbeth Woertman (2019)
Je bent al mooi. De schoonheid van imperfectie.
Utrecht, Uitgeverij Ten Have. 174 pagina’s.
ISBN 978 90 259 0688 7

 

Rosanne Hertzberger // Thomas Oudman & Theunis Piersma

Rosanne Hertzberger

Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.

Uit de titel blijkt de overtuiging van de auteur: wetenschap wordt zwaar overschat – toch wel een verrassende stelling uit de mond van een microbiologe. Als voorbeeld neemt ze de hype rond meditatie, naar mijn aanvoelen een wat makkelijke schietschijf. Ze maakt terecht brandhout van de wetenschappelijke ‘bewijzen’ voor iets wat in veel gevallen afgegleden is naar een louter commerciële praktijk die mijlenver verwijderd staat van de oorspronkelijke boeddhistische filosofie. Jammer dat ze geen vragen stelt over een werkzaamheid die er wel degelijk is en vermoedelijk nauwelijks met meditatie op zich te maken heeft. Placebo rangschikken onder bedrog, zoals zij terloops doet, is veel te kort door de bocht en maakt dat een echt interessante vraag niet aan bod komt: hoe komt het dat mensen in staat zijn zichzelf reëel te beïnvloeden door geloof te hechten aan bepaalde verwachtingen?

In het laatste stuk van het essay heeft ze het over wetenschap-als-bedrijf (mijn benaming) die in de haast om te scoren slechte wetenschap produceert. Minder dan de helft van onderzoek in de menswetenschappen is repliceerbaar. Dat wil zeggen: als wetenschappers een onderzoek van iemand anders op dezelfde manier overdoen, verkrijgen ze niet hetzelfde resultaat. Menswetenschappen, o ja, denkt de lezer. Maar hetzelfde geldt voor één op de drie medische studies inzake kanker. Dat is even slikken.

Wat Hertzberger beschrijft, is pijnlijk juist, net zoals de verklaringen die ze geeft, met als belangrijkste de wijze waarop onderzoeksgelden toegekend worden. Op grond van die bevindingen gaat ze vervolgens opnieuw veel te kort door de bocht. Haar stelling dat wetenschap vaak nauwelijks van religie verschilt, is simpelweg fout. Er zou moeten staan: slechte wetenschap verschilt nauwelijks van kortzichtig marktdenken of van institutionele religie. In mijn ervaring zijn sommige atheïstische wetenschappers diepgelovige mensen voor wie hun versie van wetenschap (meestal een hedendaagse variant van logisch-positivisme) alleenzaligmakend is (wie hen niet volgt, is onwetend of achterlijk). Het lijkt erop dat dit soort wetenschappers voor Hertzberger samenvalt met ‘de’ wetenschapper. Nee hoor, er zijn gelukkig ook andere, lees het boek van Oudman en Piersma dat ik doelbewust hierna bespreek.

Rosanne Hertzberger (2019)
Het grote niets. Waarom we te veel vertrouwen hebben in wetenschap.
Amsterdam, Prometheus, Nieuw licht. 89 pagina’s.

 

 

Thomas Oudman & Theunis Piersma

De ontsnapping van de natuur. Een nieuwe kijk op kennis.

Als ik met Ludo Couvreur, mijn geliefkoosde dialoogpartner, over dit boek spreek, hebben we het over ‘de poep van de kanoet’, want dat bekt zo mooi. Kanoeten zijn trekvogels waar de twee auteurs (een doctoraatsstudent biologie en zijn hoogleraar) zich over buigen, en ja, vooral over hun poep. De kanoeten leveren de rode draad voor een mooi onderbouwd pleidooi voor wetenschap zoals ze ooit bedoeld was: om vragen te stellen en vervolgens op basis van geijkte methodes proberen steeds voorlopige antwoorden te vinden. Beide auteurs hebben het schijt (de poep) aan uitspraken die je vandaag overal hoort: “Het is wetenschappelijk bewezen dat…” (in mijn vakgebied: “Het is evidence-based dat…”). Waarna er geen vragen meer kunnen of mogen gesteld worden.

In tegenstelling tot Hertzberger (Het grote niets) kiezen zij geen makkelijke schietschijf, maar gaan ze meteen voor de gouden graal van de wetenschap, met name de evolutietheorie. Op grond van overtuigende argumenten tonen ze aan dat de gangbare manier waarop we deze theorie begrijpen en helaas ook toepassen, veel te eng is en niet meer strookt met de laatste onderzoeksresultaten. Ze houden een fantastisch pleidooi voor verwondering, voor het opnieuw stellen van vragen, voor het toegeven dat we het (zelfs recent nog) verkeerd voor hadden – en dat allemaal in wat voor mij het belangrijkste wetenschapsgebied is, de biologie (het belangrijkste omdat zij het leven zelf bestudeert).

Hun twee onderling gekoppelde bevindingen luiden kort samengevat als volgt: de grenzen tussen organisme en omgeving zijn volstrekt onduidelijk, er is een voortdurende wederzijdse beïnvloeding. Bovendien is het onderscheid tussen genetisch bepaalde en verworven kenmerken (nature versus nurture) volledig achterhaald. (Ik vraag mij al geruime tijd af waarom wij zo vaak aan of/of denken doen, terwijl de praktijk uitwijst dat elke veronderstelde tweeledigheid één geheel vormt.)

De gangbare visie op erfelijkheid luidt ruw geschetst als volgt. Het bouwplan van het menselijk lichaam ligt vervat in 46 chromosomen, lange strengen DNA waarop de genen liggen, zijnde kleinere stukjes DNA die de opbouw van eiwitten bepalen. Elk gen bevat een vaste code die vertaald wordt in bepaalde eiwitten, waardoor dezelfde fenotypische (uiterlijk zichtbare) eigenschappen steeds doorgegeven worden, van generatie tot generatie (overerving). Soms gebeurt er een foutje, een mutatie, tijdens het kopieerproces (variatie), en heel uitzonderlijk levert dat een beter eindresultaat op, dat (juist omdat het beter is), grotere overlevings- en voortplantingskansen heeft (natuurlijke selectie). Laat dat proces een miljoen jaar lopen, en kijk, als glorieus eindresultaat treedt Homo sapiens naar voren (evolutie).

In deze redenering betekent ‘genetisch gedetermineerd’ dat kenmerken van een levend wezen op voorhand vastliggen in de genen en dat de invloed van de omgeving beperkt blijft tot het bevorderen of inperken van de ont – plooiing (dat woord mag je letterlijk begrijpen) van een reeds vaststaand genetisch programma. Wat er niet in zit, kan er nooit uitkomen; wat er wel in zit, komt zeker naar buiten. De sociale consequenties van deze redenering zijn immens. Wie ervan overtuigd is dat bijvoorbeeld intelligentie of zelfs persoonlijkheid erfelijk bepaald is, vindt sociale bijsturingsprogramma’s overbodig, is ervan overtuigd dat domme mensen beter minder kinderen krijgen, enzovoort.

Vandaag weten we dat deze overtuiging niet klopt, minstens om twee redenen.

De eerste reden handelt over wat ons DNA allemaal meer omvat dan de code voor de eiwit coderende genen en de manier waarop het functioneert. Van ons DNA codeert ongeveer twee procent voor eiwitten; van de overige achtennegentig procent werkt een klein deel als ‘promotoren’, de rest is ‘junk’ (wat betekent dat we tot voor kort voor veel ervan geen flauw idee hadden waarvoor het dient). Bij de kleine groep genen die wel voor eiwitten coderen is er tachtig procent die als regulator functioneert (dus als regulator eiwitten); slechts twintig procent dient voor functionele celeiwitten.… Lees verder

Bregje Hofstede // Eva Meijer

Bregje Hofstede

De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out

Dat Hofstede kan schrijven, wist ik al sedert ik haar roman Drift gelezen heb. Op zich al een voldoende reden om mij aan de lectuur van De herontdekking van het lichaam te zetten. Mijn verwachting werd helemaal bewaarheid, het staat vol fijne zinnetjes, zo maar tussendoor, die een glimlach op mijn gezicht toveren.

Dergelijke zinnetjes komen er heus niet zomaar, ze zijn het resultaat van hard en veel werken. Tijdens dat veel te hard werken om De Perfectie te bereiken is de schrijfster zichzelf tegen gekomen, en die ontmoeting verliep niet zo aangenaam. Haar lichaam liet haar duidelijk voelen dat de manier waarop ze bezig was, niet langer door de beugel kon. Tegenwoordig noemen we dat een burn-out en maken we onszelf wijs dat we het fenomeen begrijpen. Wat Hofstede doet, is die al te gratuite benaming terzijde schuiven, en op zoek gaan naar eigen woorden.

De verschillende hoofdstukjes handelen over de verhouding tussen haar en haar lijf, bij uitbreiding de verhouding van haar lichaam tot de buitenwereld (met helaas ook mannen in hun al te mannelijke versie). Als dat lichaam voorbij een bepaalde grens gedreven wordt, hetzij door onszelf, hetzij door opdringerige anderen (vaak mannen en moeders), dan ontstaat er een vergelijkbare situatie met wat in Noord-Ierland eufemistisch ‘The troubles’ genoemd werd. Ik en lichaam staan lijnrecht tegenover elkaar, gaan verschillende richtingen uit, de grenzen worden gesloten, smokkelroutes ontstaan, grensgevechten maken slachtoffers, het leven is al snel geen leven meer. Overleg is nodig, wat tijd en ruimte en veel beweging vraagt, mentaal en fysiek.

De herontdekking van het lichaam is een van die zeldzame boekjes die op nauwelijks honderd pagina’s een flink pak kennis (de bibliografie loopt over zes bladzijden) samenbrengt met een persoonlijk verhaal, bovendien ingebed in een mooie taal. Wat wil je nog meer?

Bregje Hofstede
De herontdekking van het lichaam. Over de burn-out (2016)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 124 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 694 7

 

 

Eva Meijer

De grenzen van mijn taal. Essay

Er zijn opvallend veel vrouwelijke auteurs die worstelen met zichzelf en dat in literaire essays naar buiten brengen. Marian Donner (Zelfverwoestingsboek) heeft het gehad met de dwang tot perfectie. Bregje Hofstede (De herontdekking van het lichaam) beschreef haar burn-out. In De grenzen van mijn taal beschrijft Eva Meijer haar leven met op de achtergrond een altijd dreigende depressie, nadat ze een meer dan ernstige anorexie achter zich had kunnen laten. Deze schrijfsters mengen ervaring met kennis, met gelukkig een uitdrukkelijk accent op hun eigen ervaringen.

Meijer gaat op zoek naar woorden om weer te geven wat ze meemaakt. Ze slaagt daar wondermooi in, het boek bevat bij tijd en wijle ontroerende passages, over alleen zijn, over wat zelfuithongering met je doet, over slechte dagen en hoe daarmee om te gaan. Overigens zoekt ze niet alleen woorden maar ook praktische manieren om haar leven zinvol uit te bouwen. Op de achtergrond kijkt Aristoteles mee: het aanleren van goede gewoontes in combinatie met zelfkennis helpen haar veel meer dan de huidige visie op gekte en depressie als ‘hersenstoornis’. Als bonus – naast het zoeken naar woorden en naar goede gewoontes – krijgt de lezer ook een betere, ruimere visie op wat we onder ‘gekte’ kunnen begrijpen. Ondanks het onderwerp toch een hoopvol boek.

Eva Meijer
De grenzen van mijn taal. Essay (2019)
Amsterdam, uitgeverij Cossee. 141 pagina’s.
ISBN 978 90 5936 822 4

 

Marian Donner // Ewald Engelen

Marian Donner

Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen

Zo’n titel maakt een mens nieuwsgierig, dus begon ik onmiddellijk met de lectuur. Ik ben er pas twee uur later mee gestopt, toen ik het boekje uit had. Marian Donner is een ontdekking, ze balt haar vuist, haar blik is scherp én mild, ze beschrijft uit het hart (en ongetwijfeld ook uit een aantal andere lichaamsdelen) wat Ewald Engelen (De mythe van de gemaakte vrouw, ik schreef er ook een bespreking van) op een intellectuele manier uiteenzette. Ik heb de twee boekjes ondertussen al een paar keer samen als geschenk gegeven. Ze horen bij elkaar, vind ik.

Donner is kwaad op een maatschappij waar deskundigen vertellen dat we het allemaal beter kunnen hebben, als we maar de juiste keuzes maken, authentiek zijn, in onszelf geloven, de juiste voeding kiezen, voldoende aan zelfzorg doen, yoga en mindfullness volgen, voldoende bewegen. Die hele zwik heeft maar één doel: ervoor zorgen dat we het langer volhouden, dat we langer blijven functioneren in een systeem gericht op winstmaximalisatie. Ervoor zorgen dat we blijven verdragen wat eigenlijk ondraaglijk is. Met onze ogen wijdopen lopen we erin, een nieuwe versie van ‘Eyes wide shut’. Nooit is het goed genoeg, iedereen moet excelleren – yes, we can. Wanneer we falen, hebben we ons niet voldoende ingespannen. Of, omgekeerd, hebben we net veel te veel inspanningen geleverd; foei toch, kon je het niet wat beter doseren, die burn-out heb je toch echt wel zelf gezocht.

Wat je ook doet, het is jouw schuld, jouw verantwoordelijkheid. Het systeem is zo krachtig dat we dergelijke onzin geloven en ons leven op die manier inrichten.

Honderdveertig bladzijden lang maakt ze de lezer wakker uit de slaap van het knettergekke leven dat we leiden. ‘Slaap’ met enige ironie, bijna iedereen slaapt slecht (gelukkig zijn ook daar apps voor, die je tonen hoe je nog béter voor jezelf kunt zorgen).

Natuurlijk hebben we deels ons leven zelf in de hand, en natuurlijk willen we het beter hebben en beter doen. Natuurlijk is het een zeer goed idee voor jezelf zorg te dragen (maar draag vooral zorg voor die paar mensen van wie je houdt). De vraag is alleen hoe je dat ‘beter hebben en beter doen’ definieert. Voor Marian mag het best wat meer stinken, drinken, bloeden, branden & dansen.

Marian Donner
Zelfverwoestingsboek. Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen (2019)
Uitgevers Dag Mag. 141 pagina’s.
ISBN 978 94 924789 1 7

 

 

Ewald Engelen

De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme

‘Nieuw Licht’ is een reeks boekjes geschreven in opdracht. Coen Simon en Frank Meester leggen een hedendaags denker een klassieke tekst voor, met de vraag daar een eigentijdse reactie op te schrijven. In dit geval is het onderwerp het feminisme, met als uitgangspunt De tweede sekse van Simone de Beauvoir.  Hoe zit het met de (on-)gelijkheid tussen man en vrouw? En als de vrouw gemaakt wordt, hoe wordt ze vandaag gemaakt?

Het antwoord van Engelen in een notendop: emancipatie van de vrouw betekent vandaag dat zij zich, net zoals de man, individueel naar de top van de neoliberale ladder kan vechten, waarbij alle middelen geoorloofd zijn. Als ze daarin slaagt – wat zowel bij mannen als vrouwen een uitzondering blijft – ‘mag’ ze 60 tot 80 uur per week werken voor een riant salaris. Dat deze ‘emancipatie’ bijna uitsluitend mogelijk is voor de dochters van de financiële bovenklasse wordt verdoezeld door een paar uitzonderingen uit de onderklasse flink in de verf te zeggen.

‘Feminisme’ is bovenklassefeminisme geworden, en is mijlenver verwijderd van de fundamentele maatschappijkritische ideeën van Simone de Beauvoir cum suis. Een maatschappij, een bedrijf, een universiteit is vandaag ‘feministisch’ als zij erin slagen voldoende vrouwen aan de top te brengen of te hebben. Gelijke kansen betekent: gelijke kansen aan de top.

Anders gesteld: dit soort ‘feminisme’ draagt bij tot de toenemende sociale ongelijkheid die John Lennon indertijd feilloos in één zinnetje wist samen te vatten: “Woman is the nigger of the world”. Een vrouw of neger kan nu inderdaad de top bereiken, op de rug van een zeer grote groep vrouwen en mannen die daar nooit kunnen geraken, en bovendien te horen krijgen dat dit hun eigen schuld is. En dus niks te maken heeft met structureel bepaalde ongelijkheden, zoals de sociaaleconomische positie van je ouders en het land en de regio waar je opgroeit. De ondergroep werkt vaak even hard als de ‘geëmancipeerde’ topvrouw, omdat ze twee onderbetaalde banen moeten combineren.

De ironie van deze pijnlijk juiste analyse is dat Engelen hiermee aantoont dat de basisstelling van de Beauvoir nog altijd juist is. Je wordt niet geboren als vrouw, het is de maatschappij die de vrouw maakt. De huidige maatschappij maakt mannen en vrouwen wijs dat ze zichzelf maken, in alle vrijheid, met accenten zoals zelfontplooiing, excelleren, creativiteit, authenticiteit, zelfreflectie, persoonlijke groei. Just do it! Alles kan en mag, op voorwaarde dat het bijdraagt tot winstmaximalisatie. Het resultaat is een ‘dog eat dog’ wereld, waar mannen en vrouwen inderdaad steeds meer dezelfde honden worden. Onderaan de straathonden, bovenaan de topdogs. Brrrrr.

Engelen heeft een strijdvaardig essay geschreven. Een must voor vrouwen en heel zeker ook voor mannen die zich afvragen hoe het allemaal zo ver is kunnen komen. Best samen te lezen met het boekje van Marian Donner, zie hierboven. En ja, we hebben dringend nood aan een eigenlijke emancipatie.

Ewald Engelen
De mythe van de gemaakte vrouw. Nieuw licht op het feminisme (2019)
Amsterdam, Ambo/Anthos. 98 pagina’s.
ISBN 978 90 263 3545 7