<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/wp-content/plugins/rss-feed-styles/public/template.xsl"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	xmlns:rssFeedStyles="http://www.lerougeliet.com/ns/rssFeedStyles#"
>

<channel>
	<title>Boekenblog &#8211; Paul Verhaeghe | Boekenblog</title>
	<atom:link href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/category/boekenblog/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com</link>
	<description>Een van de mooiste geschenken is een boek, hetzij omdat het je wakker schudt, hetzij omdat het je helpt inslapen.</description>
	<lastBuildDate>Fri, 25 Sep 2026 07:40:21 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-BE</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.1.2</generator>
<rssFeedStyles:reader name="Digg Reader" url="http://digg.com/reader/search/https%3A%2F%2Fboekenblog.paulverhaeghe.com%2Ffeed%2F"/><rssFeedStyles:reader name="Feedly" url="http://cloud.feedly.com/#subscription%2Ffeed%2Fhttps://boekenblog.paulverhaeghe.com/feed/"/><rssFeedStyles:reader name="Inoreader" url="http://www.inoreader.com/?add_feed=https%3A%2F%2Fboekenblog.paulverhaeghe.com%2Ffeed%2F"/><rssFeedStyles:button name="Like" url="https://www.facebook.com/sharer/sharer.php?u=%url%"/>	<item>
		<title>Interviews</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/interviews/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=interviews</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 25 Sep 2026 07:40:21 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4230</guid>

					<description><![CDATA[<p>&#160;</p>
<h2>Interviews</h2>
<p>Marnix Verplancke ging met mij in gesprek over &#8216;Grenzeloos&#8217;, <em>Filosofie Magazine</em> heeft het  vandaag online geplaatst, je  vindt het <a href="https://www.filosofie.nl/paul-verhaeghe-een-grenzeloze-wereld-is-een-onveilige-wereld/">hier. </a></p>
<p>&#160;</p>
<p>Ann van den Broek deed hetzelfde, maar dan uitvoeriger voor <em>De Morgen</em>, het interview wordt gepubliceerd in de weekend editie die morgen verschijnt.</p>
<p>&#160;</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<p>&nbsp;</p>
<h2>Interviews</h2>
<p>Marnix Verplancke ging met mij in gesprek over &#8216;Grenzeloos&#8217;, <em>Filosofie Magazine</em> heeft het  vandaag online geplaatst, je  vindt het <a href="https://www.filosofie.nl/paul-verhaeghe-een-grenzeloze-wereld-is-een-onveilige-wereld/">hier. </a></p>
<p>&nbsp;</p>
<p>Ann van den Broek deed hetzelfde, maar dan uitvoeriger voor <em>De Morgen</em>, het interview wordt gepubliceerd in de weekend editie die morgen verschijnt.</p>
<p>&nbsp;</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Grenzeloos</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/grenzeloos/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=grenzeloos</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 23 Sep 2026 03:09:17 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4224</guid>

					<description><![CDATA[<h2>Grenzeloos</h2>
<p>&#160;</p>
<p>Op 25 september komt <em>Grenzeloos</em> uit (De Bezige Bij, 202 blz.). In dit boek wil ik onze drang naar meer en ons verlangen naar begrenzing begrijpen. De voorbije decennia leggen neoliberale politici tot vervelens toe het accent op groei en vooruitgang. Het verlangen naar groter, sneller, sterker is natuurlijk veel breder en ouder, en heeft ons zoveel voordelen opgeleverd dat we er maar moeilijk afstand van kunnen doen. Lijnrecht daartegenover staat de al even tijdloze vaststelling dat zowat elk moreel systeem een pleidooi houdt voor matiging en inperking.</p>
<p>&#160;</p>
<p>In <em>Grenzeloos</em> verbind ik deze tegenstelling met een natuurwet: op groei volgt altijd krimp. De omvang van onze vooruitgang heeft intussen een punt bereikt waarop de natuur zelf haar remsystemen in werking stelt. De vraag is of we de onvermijdelijke matiging aan de natuur zullen overlaten, dan wel of we in staat zijn ze zelf te sturen. En wat het ons kost als we dat niet doen.</p>
<p>&#160;</p>
<p>&#160;</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2>Grenzeloos</h2>
<p>&nbsp;</p>
<p>Op 25 september komt <em>Grenzeloos</em> uit (De Bezige Bij, 202 blz.). In dit boek wil ik onze drang naar meer en ons verlangen naar begrenzing begrijpen. De voorbije decennia leggen neoliberale politici tot vervelens toe het accent op groei en vooruitgang. Het verlangen naar groter, sneller, sterker is natuurlijk veel breder en ouder, en heeft ons zoveel voordelen opgeleverd dat we er maar moeilijk afstand van kunnen doen. Lijnrecht daartegenover staat de al even tijdloze vaststelling dat zowat elk moreel systeem een pleidooi houdt voor matiging en inperking.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>In <em>Grenzeloos</em> verbind ik deze tegenstelling met een natuurwet: op groei volgt altijd krimp. De omvang van onze vooruitgang heeft intussen een punt bereikt waarop de natuur zelf haar remsystemen in werking stelt. De vraag is of we de onvermijdelijke matiging aan de natuur zullen overlaten, dan wel of we in staat zijn ze zelf te sturen. En wat het ons kost als we dat niet doen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Daisy Fancourt</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/daisy-fancourt/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=daisy-fancourt</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Mon, 07 Sep 2026 05:18:20 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4206</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Daisy Fancourt</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong> </strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Dat kunst goed is voor ons, behoeft nauwelijks betoog. Een concert kan ontroeren, een roman ons zelfbeeld veranderen, schilderen of musiceren kan rust brengen. Daisy Fancourt wil verder gaan dan zulke persoonlijke ervaringen. In <em>Kunst als medicijn </em>stelt de Britse psychobiologe een ambitieuzere vraag: wat weten we wetenschappelijk over de invloed van kunst op onze lichamelijke en geestelijke gezondheid?</p>
<p style="font-weight: 400;">Het antwoord blijkt verrassend omvangrijk. Fancourt bespreekt onderzoek naar pijn, depressie, stress, cognitieve achteruitgang en dementie, maar ook naar ontstekingsprocessen, het immuunsysteem en zelfs levensduur. Daarbij hanteert ze een zeer ruime definitie van kunst. Niet alleen theater, literatuur, muziek of museumbezoek komen aan bod, maar ook schilderen, tekenen, dansen, musiceren, schrijven, breien – ik voeg er graag koken aan toe. Het onderscheid tussen hoge en lage kunst interesseert haar niet; centraal staat de ervaring van creativiteit.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als hoogleraar psychobiologie is ze zich terdege bewust van het risico dat een boek met een titel <em>Kunst als medicijn</em> gemakkelijk weggezet kan worden als vrijblijvende welzijnspraat. Ze heeft dat zorgvuldig ondervangen door een indrukwekkend brede wetenschappelijke onderbouw: gerandomiseerde gecontroleerde studies, longitudinaal onderzoek, epidemiologische gegevens, experimenten en onderzoek naar biologische mechanismen wisselen elkaar af. Ze geeft bovendien zelf de beperkingen aan: een samenhang is nog geen oorzakelijk verband, en kunst is geen wondermiddel dat kanker, dementie of depressie ‘geneest’. De individuele verhalen waarmee ze haar onderzoeksresultaten afwisselt, maken dat deze overvloed aan wetenschap leesbaar blijft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een aantal conclusies zijn sterker onderbouwd dan andere. Voor pijn en depressieve symptomen bestaat behoorlijk overtuigend interventieonderzoek: muziek en andere artistieke activiteiten kunnen klachten aantoonbaar verminderen, meestal als aanvulling op een gewone behandeling. Bij dementie ligt dat moeilijker. Cultureel actieve mensen blijken gemiddeld minder cognitieve achteruitgang te vertonen, maar zulke mensen verschillen ook op andere vlakken: opleiding, sociale contacten, mobiliteit en levensstijl. Hoe groot de bijdrage van kunst precies is, valt daarom moeilijk vast te stellen. Nog voorzichtiger moet men zijn met uitspraken over ontstekingsprocessen, immuniteit of levensduur. Daar zijn de aanwijzingen interessant, maar het bewijs van de werkzaamheid veel beperkter.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Juist dat verschil in bewijskracht maakt het boek interessanter dan de titel doet vermoeden. Fancourts sterkste argument is niet dat kunst een geneesmiddel zou zijn. Het is dat kunstbeoefening en kunstbeleving tegelijk verschillende systemen aanspreken. Wie in een koor zingt, gebruikt ademhaling, geheugen en motoriek, maar ervaart ook emotie, sociale verbondenheid en beloning. Wie een museum bezoekt, beweegt, kijkt aandachtig, interpreteert, vergelijkt, herinnert zich en praat misschien met anderen. Kunst is met andere woorden geen enkelvoudige ‘interventie’, maar een bundel van lichamelijke, cognitieve, emotionele en sociale activiteiten.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarin ligt wellicht de belangrijkste verdienste van <em>Kunst als medicijn</em>. Fancourt verruimt onze gebruikelijke kijk op gezondheid, weg van de hedendaagse biologisch-technologische reductie. We zijn vertrouwd met wetenschappelijke adviezen over beweging, voeding en slaap, maar veel minder met het idee dat ook verbeelding, creativiteit, betekenisgeving en sociale verbondenheid biologische gevolgen hebben. Kunst behoort niet tot de aangename luxe die pas aan bod komt wanneer aan alle wezenlijke behoeften is voldaan, maar tot de activiteiten waar we als kleuter mee starten, en die meebepalen hoe mensen functioneren en ouder worden.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Anders gezegd: museumbezoek aanraden als een bloeddrukverlager getuigt van een foute insteek. Kunst heeft haar waarde niet nodig van de geneeskunde. Maar Fancourt maakt wel overtuigend duidelijk dat het omgekeerde evenmin verstandig is: gezondheid reduceren tot voeding, beweging en medicatie en daarbij vergeten dat mensen ook denkende, verbeeldende en sociale wezens zijn.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>Kunst als medicijn</em> is rijk, soms bijna te rijk aan onderzoeksresultaten. Voor wie geïnteresseerd is in kunst én in de manier waarop lichaam en geest elkaar beïnvloeden, biedt het een fascinerend en doorgaans zorgvuldig onderbouwd overzicht. De Nederlandse titel belooft misschien iets meer dan de wetenschap op dit ogenblik kan bewijzen. Het boek zelf is genuanceerder — en juist daardoor overtuigender. Wie in de kunstensector werkt en om de haverklap subsidieaanvragen moet schrijven bij een overheid die vooral besparingen doorvoert, kan in dit boek voldoende wetenschappelijke argumenten vinden. Kunst mag dan economisch minder belang hebben, als substantieel onderdeel van het mens-zijn is haar waarde onschatbaar.</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Daisy Fancourt (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Utrecht: Ten Have, 365 pagina’s.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 259 1283 3</strong></h6>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Daisy Fancourt</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong> </strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Dat kunst goed is voor ons, behoeft nauwelijks betoog. Een concert kan ontroeren, een roman ons zelfbeeld veranderen, schilderen of musiceren kan rust brengen. Daisy Fancourt wil verder gaan dan zulke persoonlijke ervaringen. In <em>Kunst als medicijn </em>stelt de Britse psychobiologe een ambitieuzere vraag: wat weten we wetenschappelijk over de invloed van kunst op onze lichamelijke en geestelijke gezondheid?</p>
<p style="font-weight: 400;">Het antwoord blijkt verrassend omvangrijk. Fancourt bespreekt onderzoek naar pijn, depressie, stress, cognitieve achteruitgang en dementie, maar ook naar ontstekingsprocessen, het immuunsysteem en zelfs levensduur. Daarbij hanteert ze een zeer ruime definitie van kunst. Niet alleen theater, literatuur, muziek of museumbezoek komen aan bod, maar ook schilderen, tekenen, dansen, musiceren, schrijven, breien – ik voeg er graag koken aan toe. Het onderscheid tussen hoge en lage kunst interesseert haar niet; centraal staat de ervaring van creativiteit.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als hoogleraar psychobiologie is ze zich terdege bewust van het risico dat een boek met een titel <em>Kunst als medicijn</em> gemakkelijk weggezet kan worden als vrijblijvende welzijnspraat. Ze heeft dat zorgvuldig ondervangen door een indrukwekkend brede wetenschappelijke onderbouw: gerandomiseerde gecontroleerde studies, longitudinaal onderzoek, epidemiologische gegevens, experimenten en onderzoek naar biologische mechanismen wisselen elkaar af. Ze geeft bovendien zelf de beperkingen aan: een samenhang is nog geen oorzakelijk verband, en kunst is geen wondermiddel dat kanker, dementie of depressie ‘geneest’. De individuele verhalen waarmee ze haar onderzoeksresultaten afwisselt, maken dat deze overvloed aan wetenschap leesbaar blijft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een aantal conclusies zijn sterker onderbouwd dan andere. Voor pijn en depressieve symptomen bestaat behoorlijk overtuigend interventieonderzoek: muziek en andere artistieke activiteiten kunnen klachten aantoonbaar verminderen, meestal als aanvulling op een gewone behandeling. Bij dementie ligt dat moeilijker. Cultureel actieve mensen blijken gemiddeld minder cognitieve achteruitgang te vertonen, maar zulke mensen verschillen ook op andere vlakken: opleiding, sociale contacten, mobiliteit en levensstijl. Hoe groot de bijdrage van kunst precies is, valt daarom moeilijk vast te stellen. Nog voorzichtiger moet men zijn met uitspraken over ontstekingsprocessen, immuniteit of levensduur. Daar zijn de aanwijzingen interessant, maar het bewijs van de werkzaamheid veel beperkter.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Juist dat verschil in bewijskracht maakt het boek interessanter dan de titel doet vermoeden. Fancourts sterkste argument is niet dat kunst een geneesmiddel zou zijn. Het is dat kunstbeoefening en kunstbeleving tegelijk verschillende systemen aanspreken. Wie in een koor zingt, gebruikt ademhaling, geheugen en motoriek, maar ervaart ook emotie, sociale verbondenheid en beloning. Wie een museum bezoekt, beweegt, kijkt aandachtig, interpreteert, vergelijkt, herinnert zich en praat misschien met anderen. Kunst is met andere woorden geen enkelvoudige ‘interventie’, maar een bundel van lichamelijke, cognitieve, emotionele en sociale activiteiten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarin ligt wellicht de belangrijkste verdienste van <em>Kunst als medicijn</em>. Fancourt verruimt onze gebruikelijke kijk op gezondheid, weg van de hedendaagse biologisch-technologische reductie. We zijn vertrouwd met wetenschappelijke adviezen over beweging, voeding en slaap, maar veel minder met het idee dat ook verbeelding, creativiteit, betekenisgeving en sociale verbondenheid biologische gevolgen hebben. Kunst behoort niet tot de aangename luxe die pas aan bod komt wanneer aan alle wezenlijke behoeften is voldaan, maar tot de activiteiten waar we als kleuter mee starten, en die meebepalen hoe mensen functioneren en ouder worden.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Anders gezegd: museumbezoek aanraden als een bloeddrukverlager getuigt van een foute insteek. Kunst heeft haar waarde niet nodig van de geneeskunde. Maar Fancourt maakt wel overtuigend duidelijk dat het omgekeerde evenmin verstandig is: gezondheid reduceren tot voeding, beweging en medicatie en daarbij vergeten dat mensen ook denkende, verbeeldende en sociale wezens zijn.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>Kunst als medicijn</em> is rijk, soms bijna te rijk aan onderzoeksresultaten. Voor wie geïnteresseerd is in kunst én in de manier waarop lichaam en geest elkaar beïnvloeden, biedt het een fascinerend en doorgaans zorgvuldig onderbouwd overzicht. De Nederlandse titel belooft misschien iets meer dan de wetenschap op dit ogenblik kan bewijzen. Het boek zelf is genuanceerder — en juist daardoor overtuigender. Wie in de kunstensector werkt en om de haverklap subsidieaanvragen moet schrijven bij een overheid die vooral besparingen doorvoert, kan in dit boek voldoende wetenschappelijke argumenten vinden. Kunst mag dan economisch minder belang hebben, als substantieel onderdeel van het mens-zijn is haar waarde onschatbaar.</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Daisy Fancourt (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kunst als medicijn. De wetenschap van kunst en gezondheid</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Utrecht: Ten Have, 365 pagina’s.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 259 1283 3</strong></h6>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Ton Lemaire</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/ton-lemaire-3/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=ton-lemaire-3</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 22 Aug 2026 04:46:05 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4198</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Ton Lemaire</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Op weg naar het heden. Filosoferen over tijd en leven</strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Ton Lemaire (°1941) woont en werkt al meer dan drie decennia in de Franse Dordogne, waar hij ecologisch tuiniert, leest en schrijft, met als resultaat meer dan twintig boeken. Het merendeel ervan heb ik gelezen en met plezier. Aan twee ervan wijdde ik een bespreking: <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/ton-lemaire/"><em>Met lichte tred. De wereld van de wandelaar</em></a> (2020) en <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/ton-lemaire-2/"><em>Tegen de tijd. Kanttekeningen bij onze wereld</em> </a>(2022). Zijn nieuwste boek is alweer een rustige voltreffer.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Op zijn vierentachtigste kijkt hij achterom, met een blik op onze tijd in combinatie met zelfonderzoek. Gelukkig vervalt hij niet in het euvel van de autobiografie, een genre dat steevast fictie en waarheid vermengt met zelfrechtvaardiging als motief. Je zou <em>Op weg naar het heden</em> een intellectuele biografie kunnen noemen, al klinkt dat wat hoogdravend voor de mens die Lemaire is. Hij vraagt zich af wie of wat hem gevormd heeft, wat meteen het selectieve karakter van het antwoord verklaart. Het gaat over zijn leermeesters, niet over ‘de’ leermeesters. Verwacht evenmin een uiteenzetting over het filosofische gedachtegoed van die leermeesters, wel over de manier hoe zij hem leerden zelf te denken en te kijken. Wie bekend is met Lemaires werk zal niet verwonderd zijn dat Maurice Merleau-Ponty vooropstaat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals het boek geen autobiografie is, is het ook geen kritische beschouwing over het politieke, economische en ecologische heden. Dat heeft Lemaire vroeger al gedaan (<em>De val van Prometheus</em> is op dat vlak een aanrader, net zoals <em>Tegen de tijd</em>). Wat het wel biedt, kan ik het best illustreren met het hoofdstuk dat hij aan stillevens wijdt en dat als metafoor voor het hele boek kan dienen. Hij kiest een onderwerp uit – levenslust, de stroom van het leven, het eeuwige ogenblik, optimisme en pessimisme, handen … Hij staat bij zo’n onderwerp stil en schrijft vervolgens zijn observaties en bedenkingen neer. Lemaire is een fenomenoloog, hij merkt dingen op die anderen ontgaan (‘het bekende is niet het gekende’) en beschrijft ze, telkens met de blik gericht op het schone, het ware en het goede.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Je kan de leeservaring het best omschrijven als een langgerekte wandeling doorheen verschillende landschappen, in het gezelschap van iemand die over heel uiteenlopende onderwerpen vertelt, met de meest klassieke filosofische vragen als leidraad: wie ben ik en wat is het goede leven? Het slothoofdstuk is weergaloos goed. Het mag dan over het einde handelen, net daarom gaat het over het leven, het in-het-leven-staan. ‘We zijn altijd op weg naar het heden, proberend om het leven steeds naderbij te komen, iets wat een lange omweg vereist en een grote aandacht.’</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Ton Lemaire (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Op weg naar het heden. Filosoferen over tijd en leven.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam: Ambo/Anthos, 295 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 263 7388 6</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Ton Lemaire</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Op weg naar het heden. Filosoferen over tijd en leven</strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Ton Lemaire (°1941) woont en werkt al meer dan drie decennia in de Franse Dordogne, waar hij ecologisch tuiniert, leest en schrijft, met als resultaat meer dan twintig boeken. Het merendeel ervan heb ik gelezen en met plezier. Aan twee ervan wijdde ik een bespreking: <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/ton-lemaire/"><em>Met lichte tred. De wereld van de wandelaar</em></a> (2020) en <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/ton-lemaire-2/"><em>Tegen de tijd. Kanttekeningen bij onze wereld</em> </a>(2022). Zijn nieuwste boek is alweer een rustige voltreffer.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Op zijn vierentachtigste kijkt hij achterom, met een blik op onze tijd in combinatie met zelfonderzoek. Gelukkig vervalt hij niet in het euvel van de autobiografie, een genre dat steevast fictie en waarheid vermengt met zelfrechtvaardiging als motief. Je zou <em>Op weg naar het heden</em> een intellectuele biografie kunnen noemen, al klinkt dat wat hoogdravend voor de mens die Lemaire is. Hij vraagt zich af wie of wat hem gevormd heeft, wat meteen het selectieve karakter van het antwoord verklaart. Het gaat over zijn leermeesters, niet over ‘de’ leermeesters. Verwacht evenmin een uiteenzetting over het filosofische gedachtegoed van die leermeesters, wel over de manier hoe zij hem leerden zelf te denken en te kijken. Wie bekend is met Lemaires werk zal niet verwonderd zijn dat Maurice Merleau-Ponty vooropstaat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals het boek geen autobiografie is, is het ook geen kritische beschouwing over het politieke, economische en ecologische heden. Dat heeft Lemaire vroeger al gedaan (<em>De val van Prometheus</em> is op dat vlak een aanrader, net zoals <em>Tegen de tijd</em>). Wat het wel biedt, kan ik het best illustreren met het hoofdstuk dat hij aan stillevens wijdt en dat als metafoor voor het hele boek kan dienen. Hij kiest een onderwerp uit – levenslust, de stroom van het leven, het eeuwige ogenblik, optimisme en pessimisme, handen … Hij staat bij zo’n onderwerp stil en schrijft vervolgens zijn observaties en bedenkingen neer. Lemaire is een fenomenoloog, hij merkt dingen op die anderen ontgaan (‘het bekende is niet het gekende’) en beschrijft ze, telkens met de blik gericht op het schone, het ware en het goede.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Je kan de leeservaring het best omschrijven als een langgerekte wandeling doorheen verschillende landschappen, in het gezelschap van iemand die over heel uiteenlopende onderwerpen vertelt, met de meest klassieke filosofische vragen als leidraad: wie ben ik en wat is het goede leven? Het slothoofdstuk is weergaloos goed. Het mag dan over het einde handelen, net daarom gaat het over het leven, het in-het-leven-staan. ‘We zijn altijd op weg naar het heden, proberend om het leven steeds naderbij te komen, iets wat een lange omweg vereist en een grote aandacht.’</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Ton Lemaire (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Op weg naar het heden. Filosoferen over tijd en leven.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam: Ambo/Anthos, 295 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 263 7388 6</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Dirk Holemans</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/dirk-holemans/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=dirk-holemans</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 12 Aug 2026 03:47:41 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4188</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Dirk Holemans</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Grondgenoten. Een voedselrevolutie van boeren en burgers</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Tijdens de zoveelste hittegolf van 2026 lees ik op 24 juli in <em>The Guardian</em> een artikel (‘Nutrients in our food are declining. Can regenerative agriculture save it?’) over de kwaliteit van ons voedsel. Correcter uitgedrukt: over de dalende kwaliteit. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat het mineralen- en vitaminegehalte in groenten en fruit in vergelijking met dertig jaar geleden een derde tot de helft lager ligt, waarbij bodemverarming een belangrijke rol speelt. De oplossing ligt voor de hand: zorg voor een gezonde, levende grond vol organisch materiaal, die een gezonde oogst oplevert. Ziek, uitgeput akkerland levert minderwaardig voedsel en draagt uiteindelijk ook bij tot zieke, uitgeputte mensen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Tijdens het lezen herinner ik me een <a href="https://www.hgr-css.be/nl/advies/9404/fysisch-chemische-milieuhygiene)">rapport van de Hoge Gezondheidsraad over beschavingsziektes</a>: obesitas, diabetes, cardiovasculaire aandoeningen, bepaalde kankers, een reeks vrouwelijke en mannelijke voortplantingsstoornissen, neurologische ontwikkelings- en cognitiestoornissen en immuungerelateerde ziekten. Zoals het hoort voor een wetenschappelijk document is het rapport van de Hoge Raad genuanceerd, maar de conclusie is overduidelijk: ‘Er is overweldigend bewijs dat verontreinigende stoffen, door de mens gemaakte chemische stoffen en fysische factoren die verband houden met de huidige levensstijl en de huidige milieuomstandigheden belangrijke oorzakelijke factoren zijn voor verschillende beschavingsziekten.’ Wat bio-ingenieur Dirk Holemans uiteenzet in <em>Grondgenoten</em> sluit daar naadloos bij aan. Het boek bestaat uit twee delen met daartussen een ruim intermezzo.</p>
<p>&#160;</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">‘Van vervreemding en uitbuiting naar verbinding en herstel’</h4>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De voorbije pakweg vijfhonderd jaar is het Westen geëvolueerd naar een ‘machinedenken’: dieren en planten zijn machines – gecompliceerde machines, dat wel – maar mechanisch te begrijpen en vooral te gebruiken. Wetenschappelijke vooruitgang legde het accent op het bestuderen en categoriseren van afzonderlijke stoffen en processen. Het grotere plaatje werd nauwelijks onderzocht, bovendien stond de mens in deze visie buiten en boven het geheel dat hij naar eigen willekeur mocht gebruiken. Technologische ontwikkelingen maakten een versnelling en een uitbreiding van dat gebruik mogelijk, waardoor dat gebruik zich al snel over alle domeinen van het leven uitbreidde. Vandaag zien we hoezeer dit op uitbuiting neerkwam en nog steeds neerkomt, ook van mensen. ‘Onze’ boeren verdwenen, omdat multinationals de landbouw van weleer omvormden tot een agro-industrie waarin schaalvergroting centraal stond.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De voorbije decennia kwam binnen verschillende wetenschappen steeds meer aandacht voor samenhang en samenwerking, met vrouwelijke onderzoekers als Lynn Margulis en Suzanne Simard als belangrijke pioniers. Lynn Margulis (een biologe) toonde aan hoe samenwerking tussen verschillende levensvormen een even belangrijke motor van de evolutie is als concurrentie. Suzanne Simard (een bosecologe) ontdekte hoe ondergrondse schimmelnetwerken verbindingen leggen tussen bomen en struiken, en borg staan voor een organisch samenleven. Beide werden door hun collega’s uitgelachen, vandaag weten we dat ze gelijk hebben. Zij en anderen gaven een belangrijke aanzet tot een denken in termen van verbinding (geen enkel organisme staat op zichzelf) en herstel (noodzakelijk door de jarenlange uitbuiting van de natuur).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De noodzaak van zo’n herstel is de voorbije maanden alleen maar voelbaarder geworden. Een ander voedselsysteem is daarin zonder meer een centraal gegeven. Op de achtergrond, maar minstens even belangrijk, is de noodzaak aan een nieuw mens- en wereldbeeld, gebaseerd op de wetenschappelijke ontwikkelingen van de voorbije decennia.</p>
<p>&#160;</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">Tussendeel: ‘Het systeem doen kantelen’</h4>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een bestaand systeem doet er alles aan om zichzelf in stand te houden; een kanteling verloopt zowel schoksgewijs als geleidelijk. Holemans verwijst heel terecht naar Karl Polanyi en diens boek <em>The Great Transformation</em> uit 1944. Toen al stelde hij vast dat de economie niet langer ten dienste van de samenleving functioneerde. De ‘grote transformatie’ bestond erin dat steeds meer domeinen van die samenleving — onderwijs, zorg, onderzoek — ondergeschikt werden aan de markt. Traditioneel werd een democratische samenleving georganiseerd op basis van een klassieke, drieledige structuur: overheid, markt en burgers, ofwel het middenveld. Door die transformatie is dat evenwicht al geruime tijd zoek.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Polanyi beschrijft de volgens hem onvermijdelijke sociale reactie tegen een dergelijke dominantie, die zich steevast in twee versies manifesteert. Of een ‘eigen volk eerst’, met fascisme en autoritaire regimes als resultaat; of een emancipatorische beweging op basis van democratische besluitvorming. De vorige eeuw heeft ons beide reacties getoond: nazi-Duitsland met het fascisme aan de ene kant, de sociaaldemocratie met de verzorgingsstaat aan de andere kant. Vandaag zien we eigentijdse versies van beide.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een bekend hedendaags voorbeeld van de ‘eigen volk eerst’ aanpak is de BoerenBurgerBeweging in Nederland. Achter haar ogenschijnlijk spontane opkomst bleek een zorgvuldig opgezet marketingprogramma te schuilen, ontworpen door een communicatiebureau in opdracht van de agro-industrie, met als belangrijkste bedoeling maatregelen terug te draaien die deze industrie aan banden zouden leggen. Dit is de zoveelste illustratie hoe een financiële elite de overtuiging van mensen aanstuurt, ook als die overtuigingen regelrecht tegen hun belangen ingaan.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Lijnrecht daartegenover vinden we een sterke, emancipatorische tegenbeweging. Lokale, vaak coöperatieve organisaties houden wel rekening met de wetenschappelijke bevindingen (hoe houden we de grond en dus onszelf gezond?) én met democratische principes (hoe kunnen we opnieuw zeggenschap en gelijkwaardigheid waarmaken?). Een van de verdiensten van Holemans is dat hij deze groeperingen zichtbaar maakt. Zij maken deel uit van een systeemverandering, wat mooi aansluit bij het systeemdenken van Donella Meadows. De vele, ogenschijnlijk gunstige veranderingen die al geruime tijd bezig zijn (selectieve ophaling van afval, om maar een voorbeeld te noemen) volstaan niet.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Meadows toonde aan dat een systeem slechts verandert als het paradigma verandert, met andere doelstellingen en organisatievormen. Het doel van het huidige systeem blijft groei; de organisatievorm is anoniem top-down en verloopt langs aandeelhoudersvergaderingen. De organisaties die Holemans bespreekt, hebben duurzaamheid als doel en vermijden de verwarring tussen winst en groei; hun organisatievorm is democratisch, met overleg tussen markt (de producenten) en burgers. De derde eerdergenoemde pijler, de overheid (naast markt en burgers), ontbreekt nog te vaak of steekt zelfs stokken in de wielen door voorrang te geven aan de agro-industrie. Een systeemverandering zal van onderuit moeten komen, door initiatieven die elkaar aanvullen en versterken, en zo ook het politieke bewustzijn vergroten.</p>
<p>&#160;</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">Deel twee: ‘Op weg naar de voedselrevolutie’</h4>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De huidige landbouw is in een doodlopend straatje beland: kunstmest en pesticiden geven grotere opbrengsten van mooi ogende, maar minderwaardige producten; het bodemleven sterft af, de erosie neemt toe, met als gevolg dat er nog meer kunstmest en pesticiden nodig worden, enzovoorts.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/dirk-holemans/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Dirk Holemans</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Grondgenoten. Een voedselrevolutie van boeren en burgers</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Tijdens de zoveelste hittegolf van 2026 lees ik op 24 juli in <em>The Guardian</em> een artikel (‘Nutrients in our food are declining. Can regenerative agriculture save it?’) over de kwaliteit van ons voedsel. Correcter uitgedrukt: over de dalende kwaliteit. Wetenschappelijk onderzoek bevestigt dat het mineralen- en vitaminegehalte in groenten en fruit in vergelijking met dertig jaar geleden een derde tot de helft lager ligt, waarbij bodemverarming een belangrijke rol speelt. De oplossing ligt voor de hand: zorg voor een gezonde, levende grond vol organisch materiaal, die een gezonde oogst oplevert. Ziek, uitgeput akkerland levert minderwaardig voedsel en draagt uiteindelijk ook bij tot zieke, uitgeputte mensen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Tijdens het lezen herinner ik me een <a href="https://www.hgr-css.be/nl/advies/9404/fysisch-chemische-milieuhygiene)">rapport van de Hoge Gezondheidsraad over beschavingsziektes</a>: obesitas, diabetes, cardiovasculaire aandoeningen, bepaalde kankers, een reeks vrouwelijke en mannelijke voortplantingsstoornissen, neurologische ontwikkelings- en cognitiestoornissen en immuungerelateerde ziekten. Zoals het hoort voor een wetenschappelijk document is het rapport van de Hoge Raad genuanceerd, maar de conclusie is overduidelijk: ‘Er is overweldigend bewijs dat verontreinigende stoffen, door de mens gemaakte chemische stoffen en fysische factoren die verband houden met de huidige levensstijl en de huidige milieuomstandigheden belangrijke oorzakelijke factoren zijn voor verschillende beschavingsziekten.’ Wat bio-ingenieur Dirk Holemans uiteenzet in <em>Grondgenoten</em> sluit daar naadloos bij aan. Het boek bestaat uit twee delen met daartussen een ruim intermezzo.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">‘Van vervreemding en uitbuiting naar verbinding en herstel’</h4>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De voorbije pakweg vijfhonderd jaar is het Westen geëvolueerd naar een ‘machinedenken’: dieren en planten zijn machines – gecompliceerde machines, dat wel – maar mechanisch te begrijpen en vooral te gebruiken. Wetenschappelijke vooruitgang legde het accent op het bestuderen en categoriseren van afzonderlijke stoffen en processen. Het grotere plaatje werd nauwelijks onderzocht, bovendien stond de mens in deze visie buiten en boven het geheel dat hij naar eigen willekeur mocht gebruiken. Technologische ontwikkelingen maakten een versnelling en een uitbreiding van dat gebruik mogelijk, waardoor dat gebruik zich al snel over alle domeinen van het leven uitbreidde. Vandaag zien we hoezeer dit op uitbuiting neerkwam en nog steeds neerkomt, ook van mensen. ‘Onze’ boeren verdwenen, omdat multinationals de landbouw van weleer omvormden tot een agro-industrie waarin schaalvergroting centraal stond.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De voorbije decennia kwam binnen verschillende wetenschappen steeds meer aandacht voor samenhang en samenwerking, met vrouwelijke onderzoekers als Lynn Margulis en Suzanne Simard als belangrijke pioniers. Lynn Margulis (een biologe) toonde aan hoe samenwerking tussen verschillende levensvormen een even belangrijke motor van de evolutie is als concurrentie. Suzanne Simard (een bosecologe) ontdekte hoe ondergrondse schimmelnetwerken verbindingen leggen tussen bomen en struiken, en borg staan voor een organisch samenleven. Beide werden door hun collega’s uitgelachen, vandaag weten we dat ze gelijk hebben. Zij en anderen gaven een belangrijke aanzet tot een denken in termen van verbinding (geen enkel organisme staat op zichzelf) en herstel (noodzakelijk door de jarenlange uitbuiting van de natuur).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De noodzaak van zo’n herstel is de voorbije maanden alleen maar voelbaarder geworden. Een ander voedselsysteem is daarin zonder meer een centraal gegeven. Op de achtergrond, maar minstens even belangrijk, is de noodzaak aan een nieuw mens- en wereldbeeld, gebaseerd op de wetenschappelijke ontwikkelingen van de voorbije decennia.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">Tussendeel: ‘Het systeem doen kantelen’</h4>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een bestaand systeem doet er alles aan om zichzelf in stand te houden; een kanteling verloopt zowel schoksgewijs als geleidelijk. Holemans verwijst heel terecht naar Karl Polanyi en diens boek <em>The Great Transformation</em> uit 1944. Toen al stelde hij vast dat de economie niet langer ten dienste van de samenleving functioneerde. De ‘grote transformatie’ bestond erin dat steeds meer domeinen van die samenleving — onderwijs, zorg, onderzoek — ondergeschikt werden aan de markt. Traditioneel werd een democratische samenleving georganiseerd op basis van een klassieke, drieledige structuur: overheid, markt en burgers, ofwel het middenveld. Door die transformatie is dat evenwicht al geruime tijd zoek.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Polanyi beschrijft de volgens hem onvermijdelijke sociale reactie tegen een dergelijke dominantie, die zich steevast in twee versies manifesteert. Of een ‘eigen volk eerst’, met fascisme en autoritaire regimes als resultaat; of een emancipatorische beweging op basis van democratische besluitvorming. De vorige eeuw heeft ons beide reacties getoond: nazi-Duitsland met het fascisme aan de ene kant, de sociaaldemocratie met de verzorgingsstaat aan de andere kant. Vandaag zien we eigentijdse versies van beide.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een bekend hedendaags voorbeeld van de ‘eigen volk eerst’ aanpak is de BoerenBurgerBeweging in Nederland. Achter haar ogenschijnlijk spontane opkomst bleek een zorgvuldig opgezet marketingprogramma te schuilen, ontworpen door een communicatiebureau in opdracht van de agro-industrie, met als belangrijkste bedoeling maatregelen terug te draaien die deze industrie aan banden zouden leggen. Dit is de zoveelste illustratie hoe een financiële elite de overtuiging van mensen aanstuurt, ook als die overtuigingen regelrecht tegen hun belangen ingaan.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Lijnrecht daartegenover vinden we een sterke, emancipatorische tegenbeweging. Lokale, vaak coöperatieve organisaties houden wel rekening met de wetenschappelijke bevindingen (hoe houden we de grond en dus onszelf gezond?) én met democratische principes (hoe kunnen we opnieuw zeggenschap en gelijkwaardigheid waarmaken?). Een van de verdiensten van Holemans is dat hij deze groeperingen zichtbaar maakt. Zij maken deel uit van een systeemverandering, wat mooi aansluit bij het systeemdenken van Donella Meadows. De vele, ogenschijnlijk gunstige veranderingen die al geruime tijd bezig zijn (selectieve ophaling van afval, om maar een voorbeeld te noemen) volstaan niet.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Meadows toonde aan dat een systeem slechts verandert als het paradigma verandert, met andere doelstellingen en organisatievormen. Het doel van het huidige systeem blijft groei; de organisatievorm is anoniem top-down en verloopt langs aandeelhoudersvergaderingen. De organisaties die Holemans bespreekt, hebben duurzaamheid als doel en vermijden de verwarring tussen winst en groei; hun organisatievorm is democratisch, met overleg tussen markt (de producenten) en burgers. De derde eerdergenoemde pijler, de overheid (naast markt en burgers), ontbreekt nog te vaak of steekt zelfs stokken in de wielen door voorrang te geven aan de agro-industrie. Een systeemverandering zal van onderuit moeten komen, door initiatieven die elkaar aanvullen en versterken, en zo ook het politieke bewustzijn vergroten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;">Deel twee: ‘Op weg naar de voedselrevolutie’</h4>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De huidige landbouw is in een doodlopend straatje beland: kunstmest en pesticiden geven grotere opbrengsten van mooi ogende, maar minderwaardige producten; het bodemleven sterft af, de erosie neemt toe, met als gevolg dat er nog meer kunstmest en pesticiden nodig worden, enzovoorts.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/dirk-holemans/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Elizabeth Strout</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/elizabeth-strout/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=elizabeth-strout</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 24 Jun 2026 03:25:46 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4183</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een tijd terug kreeg ik de roman <em>Wat ongezegd blijft</em> toegestuurd, als geschenk van een Antwerpse collega wiens literaire smaak feilloos juist is. Ik las het bijna onmiddellijk en werd zo enthousiast dat ik besloot er een bespreking aan te wijden – dus: dank je, Ann.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals veel lezers ontdekte ik de Amerikaanse Elizabeth Strout een aantal jaar geleden. Haar romans rond <em>Olive Kitteridge</em> had ik snel uit, net zoals de cyclus over <em>Lucy Barton</em>. Te snel en in te korte tijd, met als gevolg oververzadiging, zelfs een lichte aversie (het wordt écht tijd dat iemand eens een studie publiceert over de menselijke grenzeloosheid). Daarna raakte ze uit mijn blikveld, tot dit boek onverwacht in mijn brievenbus viel. Het is het beste van wat ik van haar las; wat zeg ik, het is het beste fictieboek dat ik de voorbije jaren las. Uitleggen waarom is niet zo makkelijk, net omdat ze zo makkelijk schrijft – ogenschijnlijk toch.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Freud merkt herhaaldelijk op dat een goede romanschrijver een beter zicht heeft op de menselijke psyche dan de beste menswetenschappers. Strout illustreert dat ten overvloede. Elke psychotherapeutische school heeft wel een term voor wat niet uitgesproken wordt en voor de gevolgen daarvan, maar Strout toont het zonder theorie. In de natuurwetenschappen bestaat er vaak een verband tussen eenvoud en juistheid: <em>simplex sigillum veri</em>, eenvoud is het zegel van het ware. Of je dat zomaar op de kunst kunt toepassen, weet ik niet. Voor Strout geldt het in elk geval. Over wat we niet uitspreken schrijft ze in eenvoudige taal, zonder de liflafjes waar sommige auteurs mee uitpakken. Dat doet ze ook wanneer ze het bijna terloops heeft over een van de grote filosofische vragen (bestaat de vrije wil?).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De roman speelt zich af in een gemeenschap aan de kust van New Hampshire en draait om een beperkt aantal figuren en hun verhoudingen – de wijze waarop Strout met drie zinnetjes de relatie tussen twee mensen kan neerzetten, is ongelooflijk. De hoofdfiguur is een zevenenvijftigjarige geschiedenisleraar die zich vragen stelt over zichzelf en over de wijze waarop zijn land, de VS, evolueert. Op de achtergrond spelen een familiaal trauma én een oud geheim mee, beide tot op vandaag bepalend voor de verhoudingen tussen drie gezinsleden. De dialoog die hij met zichzelf voert, is o zo herkenbaar; de manier waarop hij praat met en luistert naar anderen is dan weer zeldzaam: met een weduwe die haar man een schoft noemt en er onmiddellijk aan toevoegt dat ze hem mist, met zijn vrouw over haar vader, met zijn zoon die verloren loopt tussen twee vrouwen, met een loodgieter die huilend vertelt dat zijn partner hem bedriegt. Een rode draad is de wijze waarop hij als leerkracht begaan is met zijn adolescente leerlingen en hen probeert te helpen waar hij kan. Zo iemand behoort tot de groep mensen die ooit door onze nochtans hyperintelligente premier weggezet werd als naïeve Gutmenschen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Helemaal in de stijl van Strout en trouwens in overeenstemming met de titel, blijft wat volgens mij het kernonderwerp is van het boek nagenoeg onuitgesproken op de achtergrond: onze eenzaamheid. Niet die van mensen die noodzakelijk alleen zijn, maar die van mensen die elkaar nabij zijn en toch niet weten hoe ze het beslissende kunnen uitspreken. En nee, dit is géén pessimistisch-existentialistisch verhaal, eerder het tegendeel. De fijngevoeligheid, de herkenbaarheid, het mededogen, zijn van dien aard dat je als lezer met een zeer goed gevoel achterblijft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Waren er maar meer Gutmenschen. Hun morele kompas vermag meer dan cynische intelligentie.</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam/Antwerpen: </strong><strong>Atlas Contact, 219 blz</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 254 7865 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een tijd terug kreeg ik de roman <em>Wat ongezegd blijft</em> toegestuurd, als geschenk van een Antwerpse collega wiens literaire smaak feilloos juist is. Ik las het bijna onmiddellijk en werd zo enthousiast dat ik besloot er een bespreking aan te wijden – dus: dank je, Ann.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals veel lezers ontdekte ik de Amerikaanse Elizabeth Strout een aantal jaar geleden. Haar romans rond <em>Olive Kitteridge</em> had ik snel uit, net zoals de cyclus over <em>Lucy Barton</em>. Te snel en in te korte tijd, met als gevolg oververzadiging, zelfs een lichte aversie (het wordt écht tijd dat iemand eens een studie publiceert over de menselijke grenzeloosheid). Daarna raakte ze uit mijn blikveld, tot dit boek onverwacht in mijn brievenbus viel. Het is het beste van wat ik van haar las; wat zeg ik, het is het beste fictieboek dat ik de voorbije jaren las. Uitleggen waarom is niet zo makkelijk, net omdat ze zo makkelijk schrijft – ogenschijnlijk toch.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Freud merkt herhaaldelijk op dat een goede romanschrijver een beter zicht heeft op de menselijke psyche dan de beste menswetenschappers. Strout illustreert dat ten overvloede. Elke psychotherapeutische school heeft wel een term voor wat niet uitgesproken wordt en voor de gevolgen daarvan, maar Strout toont het zonder theorie. In de natuurwetenschappen bestaat er vaak een verband tussen eenvoud en juistheid: <em>simplex sigillum veri</em>, eenvoud is het zegel van het ware. Of je dat zomaar op de kunst kunt toepassen, weet ik niet. Voor Strout geldt het in elk geval. Over wat we niet uitspreken schrijft ze in eenvoudige taal, zonder de liflafjes waar sommige auteurs mee uitpakken. Dat doet ze ook wanneer ze het bijna terloops heeft over een van de grote filosofische vragen (bestaat de vrije wil?).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De roman speelt zich af in een gemeenschap aan de kust van New Hampshire en draait om een beperkt aantal figuren en hun verhoudingen – de wijze waarop Strout met drie zinnetjes de relatie tussen twee mensen kan neerzetten, is ongelooflijk. De hoofdfiguur is een zevenenvijftigjarige geschiedenisleraar die zich vragen stelt over zichzelf en over de wijze waarop zijn land, de VS, evolueert. Op de achtergrond spelen een familiaal trauma én een oud geheim mee, beide tot op vandaag bepalend voor de verhoudingen tussen drie gezinsleden. De dialoog die hij met zichzelf voert, is o zo herkenbaar; de manier waarop hij praat met en luistert naar anderen is dan weer zeldzaam: met een weduwe die haar man een schoft noemt en er onmiddellijk aan toevoegt dat ze hem mist, met zijn vrouw over haar vader, met zijn zoon die verloren loopt tussen twee vrouwen, met een loodgieter die huilend vertelt dat zijn partner hem bedriegt. Een rode draad is de wijze waarop hij als leerkracht begaan is met zijn adolescente leerlingen en hen probeert te helpen waar hij kan. Zo iemand behoort tot de groep mensen die ooit door onze nochtans hyperintelligente premier weggezet werd als naïeve Gutmenschen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Helemaal in de stijl van Strout en trouwens in overeenstemming met de titel, blijft wat volgens mij het kernonderwerp is van het boek nagenoeg onuitgesproken op de achtergrond: onze eenzaamheid. Niet die van mensen die noodzakelijk alleen zijn, maar die van mensen die elkaar nabij zijn en toch niet weten hoe ze het beslissende kunnen uitspreken. En nee, dit is géén pessimistisch-existentialistisch verhaal, eerder het tegendeel. De fijngevoeligheid, de herkenbaarheid, het mededogen, zijn van dien aard dat je als lezer met een zeer goed gevoel achterblijft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Waren er maar meer Gutmenschen. Hun morele kompas vermag meer dan cynische intelligentie.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam/Antwerpen: </strong><strong>Atlas Contact, 219 blz</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 254 7865 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Margot Brouwer</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=margot-brouwer</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 10 Jun 2026 06:02:14 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4168</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Margot Brouwer</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Sterrenstof zijn wij. Ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong><em> </em></strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein meisje heeft grote belangstelling voor de sterrenhemel. Wanneer ze leest dat het heelal naar een eindpunt evolueert, wordt ze angstig. De antwoorden die ze van haar diep religieuze ouders krijgt, volstaan niet. Op haar achttiende gaat ze natuurkunde en kosmologie studeren. Wat ze leert, maakt haar angst alleen maar groter, tot ze Spinoza ontdekt. Eindelijk slaagt ze erin wetenschap en zingeving te verzoenen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit boek is het verslag van haar existentiële zoektocht, maar ook veel meer dan dat. Zo krijg je in het eerste deel een bevattelijk geschreven geschiedenis over onze blik op het heelal en onszelf. Kort samengevat: de kosmos is groter dan we dachten en ons belang kleiner dan we droomden. We weten er steeds meer over, met als resultaat nieuwe vragen en andere problemen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Studie van de kosmos berust op twee verschillende methodes. Intuïtief voelt de neo-aristotelische aan als de juiste: empirische studies in combinatie met wiskunde. Lijnrecht daartegenover staat de neoplatoonse: onze werkelijkheid is slechts één mogelijke verschijningsvorm van eeuwige wiskundige vormen en wetten die oneindig veel verschillende werelden gestalte kunnen geven. Beide methodes hebben hun eigen overtuigingskracht en bieden andere perspectieven. Brouwer leunt naar het neoplatonisme – de formules zijn overtuigend –  verder in het boek besteedt ze dan ook veel aandacht aan het multiversum, het bestaan van parallelle werelden. De uitleg daarvoor bespaar ik je, deels omdat ik het maar half begrijp, deels omdat het woord ‘als’ veel te vaak voorkomt in de onderliggende redeneringen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Feit is dat ons universum en zijn ontstaansgeschiedenis behoorlijk complex zijn, met aan de basis zowel determinatie (de natuurwetten) als toeval (kwantummechanica). Hoe dat te rijmen valt met zingeving, is de grote uitdaging. Brouwer vond het antwoord bij Spinoza’s belangrijkste werk: <em>Ethiek volgens de meetkundige methode gedemonstreerd</em>. Haar lezing van deze klassieker vormt het tweede deel van het boek, en levert de ruggengraat van haar denken.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><em>“Spinoza: mijn redder in existentiële nood”</em></h4>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Spinoza lezen is niet eenvoudig. Hij bouwt zijn redeneringen logisch-mathematisch op en vertrekt bijgevolg bij axioma’s en definities. Welke niet-bewijsbare basisstellingen hebben we nodig? Hoe definiëren we de kernbegrippen waarover we helderheid willen krijgen? Mochten we deze aanpak standaard hanteren bij elke discussie, dan zou het aantal misverstanden behoorlijk dalen. Met een eerste axioma stelt Spinoza dat alles een oorzaak heeft: causaliteit. Het tweede axioma gaat ervan uit dat de wereld logisch-mathematisch in elkaar zit: rationalisme. De combinatie van de twee laat hem vervolgens toe de wereld te begrijpen, waarbij hij vooreerst nog drie cruciale definities naar voren schuift: substantie, modus en attribuut.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Elke <em>modus</em> of manier-van-bestaan wordt veroorzaakt door een reeks voorafgaande processen en factoren. Het feit dat jij bestaat, is een gevolg van… begin maar terug te redeneren, tot bij het ultieme startschot, de oerknal. In dat terugredeneren arriveer je onvermijdelijk bij het eerste axioma, dat van de <em>substantie</em>. Wat Spinoza als substantie benoemt, kent géén externe oorzaak en wordt door zichzelf verklaard. Vandaar dat de ontstaansgeschiedenis van elke modus uiteindelijk teruggevoerd kan worden naar de substantie, als ultieme oorzaak. Het derde begrip vind ik moeilijker te vatten, behalve in de twee voorbeelden: een <em>attribuut </em>is een manier om de essentie van iets te interpreteren, met als twee voorbeelden uitgebreidheid en denken – de <em>res extensa</em> en de <em>res cogitans</em> van Descartes?</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De cruciale stap in Spinoza’s redenering is de vereenzelviging van substantie en god; in zijn bekendere bewoording: god oftewel de natuur. De substantie is het op zich niet veroorzaakte vertrekpunt van alles, waarna elke modus een gevolg is binnen een ketting aan oorzaken. Dit roept het idee op van de “onbeweegbare beweger” van Aristoteles, als ultieme oorzaak, zij het met een essentieel verschil. Bij Spinoza is de causaliteit inherent aan het geheel, en niet iets wat daarbuiten staat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit onderscheid is fundamenteel en maakt dat Spinoza niet verteerbaar is voor monotheïstische godsdiensten. ‘God’ kan niet langer transcendentaal gedacht worden, als iets of iemand die buiten en boven alles staat (laat staan als een oude man met witte baard); het goddelijke is immanent, inbegrepen in alles. Spinoza redeneert pantheïstisch: god/de natuur – de substantie – omvat en veroorzaakt alles wat er mogelijkerwijs kan bestaan, fysiek en geestelijk (de twee attributen die wij kennen).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Pantheïsme is ouder dan Spinoza, en kostte bijvoorbeeld Giordano Bruno het leven. Spinoza was voorzichtig genoeg om de <em>Ethica</em> pas na zijn dood te laten publiceren. In een apart hoofdstuk bespreekt Brouwer de overeenkomsten met bijvoorbeeld nog oudere oosterse tradities. Toch is Spinoza nieuw, omwille van zijn onverbiddelijke logica en de koppeling aan wetenschap, vandaar de aantrekkelijkheid voor vrijdenkers. In zijn visie is er geen aparte god meer, enkel een immanente causaliteit die van start gaat bij een axiomatisch gegeven dat altijd en overal aan het werk is. Of je dat nu ‘god’ of ‘de natuur’ noemt, maakt niet uit. Zoals Julian Barnes in zijn laatste boek schreef: “It’s the universe doing its stuff”.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mijn nuchtere en ultrakorte samenvatting: de natuurwetten liggen aan de basis van alles. We kunnen causaal terugredeneren tot het ultieme vertrekpunt, maar verder raken we niet, met als gevolg dat we dit causale vertrekpunt wel als axioma moeten aannemen. Ook wij zijn een onderdeel – een modus – van een oorzaak-gevolg ketting, beter nog: netwerk, dat zich oneindig en eeuwig uitstrekt. We zijn dus niet het bedoelde, laat staan het ultieme resultaat van die ketting of dat netwerk. Eens dat besef tot je doordringt, ontstaat er een totaal ander mens- en wereldbeeld. De ooit traditionele opvatting – de aarde is het centrum van het heelal, met de mens als hoogtepunt van de schepping/de evolutie – hebben we al geruime tijd achter ons gelaten. Het bijbehorende mensbeeld – alles draait rond ons, begrijp: rond mij – nauwelijks. In het nieuwe beeld is de aarde een klein onderdeel van de kosmos, elk individu niet meer dan een radertje, met een causaliteit die ons elke illusie van autonomie ontneemt. Alles hangt met alles samen, afhankelijkheid is de regel.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Margot Brouwer</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Sterrenstof zijn wij. Ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong><em> </em></strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein meisje heeft grote belangstelling voor de sterrenhemel. Wanneer ze leest dat het heelal naar een eindpunt evolueert, wordt ze angstig. De antwoorden die ze van haar diep religieuze ouders krijgt, volstaan niet. Op haar achttiende gaat ze natuurkunde en kosmologie studeren. Wat ze leert, maakt haar angst alleen maar groter, tot ze Spinoza ontdekt. Eindelijk slaagt ze erin wetenschap en zingeving te verzoenen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit boek is het verslag van haar existentiële zoektocht, maar ook veel meer dan dat. Zo krijg je in het eerste deel een bevattelijk geschreven geschiedenis over onze blik op het heelal en onszelf. Kort samengevat: de kosmos is groter dan we dachten en ons belang kleiner dan we droomden. We weten er steeds meer over, met als resultaat nieuwe vragen en andere problemen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Studie van de kosmos berust op twee verschillende methodes. Intuïtief voelt de neo-aristotelische aan als de juiste: empirische studies in combinatie met wiskunde. Lijnrecht daartegenover staat de neoplatoonse: onze werkelijkheid is slechts één mogelijke verschijningsvorm van eeuwige wiskundige vormen en wetten die oneindig veel verschillende werelden gestalte kunnen geven. Beide methodes hebben hun eigen overtuigingskracht en bieden andere perspectieven. Brouwer leunt naar het neoplatonisme – de formules zijn overtuigend –  verder in het boek besteedt ze dan ook veel aandacht aan het multiversum, het bestaan van parallelle werelden. De uitleg daarvoor bespaar ik je, deels omdat ik het maar half begrijp, deels omdat het woord ‘als’ veel te vaak voorkomt in de onderliggende redeneringen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Feit is dat ons universum en zijn ontstaansgeschiedenis behoorlijk complex zijn, met aan de basis zowel determinatie (de natuurwetten) als toeval (kwantummechanica). Hoe dat te rijmen valt met zingeving, is de grote uitdaging. Brouwer vond het antwoord bij Spinoza’s belangrijkste werk: <em>Ethiek volgens de meetkundige methode gedemonstreerd</em>. Haar lezing van deze klassieker vormt het tweede deel van het boek, en levert de ruggengraat van haar denken.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><em>“Spinoza: mijn redder in existentiële nood”</em></h4>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Spinoza lezen is niet eenvoudig. Hij bouwt zijn redeneringen logisch-mathematisch op en vertrekt bijgevolg bij axioma’s en definities. Welke niet-bewijsbare basisstellingen hebben we nodig? Hoe definiëren we de kernbegrippen waarover we helderheid willen krijgen? Mochten we deze aanpak standaard hanteren bij elke discussie, dan zou het aantal misverstanden behoorlijk dalen. Met een eerste axioma stelt Spinoza dat alles een oorzaak heeft: causaliteit. Het tweede axioma gaat ervan uit dat de wereld logisch-mathematisch in elkaar zit: rationalisme. De combinatie van de twee laat hem vervolgens toe de wereld te begrijpen, waarbij hij vooreerst nog drie cruciale definities naar voren schuift: substantie, modus en attribuut.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Elke <em>modus</em> of manier-van-bestaan wordt veroorzaakt door een reeks voorafgaande processen en factoren. Het feit dat jij bestaat, is een gevolg van… begin maar terug te redeneren, tot bij het ultieme startschot, de oerknal. In dat terugredeneren arriveer je onvermijdelijk bij het eerste axioma, dat van de <em>substantie</em>. Wat Spinoza als substantie benoemt, kent géén externe oorzaak en wordt door zichzelf verklaard. Vandaar dat de ontstaansgeschiedenis van elke modus uiteindelijk teruggevoerd kan worden naar de substantie, als ultieme oorzaak. Het derde begrip vind ik moeilijker te vatten, behalve in de twee voorbeelden: een <em>attribuut </em>is een manier om de essentie van iets te interpreteren, met als twee voorbeelden uitgebreidheid en denken – de <em>res extensa</em> en de <em>res cogitans</em> van Descartes?</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De cruciale stap in Spinoza’s redenering is de vereenzelviging van substantie en god; in zijn bekendere bewoording: god oftewel de natuur. De substantie is het op zich niet veroorzaakte vertrekpunt van alles, waarna elke modus een gevolg is binnen een ketting aan oorzaken. Dit roept het idee op van de “onbeweegbare beweger” van Aristoteles, als ultieme oorzaak, zij het met een essentieel verschil. Bij Spinoza is de causaliteit inherent aan het geheel, en niet iets wat daarbuiten staat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit onderscheid is fundamenteel en maakt dat Spinoza niet verteerbaar is voor monotheïstische godsdiensten. ‘God’ kan niet langer transcendentaal gedacht worden, als iets of iemand die buiten en boven alles staat (laat staan als een oude man met witte baard); het goddelijke is immanent, inbegrepen in alles. Spinoza redeneert pantheïstisch: god/de natuur – de substantie – omvat en veroorzaakt alles wat er mogelijkerwijs kan bestaan, fysiek en geestelijk (de twee attributen die wij kennen).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Pantheïsme is ouder dan Spinoza, en kostte bijvoorbeeld Giordano Bruno het leven. Spinoza was voorzichtig genoeg om de <em>Ethica</em> pas na zijn dood te laten publiceren. In een apart hoofdstuk bespreekt Brouwer de overeenkomsten met bijvoorbeeld nog oudere oosterse tradities. Toch is Spinoza nieuw, omwille van zijn onverbiddelijke logica en de koppeling aan wetenschap, vandaar de aantrekkelijkheid voor vrijdenkers. In zijn visie is er geen aparte god meer, enkel een immanente causaliteit die van start gaat bij een axiomatisch gegeven dat altijd en overal aan het werk is. Of je dat nu ‘god’ of ‘de natuur’ noemt, maakt niet uit. Zoals Julian Barnes in zijn laatste boek schreef: “It’s the universe doing its stuff”.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mijn nuchtere en ultrakorte samenvatting: de natuurwetten liggen aan de basis van alles. We kunnen causaal terugredeneren tot het ultieme vertrekpunt, maar verder raken we niet, met als gevolg dat we dit causale vertrekpunt wel als axioma moeten aannemen. Ook wij zijn een onderdeel – een modus – van een oorzaak-gevolg ketting, beter nog: netwerk, dat zich oneindig en eeuwig uitstrekt. We zijn dus niet het bedoelde, laat staan het ultieme resultaat van die ketting of dat netwerk. Eens dat besef tot je doordringt, ontstaat er een totaal ander mens- en wereldbeeld. De ooit traditionele opvatting – de aarde is het centrum van het heelal, met de mens als hoogtepunt van de schepping/de evolutie – hebben we al geruime tijd achter ons gelaten. Het bijbehorende mensbeeld – alles draait rond ons, begrijp: rond mij – nauwelijks. In het nieuwe beeld is de aarde een klein onderdeel van de kosmos, elk individu niet meer dan een radertje, met een causaliteit die ons elke illusie van autonomie ontneemt. Alles hangt met alles samen, afhankelijkheid is de regel.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Siddharta Mukherjee</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=siddharta-mukherjee</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 27 May 2026 04:26:08 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4160</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Siddharta Mukherjee </strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>De keizer aller ziektes. Een biografie van kanker.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschappelijk onderzoek is uitermate complex, met toepassingen die steeds gesofistikeerder en krachtiger worden. Dit is overduidelijk in de evolutie van de geneeskunde in het algemeen en in onze kennis over en behandeling van kanker in het bijzonder. De geschiedenis daarvan op een begrijpelijke manier uiteenzetten is navenant moeilijk. Dergelijke boeken  worden meestal door wetenschapsjournalisten geschreven, wat een leesbare maar vaak vulgariserende tekst oplevert. Wetenschappers kennen de materie beter, maar hebben dan weer moeite om los te komen van hun jargon. Bij clinici vind je vooral patiëntenverhalen – boeiend, maar steevast selectief.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Siddhartha Mukherjee is een zeldzame figuur: én onderzoeker, én clinicus en begenadigd schrijver. Hij werd geboren in India, studeerde geneeskunde in Delhi, vervolgde zijn opleiding in Oxford en Harvard, en werkt vandaag als oncoloog en onderzoeker in de Verenigde Staten (Columbia University). Die internationale achtergrond maakt dat hij niet vanuit één medisch systeem of traditie schrijft, maar vanuit een perspectief waarin wetenschap, cultuur en geschiedenis voortdurend met elkaar in gesprek gaan. En om het helemaal mooi te maken: blijkbaar leest hij ook de ‘gewone’ literatuur, met als aangenaam resultaat her en der verwijzingen naar literaire klassiekers.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong>Van brute ingrepen naar gerichte behandelingen</strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De oorspronkelijke editie van het boek dateert van 2010, in de heruitgave vind je vier nieuwe hoofdstukken die de evolutie van de kennis en de toepassingen tot vandaag bespreken. Het contrast met vroegere behandelingen wordt daardoor nog veel groter dan in de eerdere versie: van brute kracht en beperkte inzichten naar specifieke behandelingen en een steeds complexere wetenschap.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Die brute kracht is overduidelijk bij de eerste, voornamelijk chirurgische aanpak. Ruwweg van het einde van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste beschouwde men kanker als een lokale ziekte, met snijden als voor de hand liggende  oplossing, liefst zo breed en diep als maar kon. De radicale operaties van William Halsted, uitgevoerd in het Johns Hopkins Hospital in Baltimore vanaf de jaren 1880 tot circa 1920, doen huiveren. Borstkanker werd behandeld met uitgebreide amputaties waarbij niet alleen de tumor, maar ook omliggende spieren en lymfeklieren werden verwijderd. Het idee was eenvoudig: hoe meer je weghaalt, hoe groter de kans op genezing. De gevolgen waren lichamelijke verminking en onnoemelijk leed, vaak zonder dat de ziekte daadwerkelijk onder controle kwam.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarna kwam de bestraling, vanaf het begin van de twintigste eeuw, wat een eerste stap betekende weg van het louter mechanische denken. Met de ontdekking van röntgenstralen (1895) en radioactiviteit ontstond de hoop dat men tumoren kon vernietigen zonder het lichaam open te snijden. Ook hier gold aanvankelijk “meer is beter”: hogere doses, grotere lichaamszones. Hoewel bestraling in bepaalde gevallen effectiever was dan chirurgie, bleef ze gepaard gaan met zware neveneffecten – bovendien zijn röntgenstralen zelf kankerverwekkend.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf 1940 kwam de chemotherapie die kanker als een systemische ziekte benaderde. In plaats van lokaal ingrijpen, probeerde men kankercellen in het hele lichaam te vernietigen. De eerste chemotherapeutica – deels ontstaan uit onderzoek naar mosterdgassen tijdens de Tweede Wereldoorlog – waren weinig selectief. Ze vielen alle snel delende cellen aan, wat tot de bekende bijwerkingen leidde (haarverlies, misselijkheid, aantasting van het beenmerg). Toch betekende deze stap een doorbraak, vooral bij bepaalde vormen van leukemie en lymfeklierkanker.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als lezer kan je niet anders dan huiveren bij de geschiedenis van de opeenvolgende ‘beste’ behandelingen  – genezing was zeldzaam, een langere levensduur ging gepaard met onnoemelijk leed. Wat Mukherjee overtuigend laat zien, is de verschuiving naar steeds specifiekere interventies. Met de ontdekking van oncogenen en tumoronderdrukkende genen verandert het perspectief fundamenteel pakweg vanaf 1970: kanker wordt een ziekte van het DNA. Dat inzicht opent de weg naar gerichte therapieën, die inspelen op specifieke moleculaire afwijkingen in kankercellen. In plaats van alles te vernietigen wat snel groeit, probeert de oncologie precies datgene te blokkeren wat de tumor aandrijft. De impact op patiënten is aanzienlijk. Niet alleen stijgt hun overlevingskans, hun levenskwaliteit wordt stukken beter. De problemen zijn er nog – resistentie, bijwerkingen en zeker in de Angelsaksische wereld de onbetaalbaarheid voor een groot deel van de bevolking. In België en Nederland beseffen wij nauwelijks in wat voor luxe wij op dat vlak leven – behandelingen die elders in de wereld onbetaalbaar zijn, krijg je hier nagenoeg gratis.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong><strong>Spectaculaire vooruitgang</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De heruitgave met vier nieuwe hoofdstukken brengt het verhaal tot in het heden, en dat is nodig, want sinds 2010 hebben zich opnieuw een aantal ontwikkelingen voorgedaan die het veld ingrijpend hebben veranderd.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De meest in het oog springende is de opkomst van de immunotherapie. In plaats van de tumor rechtstreeks aan te vallen, richt deze aanpak zich op het immuunsysteem. Door zogenaamde checkpointremmers te gebruiken wordt de natuurlijke afweer opnieuw geactiveerd. Voor sommige patiënten – vooral bij melanoom en bepaalde longkankers – heeft dit geleid tot langdurige remissies die vroeger ondenkbaar waren.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mukherjee beschrijft het type patiënt dat tot voor kort symbool stond voor de grenzen van de oncologie: een vijftiger met uitgezaaid melanoom, met een prognose die in maanden gemeten werd. Chemotherapie bood nauwelijks effect. De nieuwste behandelingen doen de tumoren krimpen en zelfs verdwijnen. De patiënt is niet genezen in de klassieke zin, maar komt in een toestand die vroeger eenvoudigweg niet bestond: langdurige controle door het eigen immuunsysteem.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarnaast is er de verdere uitbouw van de precisiegeneeskunde. Door genetische analyse van tumoren kan men behandelingen steeds beter afstemmen op de individuele patiënt. Dit leidt tot gerichte therapieën die zowel effectiever als minder toxisch zijn dan klassieke chemotherapie. Tegelijk toont Mukherjee de beperkingen: tumoren zijn heterogeen en evolueren, waardoor resistentie een terugkerend probleem blijft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze evolutie komt er een andere blik op de patiënt. Hij is niet langer de zoveelste anonieme drager van een bepaalde kanker, wel iemand met een specifiek moleculair profiel. Een niet-roker van middelbare leeftijd krijgt de diagnose longkanker – op zich al een afwijking van het klassieke patroon. Analyse van de tumor toont een bepaalde mutatie. In plaats van een zware chemokuur krijgt hij een tablet, dagelijks in te nemen.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Siddharta Mukherjee </strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>De keizer aller ziektes. Een biografie van kanker.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschappelijk onderzoek is uitermate complex, met toepassingen die steeds gesofistikeerder en krachtiger worden. Dit is overduidelijk in de evolutie van de geneeskunde in het algemeen en in onze kennis over en behandeling van kanker in het bijzonder. De geschiedenis daarvan op een begrijpelijke manier uiteenzetten is navenant moeilijk. Dergelijke boeken  worden meestal door wetenschapsjournalisten geschreven, wat een leesbare maar vaak vulgariserende tekst oplevert. Wetenschappers kennen de materie beter, maar hebben dan weer moeite om los te komen van hun jargon. Bij clinici vind je vooral patiëntenverhalen – boeiend, maar steevast selectief.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Siddhartha Mukherjee is een zeldzame figuur: én onderzoeker, én clinicus en begenadigd schrijver. Hij werd geboren in India, studeerde geneeskunde in Delhi, vervolgde zijn opleiding in Oxford en Harvard, en werkt vandaag als oncoloog en onderzoeker in de Verenigde Staten (Columbia University). Die internationale achtergrond maakt dat hij niet vanuit één medisch systeem of traditie schrijft, maar vanuit een perspectief waarin wetenschap, cultuur en geschiedenis voortdurend met elkaar in gesprek gaan. En om het helemaal mooi te maken: blijkbaar leest hij ook de ‘gewone’ literatuur, met als aangenaam resultaat her en der verwijzingen naar literaire klassiekers.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong>Van brute ingrepen naar gerichte behandelingen</strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De oorspronkelijke editie van het boek dateert van 2010, in de heruitgave vind je vier nieuwe hoofdstukken die de evolutie van de kennis en de toepassingen tot vandaag bespreken. Het contrast met vroegere behandelingen wordt daardoor nog veel groter dan in de eerdere versie: van brute kracht en beperkte inzichten naar specifieke behandelingen en een steeds complexere wetenschap.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Die brute kracht is overduidelijk bij de eerste, voornamelijk chirurgische aanpak. Ruwweg van het einde van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste beschouwde men kanker als een lokale ziekte, met snijden als voor de hand liggende  oplossing, liefst zo breed en diep als maar kon. De radicale operaties van William Halsted, uitgevoerd in het Johns Hopkins Hospital in Baltimore vanaf de jaren 1880 tot circa 1920, doen huiveren. Borstkanker werd behandeld met uitgebreide amputaties waarbij niet alleen de tumor, maar ook omliggende spieren en lymfeklieren werden verwijderd. Het idee was eenvoudig: hoe meer je weghaalt, hoe groter de kans op genezing. De gevolgen waren lichamelijke verminking en onnoemelijk leed, vaak zonder dat de ziekte daadwerkelijk onder controle kwam.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarna kwam de bestraling, vanaf het begin van de twintigste eeuw, wat een eerste stap betekende weg van het louter mechanische denken. Met de ontdekking van röntgenstralen (1895) en radioactiviteit ontstond de hoop dat men tumoren kon vernietigen zonder het lichaam open te snijden. Ook hier gold aanvankelijk “meer is beter”: hogere doses, grotere lichaamszones. Hoewel bestraling in bepaalde gevallen effectiever was dan chirurgie, bleef ze gepaard gaan met zware neveneffecten – bovendien zijn röntgenstralen zelf kankerverwekkend.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf 1940 kwam de chemotherapie die kanker als een systemische ziekte benaderde. In plaats van lokaal ingrijpen, probeerde men kankercellen in het hele lichaam te vernietigen. De eerste chemotherapeutica – deels ontstaan uit onderzoek naar mosterdgassen tijdens de Tweede Wereldoorlog – waren weinig selectief. Ze vielen alle snel delende cellen aan, wat tot de bekende bijwerkingen leidde (haarverlies, misselijkheid, aantasting van het beenmerg). Toch betekende deze stap een doorbraak, vooral bij bepaalde vormen van leukemie en lymfeklierkanker.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als lezer kan je niet anders dan huiveren bij de geschiedenis van de opeenvolgende ‘beste’ behandelingen  – genezing was zeldzaam, een langere levensduur ging gepaard met onnoemelijk leed. Wat Mukherjee overtuigend laat zien, is de verschuiving naar steeds specifiekere interventies. Met de ontdekking van oncogenen en tumoronderdrukkende genen verandert het perspectief fundamenteel pakweg vanaf 1970: kanker wordt een ziekte van het DNA. Dat inzicht opent de weg naar gerichte therapieën, die inspelen op specifieke moleculaire afwijkingen in kankercellen. In plaats van alles te vernietigen wat snel groeit, probeert de oncologie precies datgene te blokkeren wat de tumor aandrijft. De impact op patiënten is aanzienlijk. Niet alleen stijgt hun overlevingskans, hun levenskwaliteit wordt stukken beter. De problemen zijn er nog – resistentie, bijwerkingen en zeker in de Angelsaksische wereld de onbetaalbaarheid voor een groot deel van de bevolking. In België en Nederland beseffen wij nauwelijks in wat voor luxe wij op dat vlak leven – behandelingen die elders in de wereld onbetaalbaar zijn, krijg je hier nagenoeg gratis.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong><strong>Spectaculaire vooruitgang</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De heruitgave met vier nieuwe hoofdstukken brengt het verhaal tot in het heden, en dat is nodig, want sinds 2010 hebben zich opnieuw een aantal ontwikkelingen voorgedaan die het veld ingrijpend hebben veranderd.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De meest in het oog springende is de opkomst van de immunotherapie. In plaats van de tumor rechtstreeks aan te vallen, richt deze aanpak zich op het immuunsysteem. Door zogenaamde checkpointremmers te gebruiken wordt de natuurlijke afweer opnieuw geactiveerd. Voor sommige patiënten – vooral bij melanoom en bepaalde longkankers – heeft dit geleid tot langdurige remissies die vroeger ondenkbaar waren.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mukherjee beschrijft het type patiënt dat tot voor kort symbool stond voor de grenzen van de oncologie: een vijftiger met uitgezaaid melanoom, met een prognose die in maanden gemeten werd. Chemotherapie bood nauwelijks effect. De nieuwste behandelingen doen de tumoren krimpen en zelfs verdwijnen. De patiënt is niet genezen in de klassieke zin, maar komt in een toestand die vroeger eenvoudigweg niet bestond: langdurige controle door het eigen immuunsysteem.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarnaast is er de verdere uitbouw van de precisiegeneeskunde. Door genetische analyse van tumoren kan men behandelingen steeds beter afstemmen op de individuele patiënt. Dit leidt tot gerichte therapieën die zowel effectiever als minder toxisch zijn dan klassieke chemotherapie. Tegelijk toont Mukherjee de beperkingen: tumoren zijn heterogeen en evolueren, waardoor resistentie een terugkerend probleem blijft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze evolutie komt er een andere blik op de patiënt. Hij is niet langer de zoveelste anonieme drager van een bepaalde kanker, wel iemand met een specifiek moleculair profiel. Een niet-roker van middelbare leeftijd krijgt de diagnose longkanker – op zich al een afwijking van het klassieke patroon. Analyse van de tumor toont een bepaalde mutatie. In plaats van een zware chemokuur krijgt hij een tablet, dagelijks in te nemen.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>D.W. Winnicott</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=d-w-winnicott</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 13 May 2026 04:48:18 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4149</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>D.W. Winnicott</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kind, gezin en buitenwereld.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Hoe luidt het cliché ook alweer? Fransen zijn warrige intellectuelen met een voorkeur voor moeilijke woorden en lange zinnen die je drie keer moet lezen met een potlood in de hand; Duitsers bouwen systemen en structuren waarin ze vervolgens zelf verloren lopen; Britten doen gewoon voort. Veralgemeningen zijn altijd te veralgemenend, maar de Duitse psychiater Emil Kraepelin, de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan en de Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald W. Winnicott passen alvast in het plaatje. Systemen verouderen snel, intellectuele diepgang is een langer leven beschoren, pragmatiek is van alle tijden.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Psychoanalyse</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Psychoanalyse heeft een reputatie die haar zelden helpt: ingewikkelde theorieën, een zwaar jargon en eindeloze gevechten tussen en binnen verschillende scholen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Tegen die achtergrond is het werk van Donald W. Winnicott (1896–1971) een opmerkelijke uitzondering: minder theorie, meer observatie; minder dogma, meer ‘keep calm and carry on’. Belangrijk om weten is dat hij van opleiding geen psychiater maar een kinderarts was, die al snel zijn aandacht verlegde naar de interactie tussen moeder en kind en het belang van de omgeving heel sterk in rekening bracht.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze uitbreiding veroorzaakte hij een paradigmaverschuiving in het psychoanalytische denken: van een exclusief accent op het onbewuste en de driften naar de bestudering van de interactie met de omgeving en de impact daarvan op de ontwikkeling van het kind. Dat hij bovendien als pediater hoofdzakelijk normale kinderen in zijn praktijk zag, vaak met overbezorgde moeders, hielp ook. Winnicott is dé psychoanalyticus van de opvoeding.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>The Child, the Family, and the Outside World</em> verscheen oorspronkelijk in 1964 en werd in 2021 opnieuw uitgebracht in de befaamde ‘Penguin Classics’-reeks. Zestig jaar na datum bevestigde die heruitgave hoe sterk Winnicotts reputatie is blijven groeien. Nog altijd geldt hij als een van de meest invloedrijke denkers over de vroege ontwikkeling van het kind en over de rol van de omgeving daarin. Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap. De vertaling <em>Kind, gezin en buitenwereld</em> maakt een klassieker uit de twintigste-eeuwse kinderpsychologie toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een revolutie door de eenvoud</em></h3>
<p style="font-weight: 400;">Het boek is opgebouwd uit drie delen: moeder en kind, het gezin, de buitenwereld. Winnicott volgt de baby vanaf de eerste weken na de geboorte tot het moment waarop het zijn plaats in de sociale wereld begint te vinden. Hij beschrijft situaties die elke ouder herkent: een kind dat niet wil slapen, een peuter die plotseling agressief wordt, een kleuter die een lievelingsknuffel niet kan missen. Die alledaagse voorbeelden vormen de basis voor bredere psychologische inzichten.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat Winnicott onderscheidt van zijn collega’s is zijn bijna radicale eenvoud en alledaagse taalgebruik. Veel teksten uit het boek zijn gebaseerd op wat we vandaag de dag podcasts zouden noemen – hij gaf vijftig uiteenzettingen op de BBC-radio over opvoeding waarbij hij zich rechtstreeks tot moeders richtte. Zijn uitgangspunt kan samengevat worden in een van zijn bekendste stellingen: er bestaat eigenlijk geen baby, alleen een baby-met-moeder. Met andere woorden: de ontwikkeling van een kind kan niet begrepen worden zonder de relatie met degene die voor het kind zorgt.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert alvast een eerste begrip op dat eigenlijk geen echt begrip is, maar iets wat je zo voor je kunt zien: een <em>holding environment</em>, een ouder die een baby vasthoudt, voedt en geruststelt, als basis voor een omgeving waarin het kind zich veilig genoeg voelt om een zelfbeeld te ontwikkelen. Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert een tweede begrip op – ook alweer geen echt begrip – dat in onze tijden van overbezorgde ouders zo mogelijk nog belangrijker is: de <em>good enough mother</em>. In plaats van een ideale perfecte opvoeding te schetsen, benadrukte Winnicott dat ouders simpelweg goed genoeg moeten zijn. In de beginperiode houdt dit in dat zij zich nagenoeg volledig moeten afstemmen op de behoeften van de baby – wat Winnicott ‘primaire moederlijke betrokkenheid’ noemt – maar daarna mogen, ja, moeten ze stap voor stap ‘fouten’ maken. Door die geleidelijke teleurstellingen en de bijbehorende frustraties leert het kind dat de wereld niet volledig naar zijn wensen gevormd is en ontwikkelt het een realistischer verhouding tot de werkelijkheid. Het geniale van deze gedachte is dat ze ouders tegelijk geruststelt en toch verantwoordelijk maakt. Perfectie is niet nodig, maar een betrouwbare, liefdevolle aanwezigheid wel. Winnicott verdedigde hiermee expliciet het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een derde belangrijk begrip is het <em>transitional object</em>: een knuffelbeest of ander object dat voor het jonge kind een bijzondere betekenis krijgt (het nam zelfs iconische proporties aan dankzij striptekenaar Schulz, die peuter Linus in de Peanuts-reeks steevast met zijn dekentje laat rondzeulen). Vandaag kijkt men daar vooral vertederd naar en vergeet men ondertussen de o zo belangrijke functie ervan. Het is de eerste stap naar het ultieme doel van de opvoeding: dat onze kinderen ons kunnen achterlaten en hun eigen plaats in de buitenwereld veroveren. Het transitioneel object is een ding in de tussenruimte, tussen ouders en peuter, dat helpt om de stap te zetten van volledige afhankelijkheid naar een eigen innerlijke wereld. Opvallend en typisch voor zijn stijl is dat Winnicott in dit boek het begrip zelf niet eens gebruikt, terwijl hij wel de uitleg geeft en het accent legt op de uitbreiding ervan: het spel, nog zo’n centraal thema in zijn denken.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Al spelend ontdekt het kind een overgangsgebied tussen innerlijke fantasie en externe werkelijkheid. Voor Winnicott reikt dit overgangsgebied veel verder dan de kindertijd. Kunst, religie en cultuur bevinden zich volgens hem in dezelfde ruimte tussen fantasie en werkelijkheid. Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, wel een basisvorm van menselijke creativiteit.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een subtiele moraal</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Wat Winnicotts werk zo belangrijk maakt, is dat zijn psychoanalytische visie tegelijk een subtiele moraal bevat. Niet in de vorm van regels of voorschriften, maar in de vorm van een houding tegenover het kind.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>D.W. Winnicott</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kind, gezin en buitenwereld.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Hoe luidt het cliché ook alweer? Fransen zijn warrige intellectuelen met een voorkeur voor moeilijke woorden en lange zinnen die je drie keer moet lezen met een potlood in de hand; Duitsers bouwen systemen en structuren waarin ze vervolgens zelf verloren lopen; Britten doen gewoon voort. Veralgemeningen zijn altijd te veralgemenend, maar de Duitse psychiater Emil Kraepelin, de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan en de Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald W. Winnicott passen alvast in het plaatje. Systemen verouderen snel, intellectuele diepgang is een langer leven beschoren, pragmatiek is van alle tijden.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Psychoanalyse</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Psychoanalyse heeft een reputatie die haar zelden helpt: ingewikkelde theorieën, een zwaar jargon en eindeloze gevechten tussen en binnen verschillende scholen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Tegen die achtergrond is het werk van Donald W. Winnicott (1896–1971) een opmerkelijke uitzondering: minder theorie, meer observatie; minder dogma, meer ‘keep calm and carry on’. Belangrijk om weten is dat hij van opleiding geen psychiater maar een kinderarts was, die al snel zijn aandacht verlegde naar de interactie tussen moeder en kind en het belang van de omgeving heel sterk in rekening bracht.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze uitbreiding veroorzaakte hij een paradigmaverschuiving in het psychoanalytische denken: van een exclusief accent op het onbewuste en de driften naar de bestudering van de interactie met de omgeving en de impact daarvan op de ontwikkeling van het kind. Dat hij bovendien als pediater hoofdzakelijk normale kinderen in zijn praktijk zag, vaak met overbezorgde moeders, hielp ook. Winnicott is dé psychoanalyticus van de opvoeding.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>The Child, the Family, and the Outside World</em> verscheen oorspronkelijk in 1964 en werd in 2021 opnieuw uitgebracht in de befaamde ‘Penguin Classics’-reeks. Zestig jaar na datum bevestigde die heruitgave hoe sterk Winnicotts reputatie is blijven groeien. Nog altijd geldt hij als een van de meest invloedrijke denkers over de vroege ontwikkeling van het kind en over de rol van de omgeving daarin. Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap. De vertaling <em>Kind, gezin en buitenwereld</em> maakt een klassieker uit de twintigste-eeuwse kinderpsychologie toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een revolutie door de eenvoud</em></h3>
<p style="font-weight: 400;">Het boek is opgebouwd uit drie delen: moeder en kind, het gezin, de buitenwereld. Winnicott volgt de baby vanaf de eerste weken na de geboorte tot het moment waarop het zijn plaats in de sociale wereld begint te vinden. Hij beschrijft situaties die elke ouder herkent: een kind dat niet wil slapen, een peuter die plotseling agressief wordt, een kleuter die een lievelingsknuffel niet kan missen. Die alledaagse voorbeelden vormen de basis voor bredere psychologische inzichten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat Winnicott onderscheidt van zijn collega’s is zijn bijna radicale eenvoud en alledaagse taalgebruik. Veel teksten uit het boek zijn gebaseerd op wat we vandaag de dag podcasts zouden noemen – hij gaf vijftig uiteenzettingen op de BBC-radio over opvoeding waarbij hij zich rechtstreeks tot moeders richtte. Zijn uitgangspunt kan samengevat worden in een van zijn bekendste stellingen: er bestaat eigenlijk geen baby, alleen een baby-met-moeder. Met andere woorden: de ontwikkeling van een kind kan niet begrepen worden zonder de relatie met degene die voor het kind zorgt.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert alvast een eerste begrip op dat eigenlijk geen echt begrip is, maar iets wat je zo voor je kunt zien: een <em>holding environment</em>, een ouder die een baby vasthoudt, voedt en geruststelt, als basis voor een omgeving waarin het kind zich veilig genoeg voelt om een zelfbeeld te ontwikkelen. Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert een tweede begrip op – ook alweer geen echt begrip – dat in onze tijden van overbezorgde ouders zo mogelijk nog belangrijker is: de <em>good enough mother</em>. In plaats van een ideale perfecte opvoeding te schetsen, benadrukte Winnicott dat ouders simpelweg goed genoeg moeten zijn. In de beginperiode houdt dit in dat zij zich nagenoeg volledig moeten afstemmen op de behoeften van de baby – wat Winnicott ‘primaire moederlijke betrokkenheid’ noemt – maar daarna mogen, ja, moeten ze stap voor stap ‘fouten’ maken. Door die geleidelijke teleurstellingen en de bijbehorende frustraties leert het kind dat de wereld niet volledig naar zijn wensen gevormd is en ontwikkelt het een realistischer verhouding tot de werkelijkheid. Het geniale van deze gedachte is dat ze ouders tegelijk geruststelt en toch verantwoordelijk maakt. Perfectie is niet nodig, maar een betrouwbare, liefdevolle aanwezigheid wel. Winnicott verdedigde hiermee expliciet het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een derde belangrijk begrip is het <em>transitional object</em>: een knuffelbeest of ander object dat voor het jonge kind een bijzondere betekenis krijgt (het nam zelfs iconische proporties aan dankzij striptekenaar Schulz, die peuter Linus in de Peanuts-reeks steevast met zijn dekentje laat rondzeulen). Vandaag kijkt men daar vooral vertederd naar en vergeet men ondertussen de o zo belangrijke functie ervan. Het is de eerste stap naar het ultieme doel van de opvoeding: dat onze kinderen ons kunnen achterlaten en hun eigen plaats in de buitenwereld veroveren. Het transitioneel object is een ding in de tussenruimte, tussen ouders en peuter, dat helpt om de stap te zetten van volledige afhankelijkheid naar een eigen innerlijke wereld. Opvallend en typisch voor zijn stijl is dat Winnicott in dit boek het begrip zelf niet eens gebruikt, terwijl hij wel de uitleg geeft en het accent legt op de uitbreiding ervan: het spel, nog zo’n centraal thema in zijn denken.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Al spelend ontdekt het kind een overgangsgebied tussen innerlijke fantasie en externe werkelijkheid. Voor Winnicott reikt dit overgangsgebied veel verder dan de kindertijd. Kunst, religie en cultuur bevinden zich volgens hem in dezelfde ruimte tussen fantasie en werkelijkheid. Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, wel een basisvorm van menselijke creativiteit.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een subtiele moraal</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Wat Winnicotts werk zo belangrijk maakt, is dat zijn psychoanalytische visie tegelijk een subtiele moraal bevat. Niet in de vorm van regels of voorschriften, maar in de vorm van een houding tegenover het kind.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Seizoensdenker</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/seizoensdenker/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=seizoensdenker</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 09 May 2026 05:04:34 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4143</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Seizoensdenker</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf september heb ik de eer de ‘seizoensdenker’ te zijn voor het komende seizoen van het concertgebouw in Brugge. In dit<a href="https://www.youtube.com/watch?v=tFxT3C0tK2Y&#38;t=1s"> filmpje</a> licht ik mijn vier bijdragen toe. De toelichting vind je <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/seizoensdenker-paul-verhaeghe">hier</a>  en het programma van <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/onze-seizoensbrochure-is-er">het volledige seizoen</a> staat online.</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Seizoensdenker</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf september heb ik de eer de ‘seizoensdenker’ te zijn voor het komende seizoen van het concertgebouw in Brugge. In dit<a href="https://www.youtube.com/watch?v=tFxT3C0tK2Y&amp;t=1s"> filmpje</a> licht ik mijn vier bijdragen toe. De toelichting vind je <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/seizoensdenker-paul-verhaeghe">hier</a>  en het programma van <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/onze-seizoensbrochure-is-er">het volledige seizoen</a> staat online.</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
