<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><?xml-stylesheet type="text/xsl" href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/wp-content/plugins/rss-feed-styles/public/template.xsl"?><rss version="2.0"
	xmlns:content="http://purl.org/rss/1.0/modules/content/"
	xmlns:wfw="http://wellformedweb.org/CommentAPI/"
	xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/"
	xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom"
	xmlns:sy="http://purl.org/rss/1.0/modules/syndication/"
	xmlns:slash="http://purl.org/rss/1.0/modules/slash/"
	xmlns:rssFeedStyles="http://www.lerougeliet.com/ns/rssFeedStyles#"
>

<channel>
	<title>Boekenblog &#8211; Paul Verhaeghe | Boekenblog</title>
	<atom:link href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/category/boekenblog/feed/" rel="self" type="application/rss+xml" />
	<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com</link>
	<description>Een van de mooiste geschenken is een boek, hetzij omdat het je wakker schudt, hetzij omdat het je helpt inslapen.</description>
	<lastBuildDate>Wed, 24 Jun 2026 03:25:46 +0000</lastBuildDate>
	<language>nl-BE</language>
	<sy:updatePeriod>
	hourly	</sy:updatePeriod>
	<sy:updateFrequency>
	1	</sy:updateFrequency>
	<generator>https://wordpress.org/?v=7.0.3</generator>
<rssFeedStyles:reader name="Digg Reader" url="http://digg.com/reader/search/https%3A%2F%2Fboekenblog.paulverhaeghe.com%2Ffeed%2F"/><rssFeedStyles:reader name="Feedly" url="http://cloud.feedly.com/#subscription%2Ffeed%2Fhttps://boekenblog.paulverhaeghe.com/feed/"/><rssFeedStyles:reader name="Inoreader" url="http://www.inoreader.com/?add_feed=https%3A%2F%2Fboekenblog.paulverhaeghe.com%2Ffeed%2F"/><rssFeedStyles:button name="Like" url="https://www.facebook.com/sharer/sharer.php?u=%url%"/>	<item>
		<title>Elizabeth Strout</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/elizabeth-strout/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=elizabeth-strout</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 24 Jun 2026 03:25:46 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4183</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een tijd terug kreeg ik de roman <em>Wat ongezegd blijft</em> toegestuurd, als geschenk van een Antwerpse collega wiens literaire smaak feilloos juist is. Ik las het bijna onmiddellijk en werd zo enthousiast dat ik besloot er een bespreking aan te wijden – dus: dank je, Ann.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals veel lezers ontdekte ik de Amerikaanse Elizabeth Strout een aantal jaar geleden. Haar romans rond <em>Olive Kitteridge</em> had ik snel uit, net zoals de cyclus over <em>Lucy Barton</em>. Te snel en in te korte tijd, met als gevolg oververzadiging, zelfs een lichte aversie (het wordt écht tijd dat iemand eens een studie publiceert over de menselijke grenzeloosheid). Daarna raakte ze uit mijn blikveld, tot dit boek onverwacht in mijn brievenbus viel. Het is het beste van wat ik van haar las; wat zeg ik, het is het beste fictieboek dat ik de voorbije jaren las. Uitleggen waarom is niet zo makkelijk, net omdat ze zo makkelijk schrijft – ogenschijnlijk toch.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Freud merkt herhaaldelijk op dat een goede romanschrijver een beter zicht heeft op de menselijke psyche dan de beste menswetenschappers. Strout illustreert dat ten overvloede. Elke psychotherapeutische school heeft wel een term voor wat niet uitgesproken wordt en voor de gevolgen daarvan, maar Strout toont het zonder theorie. In de natuurwetenschappen bestaat er vaak een verband tussen eenvoud en juistheid: <em>simplex sigillum veri</em>, eenvoud is het zegel van het ware. Of je dat zomaar op de kunst kunt toepassen, weet ik niet. Voor Strout geldt het in elk geval. Over wat we niet uitspreken schrijft ze in eenvoudige taal, zonder de liflafjes waar sommige auteurs mee uitpakken. Dat doet ze ook wanneer ze het bijna terloops heeft over een van de grote filosofische vragen (bestaat de vrije wil?).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De roman speelt zich af in een gemeenschap aan de kust van New Hampshire en draait om een beperkt aantal figuren en hun verhoudingen – de wijze waarop Strout met drie zinnetjes de relatie tussen twee mensen kan neerzetten, is ongelooflijk. De hoofdfiguur is een zevenenvijftigjarige geschiedenisleraar die zich vragen stelt over zichzelf en over de wijze waarop zijn land, de VS, evolueert. Op de achtergrond spelen een familiaal trauma én een oud geheim mee, beide tot op vandaag bepalend voor de verhoudingen tussen drie gezinsleden. De dialoog die hij met zichzelf voert, is o zo herkenbaar; de manier waarop hij praat met en luistert naar anderen is dan weer zeldzaam: met een weduwe die haar man een schoft noemt en er onmiddellijk aan toevoegt dat ze hem mist, met zijn vrouw over haar vader, met zijn zoon die verloren loopt tussen twee vrouwen, met een loodgieter die huilend vertelt dat zijn partner hem bedriegt. Een rode draad is de wijze waarop hij als leerkracht begaan is met zijn adolescente leerlingen en hen probeert te helpen waar hij kan. Zo iemand behoort tot de groep mensen die ooit door onze nochtans hyperintelligente premier weggezet werd als naïeve Gutmenschen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Helemaal in de stijl van Strout en trouwens in overeenstemming met de titel, blijft wat volgens mij het kernonderwerp is van het boek nagenoeg onuitgesproken op de achtergrond: onze eenzaamheid. Niet die van mensen die noodzakelijk alleen zijn, maar die van mensen die elkaar nabij zijn en toch niet weten hoe ze het beslissende kunnen uitspreken. En nee, dit is géén pessimistisch-existentialistisch verhaal, eerder het tegendeel. De fijngevoeligheid, de herkenbaarheid, het mededogen, zijn van dien aard dat je als lezer met een zeer goed gevoel achterblijft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Waren er maar meer Gutmenschen. Hun morele kompas vermag meer dan cynische intelligentie.</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam/Antwerpen: </strong><strong>Atlas Contact, 219 blz</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 254 7865 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een tijd terug kreeg ik de roman <em>Wat ongezegd blijft</em> toegestuurd, als geschenk van een Antwerpse collega wiens literaire smaak feilloos juist is. Ik las het bijna onmiddellijk en werd zo enthousiast dat ik besloot er een bespreking aan te wijden – dus: dank je, Ann.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Net zoals veel lezers ontdekte ik de Amerikaanse Elizabeth Strout een aantal jaar geleden. Haar romans rond <em>Olive Kitteridge</em> had ik snel uit, net zoals de cyclus over <em>Lucy Barton</em>. Te snel en in te korte tijd, met als gevolg oververzadiging, zelfs een lichte aversie (het wordt écht tijd dat iemand eens een studie publiceert over de menselijke grenzeloosheid). Daarna raakte ze uit mijn blikveld, tot dit boek onverwacht in mijn brievenbus viel. Het is het beste van wat ik van haar las; wat zeg ik, het is het beste fictieboek dat ik de voorbije jaren las. Uitleggen waarom is niet zo makkelijk, net omdat ze zo makkelijk schrijft – ogenschijnlijk toch.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Freud merkt herhaaldelijk op dat een goede romanschrijver een beter zicht heeft op de menselijke psyche dan de beste menswetenschappers. Strout illustreert dat ten overvloede. Elke psychotherapeutische school heeft wel een term voor wat niet uitgesproken wordt en voor de gevolgen daarvan, maar Strout toont het zonder theorie. In de natuurwetenschappen bestaat er vaak een verband tussen eenvoud en juistheid: <em>simplex sigillum veri</em>, eenvoud is het zegel van het ware. Of je dat zomaar op de kunst kunt toepassen, weet ik niet. Voor Strout geldt het in elk geval. Over wat we niet uitspreken schrijft ze in eenvoudige taal, zonder de liflafjes waar sommige auteurs mee uitpakken. Dat doet ze ook wanneer ze het bijna terloops heeft over een van de grote filosofische vragen (bestaat de vrije wil?).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De roman speelt zich af in een gemeenschap aan de kust van New Hampshire en draait om een beperkt aantal figuren en hun verhoudingen – de wijze waarop Strout met drie zinnetjes de relatie tussen twee mensen kan neerzetten, is ongelooflijk. De hoofdfiguur is een zevenenvijftigjarige geschiedenisleraar die zich vragen stelt over zichzelf en over de wijze waarop zijn land, de VS, evolueert. Op de achtergrond spelen een familiaal trauma én een oud geheim mee, beide tot op vandaag bepalend voor de verhoudingen tussen drie gezinsleden. De dialoog die hij met zichzelf voert, is o zo herkenbaar; de manier waarop hij praat met en luistert naar anderen is dan weer zeldzaam: met een weduwe die haar man een schoft noemt en er onmiddellijk aan toevoegt dat ze hem mist, met zijn vrouw over haar vader, met zijn zoon die verloren loopt tussen twee vrouwen, met een loodgieter die huilend vertelt dat zijn partner hem bedriegt. Een rode draad is de wijze waarop hij als leerkracht begaan is met zijn adolescente leerlingen en hen probeert te helpen waar hij kan. Zo iemand behoort tot de groep mensen die ooit door onze nochtans hyperintelligente premier weggezet werd als naïeve Gutmenschen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Helemaal in de stijl van Strout en trouwens in overeenstemming met de titel, blijft wat volgens mij het kernonderwerp is van het boek nagenoeg onuitgesproken op de achtergrond: onze eenzaamheid. Niet die van mensen die noodzakelijk alleen zijn, maar die van mensen die elkaar nabij zijn en toch niet weten hoe ze het beslissende kunnen uitspreken. En nee, dit is géén pessimistisch-existentialistisch verhaal, eerder het tegendeel. De fijngevoeligheid, de herkenbaarheid, het mededogen, zijn van dien aard dat je als lezer met een zeer goed gevoel achterblijft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Waren er maar meer Gutmenschen. Hun morele kompas vermag meer dan cynische intelligentie.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Elizabeth Strout (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat ongezegd blijft</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam/Antwerpen: </strong><strong>Atlas Contact, 219 blz</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 254 7865 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Margot Brouwer</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=margot-brouwer</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 10 Jun 2026 06:02:14 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4168</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Margot Brouwer</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Sterrenstof zijn wij. Ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong><em> </em></strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein meisje heeft grote belangstelling voor de sterrenhemel. Wanneer ze leest dat het heelal naar een eindpunt evolueert, wordt ze angstig. De antwoorden die ze van haar diep religieuze ouders krijgt, volstaan niet. Op haar achttiende gaat ze natuurkunde en kosmologie studeren. Wat ze leert, maakt haar angst alleen maar groter, tot ze Spinoza ontdekt. Eindelijk slaagt ze erin wetenschap en zingeving te verzoenen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit boek is het verslag van haar existentiële zoektocht, maar ook veel meer dan dat. Zo krijg je in het eerste deel een bevattelijk geschreven geschiedenis over onze blik op het heelal en onszelf. Kort samengevat: de kosmos is groter dan we dachten en ons belang kleiner dan we droomden. We weten er steeds meer over, met als resultaat nieuwe vragen en andere problemen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Studie van de kosmos berust op twee verschillende methodes. Intuïtief voelt de neo-aristotelische aan als de juiste: empirische studies in combinatie met wiskunde. Lijnrecht daartegenover staat de neoplatoonse: onze werkelijkheid is slechts één mogelijke verschijningsvorm van eeuwige wiskundige vormen en wetten die oneindig veel verschillende werelden gestalte kunnen geven. Beide methodes hebben hun eigen overtuigingskracht en bieden andere perspectieven. Brouwer leunt naar het neoplatonisme – de formules zijn overtuigend –  verder in het boek besteedt ze dan ook veel aandacht aan het multiversum, het bestaan van parallelle werelden. De uitleg daarvoor bespaar ik je, deels omdat ik het maar half begrijp, deels omdat het woord ‘als’ veel te vaak voorkomt in de onderliggende redeneringen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Feit is dat ons universum en zijn ontstaansgeschiedenis behoorlijk complex zijn, met aan de basis zowel determinatie (de natuurwetten) als toeval (kwantummechanica). Hoe dat te rijmen valt met zingeving, is de grote uitdaging. Brouwer vond het antwoord bij Spinoza’s belangrijkste werk: <em>Ethiek volgens de meetkundige methode gedemonstreerd</em>. Haar lezing van deze klassieker vormt het tweede deel van het boek, en levert de ruggengraat van haar denken.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><em>“Spinoza: mijn redder in existentiële nood”</em></h4>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Spinoza lezen is niet eenvoudig. Hij bouwt zijn redeneringen logisch-mathematisch op en vertrekt bijgevolg bij axioma’s en definities. Welke niet-bewijsbare basisstellingen hebben we nodig? Hoe definiëren we de kernbegrippen waarover we helderheid willen krijgen? Mochten we deze aanpak standaard hanteren bij elke discussie, dan zou het aantal misverstanden behoorlijk dalen. Met een eerste axioma stelt Spinoza dat alles een oorzaak heeft: causaliteit. Het tweede axioma gaat ervan uit dat de wereld logisch-mathematisch in elkaar zit: rationalisme. De combinatie van de twee laat hem vervolgens toe de wereld te begrijpen, waarbij hij vooreerst nog drie cruciale definities naar voren schuift: substantie, modus en attribuut.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Elke <em>modus</em> of manier-van-bestaan wordt veroorzaakt door een reeks voorafgaande processen en factoren. Het feit dat jij bestaat, is een gevolg van… begin maar terug te redeneren, tot bij het ultieme startschot, de oerknal. In dat terugredeneren arriveer je onvermijdelijk bij het eerste axioma, dat van de <em>substantie</em>. Wat Spinoza als substantie benoemt, kent géén externe oorzaak en wordt door zichzelf verklaard. Vandaar dat de ontstaansgeschiedenis van elke modus uiteindelijk teruggevoerd kan worden naar de substantie, als ultieme oorzaak. Het derde begrip vind ik moeilijker te vatten, behalve in de twee voorbeelden: een <em>attribuut </em>is een manier om de essentie van iets te interpreteren, met als twee voorbeelden uitgebreidheid en denken – de <em>res extensa</em> en de <em>res cogitans</em> van Descartes?</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De cruciale stap in Spinoza’s redenering is de vereenzelviging van substantie en god; in zijn bekendere bewoording: god oftewel de natuur. De substantie is het op zich niet veroorzaakte vertrekpunt van alles, waarna elke modus een gevolg is binnen een ketting aan oorzaken. Dit roept het idee op van de “onbeweegbare beweger” van Aristoteles, als ultieme oorzaak, zij het met een essentieel verschil. Bij Spinoza is de causaliteit inherent aan het geheel, en niet iets wat daarbuiten staat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit onderscheid is fundamenteel en maakt dat Spinoza niet verteerbaar is voor monotheïstische godsdiensten. ‘God’ kan niet langer transcendentaal gedacht worden, als iets of iemand die buiten en boven alles staat (laat staan als een oude man met witte baard); het goddelijke is immanent, inbegrepen in alles. Spinoza redeneert pantheïstisch: god/de natuur – de substantie – omvat en veroorzaakt alles wat er mogelijkerwijs kan bestaan, fysiek en geestelijk (de twee attributen die wij kennen).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Pantheïsme is ouder dan Spinoza, en kostte bijvoorbeeld Giordano Bruno het leven. Spinoza was voorzichtig genoeg om de <em>Ethica</em> pas na zijn dood te laten publiceren. In een apart hoofdstuk bespreekt Brouwer de overeenkomsten met bijvoorbeeld nog oudere oosterse tradities. Toch is Spinoza nieuw, omwille van zijn onverbiddelijke logica en de koppeling aan wetenschap, vandaar de aantrekkelijkheid voor vrijdenkers. In zijn visie is er geen aparte god meer, enkel een immanente causaliteit die van start gaat bij een axiomatisch gegeven dat altijd en overal aan het werk is. Of je dat nu ‘god’ of ‘de natuur’ noemt, maakt niet uit. Zoals Julian Barnes in zijn laatste boek schreef: “It’s the universe doing its stuff”.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mijn nuchtere en ultrakorte samenvatting: de natuurwetten liggen aan de basis van alles. We kunnen causaal terugredeneren tot het ultieme vertrekpunt, maar verder raken we niet, met als gevolg dat we dit causale vertrekpunt wel als axioma moeten aannemen. Ook wij zijn een onderdeel – een modus – van een oorzaak-gevolg ketting, beter nog: netwerk, dat zich oneindig en eeuwig uitstrekt. We zijn dus niet het bedoelde, laat staan het ultieme resultaat van die ketting of dat netwerk. Eens dat besef tot je doordringt, ontstaat er een totaal ander mens- en wereldbeeld. De ooit traditionele opvatting – de aarde is het centrum van het heelal, met de mens als hoogtepunt van de schepping/de evolutie – hebben we al geruime tijd achter ons gelaten. Het bijbehorende mensbeeld – alles draait rond ons, begrijp: rond mij – nauwelijks. In het nieuwe beeld is de aarde een klein onderdeel van de kosmos, elk individu niet meer dan een radertje, met een causaliteit die ons elke illusie van autonomie ontneemt. Alles hangt met alles samen, afhankelijkheid is de regel.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Margot Brouwer</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Sterrenstof zijn wij. Ontzagwekkende inzichten uit de wetenschap die hoop geven.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong><em> </em></strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein meisje heeft grote belangstelling voor de sterrenhemel. Wanneer ze leest dat het heelal naar een eindpunt evolueert, wordt ze angstig. De antwoorden die ze van haar diep religieuze ouders krijgt, volstaan niet. Op haar achttiende gaat ze natuurkunde en kosmologie studeren. Wat ze leert, maakt haar angst alleen maar groter, tot ze Spinoza ontdekt. Eindelijk slaagt ze erin wetenschap en zingeving te verzoenen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit boek is het verslag van haar existentiële zoektocht, maar ook veel meer dan dat. Zo krijg je in het eerste deel een bevattelijk geschreven geschiedenis over onze blik op het heelal en onszelf. Kort samengevat: de kosmos is groter dan we dachten en ons belang kleiner dan we droomden. We weten er steeds meer over, met als resultaat nieuwe vragen en andere problemen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Studie van de kosmos berust op twee verschillende methodes. Intuïtief voelt de neo-aristotelische aan als de juiste: empirische studies in combinatie met wiskunde. Lijnrecht daartegenover staat de neoplatoonse: onze werkelijkheid is slechts één mogelijke verschijningsvorm van eeuwige wiskundige vormen en wetten die oneindig veel verschillende werelden gestalte kunnen geven. Beide methodes hebben hun eigen overtuigingskracht en bieden andere perspectieven. Brouwer leunt naar het neoplatonisme – de formules zijn overtuigend –  verder in het boek besteedt ze dan ook veel aandacht aan het multiversum, het bestaan van parallelle werelden. De uitleg daarvoor bespaar ik je, deels omdat ik het maar half begrijp, deels omdat het woord ‘als’ veel te vaak voorkomt in de onderliggende redeneringen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Feit is dat ons universum en zijn ontstaansgeschiedenis behoorlijk complex zijn, met aan de basis zowel determinatie (de natuurwetten) als toeval (kwantummechanica). Hoe dat te rijmen valt met zingeving, is de grote uitdaging. Brouwer vond het antwoord bij Spinoza’s belangrijkste werk: <em>Ethiek volgens de meetkundige methode gedemonstreerd</em>. Haar lezing van deze klassieker vormt het tweede deel van het boek, en levert de ruggengraat van haar denken.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><em>“Spinoza: mijn redder in existentiële nood”</em></h4>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Spinoza lezen is niet eenvoudig. Hij bouwt zijn redeneringen logisch-mathematisch op en vertrekt bijgevolg bij axioma’s en definities. Welke niet-bewijsbare basisstellingen hebben we nodig? Hoe definiëren we de kernbegrippen waarover we helderheid willen krijgen? Mochten we deze aanpak standaard hanteren bij elke discussie, dan zou het aantal misverstanden behoorlijk dalen. Met een eerste axioma stelt Spinoza dat alles een oorzaak heeft: causaliteit. Het tweede axioma gaat ervan uit dat de wereld logisch-mathematisch in elkaar zit: rationalisme. De combinatie van de twee laat hem vervolgens toe de wereld te begrijpen, waarbij hij vooreerst nog drie cruciale definities naar voren schuift: substantie, modus en attribuut.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Elke <em>modus</em> of manier-van-bestaan wordt veroorzaakt door een reeks voorafgaande processen en factoren. Het feit dat jij bestaat, is een gevolg van… begin maar terug te redeneren, tot bij het ultieme startschot, de oerknal. In dat terugredeneren arriveer je onvermijdelijk bij het eerste axioma, dat van de <em>substantie</em>. Wat Spinoza als substantie benoemt, kent géén externe oorzaak en wordt door zichzelf verklaard. Vandaar dat de ontstaansgeschiedenis van elke modus uiteindelijk teruggevoerd kan worden naar de substantie, als ultieme oorzaak. Het derde begrip vind ik moeilijker te vatten, behalve in de twee voorbeelden: een <em>attribuut </em>is een manier om de essentie van iets te interpreteren, met als twee voorbeelden uitgebreidheid en denken – de <em>res extensa</em> en de <em>res cogitans</em> van Descartes?</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De cruciale stap in Spinoza’s redenering is de vereenzelviging van substantie en god; in zijn bekendere bewoording: god oftewel de natuur. De substantie is het op zich niet veroorzaakte vertrekpunt van alles, waarna elke modus een gevolg is binnen een ketting aan oorzaken. Dit roept het idee op van de “onbeweegbare beweger” van Aristoteles, als ultieme oorzaak, zij het met een essentieel verschil. Bij Spinoza is de causaliteit inherent aan het geheel, en niet iets wat daarbuiten staat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dit onderscheid is fundamenteel en maakt dat Spinoza niet verteerbaar is voor monotheïstische godsdiensten. ‘God’ kan niet langer transcendentaal gedacht worden, als iets of iemand die buiten en boven alles staat (laat staan als een oude man met witte baard); het goddelijke is immanent, inbegrepen in alles. Spinoza redeneert pantheïstisch: god/de natuur – de substantie – omvat en veroorzaakt alles wat er mogelijkerwijs kan bestaan, fysiek en geestelijk (de twee attributen die wij kennen).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Pantheïsme is ouder dan Spinoza, en kostte bijvoorbeeld Giordano Bruno het leven. Spinoza was voorzichtig genoeg om de <em>Ethica</em> pas na zijn dood te laten publiceren. In een apart hoofdstuk bespreekt Brouwer de overeenkomsten met bijvoorbeeld nog oudere oosterse tradities. Toch is Spinoza nieuw, omwille van zijn onverbiddelijke logica en de koppeling aan wetenschap, vandaar de aantrekkelijkheid voor vrijdenkers. In zijn visie is er geen aparte god meer, enkel een immanente causaliteit die van start gaat bij een axiomatisch gegeven dat altijd en overal aan het werk is. Of je dat nu ‘god’ of ‘de natuur’ noemt, maakt niet uit. Zoals Julian Barnes in zijn laatste boek schreef: “It’s the universe doing its stuff”.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mijn nuchtere en ultrakorte samenvatting: de natuurwetten liggen aan de basis van alles. We kunnen causaal terugredeneren tot het ultieme vertrekpunt, maar verder raken we niet, met als gevolg dat we dit causale vertrekpunt wel als axioma moeten aannemen. Ook wij zijn een onderdeel – een modus – van een oorzaak-gevolg ketting, beter nog: netwerk, dat zich oneindig en eeuwig uitstrekt. We zijn dus niet het bedoelde, laat staan het ultieme resultaat van die ketting of dat netwerk. Eens dat besef tot je doordringt, ontstaat er een totaal ander mens- en wereldbeeld. De ooit traditionele opvatting – de aarde is het centrum van het heelal, met de mens als hoogtepunt van de schepping/de evolutie – hebben we al geruime tijd achter ons gelaten. Het bijbehorende mensbeeld – alles draait rond ons, begrijp: rond mij – nauwelijks. In het nieuwe beeld is de aarde een klein onderdeel van de kosmos, elk individu niet meer dan een radertje, met een causaliteit die ons elke illusie van autonomie ontneemt. Alles hangt met alles samen, afhankelijkheid is de regel.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/margot-brouwer/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Siddharta Mukherjee</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=siddharta-mukherjee</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 27 May 2026 04:26:08 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4160</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Siddharta Mukherjee </strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>De keizer aller ziektes. Een biografie van kanker.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschappelijk onderzoek is uitermate complex, met toepassingen die steeds gesofistikeerder en krachtiger worden. Dit is overduidelijk in de evolutie van de geneeskunde in het algemeen en in onze kennis over en behandeling van kanker in het bijzonder. De geschiedenis daarvan op een begrijpelijke manier uiteenzetten is navenant moeilijk. Dergelijke boeken  worden meestal door wetenschapsjournalisten geschreven, wat een leesbare maar vaak vulgariserende tekst oplevert. Wetenschappers kennen de materie beter, maar hebben dan weer moeite om los te komen van hun jargon. Bij clinici vind je vooral patiëntenverhalen – boeiend, maar steevast selectief.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Siddhartha Mukherjee is een zeldzame figuur: én onderzoeker, én clinicus en begenadigd schrijver. Hij werd geboren in India, studeerde geneeskunde in Delhi, vervolgde zijn opleiding in Oxford en Harvard, en werkt vandaag als oncoloog en onderzoeker in de Verenigde Staten (Columbia University). Die internationale achtergrond maakt dat hij niet vanuit één medisch systeem of traditie schrijft, maar vanuit een perspectief waarin wetenschap, cultuur en geschiedenis voortdurend met elkaar in gesprek gaan. En om het helemaal mooi te maken: blijkbaar leest hij ook de ‘gewone’ literatuur, met als aangenaam resultaat her en der verwijzingen naar literaire klassiekers.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong>Van brute ingrepen naar gerichte behandelingen</strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De oorspronkelijke editie van het boek dateert van 2010, in de heruitgave vind je vier nieuwe hoofdstukken die de evolutie van de kennis en de toepassingen tot vandaag bespreken. Het contrast met vroegere behandelingen wordt daardoor nog veel groter dan in de eerdere versie: van brute kracht en beperkte inzichten naar specifieke behandelingen en een steeds complexere wetenschap.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Die brute kracht is overduidelijk bij de eerste, voornamelijk chirurgische aanpak. Ruwweg van het einde van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste beschouwde men kanker als een lokale ziekte, met snijden als voor de hand liggende  oplossing, liefst zo breed en diep als maar kon. De radicale operaties van William Halsted, uitgevoerd in het Johns Hopkins Hospital in Baltimore vanaf de jaren 1880 tot circa 1920, doen huiveren. Borstkanker werd behandeld met uitgebreide amputaties waarbij niet alleen de tumor, maar ook omliggende spieren en lymfeklieren werden verwijderd. Het idee was eenvoudig: hoe meer je weghaalt, hoe groter de kans op genezing. De gevolgen waren lichamelijke verminking en onnoemelijk leed, vaak zonder dat de ziekte daadwerkelijk onder controle kwam.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarna kwam de bestraling, vanaf het begin van de twintigste eeuw, wat een eerste stap betekende weg van het louter mechanische denken. Met de ontdekking van röntgenstralen (1895) en radioactiviteit ontstond de hoop dat men tumoren kon vernietigen zonder het lichaam open te snijden. Ook hier gold aanvankelijk “meer is beter”: hogere doses, grotere lichaamszones. Hoewel bestraling in bepaalde gevallen effectiever was dan chirurgie, bleef ze gepaard gaan met zware neveneffecten – bovendien zijn röntgenstralen zelf kankerverwekkend.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf 1940 kwam de chemotherapie die kanker als een systemische ziekte benaderde. In plaats van lokaal ingrijpen, probeerde men kankercellen in het hele lichaam te vernietigen. De eerste chemotherapeutica – deels ontstaan uit onderzoek naar mosterdgassen tijdens de Tweede Wereldoorlog – waren weinig selectief. Ze vielen alle snel delende cellen aan, wat tot de bekende bijwerkingen leidde (haarverlies, misselijkheid, aantasting van het beenmerg). Toch betekende deze stap een doorbraak, vooral bij bepaalde vormen van leukemie en lymfeklierkanker.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als lezer kan je niet anders dan huiveren bij de geschiedenis van de opeenvolgende ‘beste’ behandelingen  – genezing was zeldzaam, een langere levensduur ging gepaard met onnoemelijk leed. Wat Mukherjee overtuigend laat zien, is de verschuiving naar steeds specifiekere interventies. Met de ontdekking van oncogenen en tumoronderdrukkende genen verandert het perspectief fundamenteel pakweg vanaf 1970: kanker wordt een ziekte van het DNA. Dat inzicht opent de weg naar gerichte therapieën, die inspelen op specifieke moleculaire afwijkingen in kankercellen. In plaats van alles te vernietigen wat snel groeit, probeert de oncologie precies datgene te blokkeren wat de tumor aandrijft. De impact op patiënten is aanzienlijk. Niet alleen stijgt hun overlevingskans, hun levenskwaliteit wordt stukken beter. De problemen zijn er nog – resistentie, bijwerkingen en zeker in de Angelsaksische wereld de onbetaalbaarheid voor een groot deel van de bevolking. In België en Nederland beseffen wij nauwelijks in wat voor luxe wij op dat vlak leven – behandelingen die elders in de wereld onbetaalbaar zijn, krijg je hier nagenoeg gratis.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong><strong>Spectaculaire vooruitgang</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De heruitgave met vier nieuwe hoofdstukken brengt het verhaal tot in het heden, en dat is nodig, want sinds 2010 hebben zich opnieuw een aantal ontwikkelingen voorgedaan die het veld ingrijpend hebben veranderd.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De meest in het oog springende is de opkomst van de immunotherapie. In plaats van de tumor rechtstreeks aan te vallen, richt deze aanpak zich op het immuunsysteem. Door zogenaamde checkpointremmers te gebruiken wordt de natuurlijke afweer opnieuw geactiveerd. Voor sommige patiënten – vooral bij melanoom en bepaalde longkankers – heeft dit geleid tot langdurige remissies die vroeger ondenkbaar waren.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mukherjee beschrijft het type patiënt dat tot voor kort symbool stond voor de grenzen van de oncologie: een vijftiger met uitgezaaid melanoom, met een prognose die in maanden gemeten werd. Chemotherapie bood nauwelijks effect. De nieuwste behandelingen doen de tumoren krimpen en zelfs verdwijnen. De patiënt is niet genezen in de klassieke zin, maar komt in een toestand die vroeger eenvoudigweg niet bestond: langdurige controle door het eigen immuunsysteem.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarnaast is er de verdere uitbouw van de precisiegeneeskunde. Door genetische analyse van tumoren kan men behandelingen steeds beter afstemmen op de individuele patiënt. Dit leidt tot gerichte therapieën die zowel effectiever als minder toxisch zijn dan klassieke chemotherapie. Tegelijk toont Mukherjee de beperkingen: tumoren zijn heterogeen en evolueren, waardoor resistentie een terugkerend probleem blijft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze evolutie komt er een andere blik op de patiënt. Hij is niet langer de zoveelste anonieme drager van een bepaalde kanker, wel iemand met een specifiek moleculair profiel. Een niet-roker van middelbare leeftijd krijgt de diagnose longkanker – op zich al een afwijking van het klassieke patroon. Analyse van de tumor toont een bepaalde mutatie. In plaats van een zware chemokuur krijgt hij een tablet, dagelijks in te nemen.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Siddharta Mukherjee </strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>De keizer aller ziektes. Een biografie van kanker.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschappelijk onderzoek is uitermate complex, met toepassingen die steeds gesofistikeerder en krachtiger worden. Dit is overduidelijk in de evolutie van de geneeskunde in het algemeen en in onze kennis over en behandeling van kanker in het bijzonder. De geschiedenis daarvan op een begrijpelijke manier uiteenzetten is navenant moeilijk. Dergelijke boeken  worden meestal door wetenschapsjournalisten geschreven, wat een leesbare maar vaak vulgariserende tekst oplevert. Wetenschappers kennen de materie beter, maar hebben dan weer moeite om los te komen van hun jargon. Bij clinici vind je vooral patiëntenverhalen – boeiend, maar steevast selectief.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Siddhartha Mukherjee is een zeldzame figuur: én onderzoeker, én clinicus en begenadigd schrijver. Hij werd geboren in India, studeerde geneeskunde in Delhi, vervolgde zijn opleiding in Oxford en Harvard, en werkt vandaag als oncoloog en onderzoeker in de Verenigde Staten (Columbia University). Die internationale achtergrond maakt dat hij niet vanuit één medisch systeem of traditie schrijft, maar vanuit een perspectief waarin wetenschap, cultuur en geschiedenis voortdurend met elkaar in gesprek gaan. En om het helemaal mooi te maken: blijkbaar leest hij ook de ‘gewone’ literatuur, met als aangenaam resultaat her en der verwijzingen naar literaire klassiekers.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong>Van brute ingrepen naar gerichte behandelingen</strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De oorspronkelijke editie van het boek dateert van 2010, in de heruitgave vind je vier nieuwe hoofdstukken die de evolutie van de kennis en de toepassingen tot vandaag bespreken. Het contrast met vroegere behandelingen wordt daardoor nog veel groter dan in de eerdere versie: van brute kracht en beperkte inzichten naar specifieke behandelingen en een steeds complexere wetenschap.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Die brute kracht is overduidelijk bij de eerste, voornamelijk chirurgische aanpak. Ruwweg van het einde van de negentiende eeuw tot het begin van de twintigste beschouwde men kanker als een lokale ziekte, met snijden als voor de hand liggende  oplossing, liefst zo breed en diep als maar kon. De radicale operaties van William Halsted, uitgevoerd in het Johns Hopkins Hospital in Baltimore vanaf de jaren 1880 tot circa 1920, doen huiveren. Borstkanker werd behandeld met uitgebreide amputaties waarbij niet alleen de tumor, maar ook omliggende spieren en lymfeklieren werden verwijderd. Het idee was eenvoudig: hoe meer je weghaalt, hoe groter de kans op genezing. De gevolgen waren lichamelijke verminking en onnoemelijk leed, vaak zonder dat de ziekte daadwerkelijk onder controle kwam.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarna kwam de bestraling, vanaf het begin van de twintigste eeuw, wat een eerste stap betekende weg van het louter mechanische denken. Met de ontdekking van röntgenstralen (1895) en radioactiviteit ontstond de hoop dat men tumoren kon vernietigen zonder het lichaam open te snijden. Ook hier gold aanvankelijk “meer is beter”: hogere doses, grotere lichaamszones. Hoewel bestraling in bepaalde gevallen effectiever was dan chirurgie, bleef ze gepaard gaan met zware neveneffecten – bovendien zijn röntgenstralen zelf kankerverwekkend.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf 1940 kwam de chemotherapie die kanker als een systemische ziekte benaderde. In plaats van lokaal ingrijpen, probeerde men kankercellen in het hele lichaam te vernietigen. De eerste chemotherapeutica – deels ontstaan uit onderzoek naar mosterdgassen tijdens de Tweede Wereldoorlog – waren weinig selectief. Ze vielen alle snel delende cellen aan, wat tot de bekende bijwerkingen leidde (haarverlies, misselijkheid, aantasting van het beenmerg). Toch betekende deze stap een doorbraak, vooral bij bepaalde vormen van leukemie en lymfeklierkanker.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Als lezer kan je niet anders dan huiveren bij de geschiedenis van de opeenvolgende ‘beste’ behandelingen  – genezing was zeldzaam, een langere levensduur ging gepaard met onnoemelijk leed. Wat Mukherjee overtuigend laat zien, is de verschuiving naar steeds specifiekere interventies. Met de ontdekking van oncogenen en tumoronderdrukkende genen verandert het perspectief fundamenteel pakweg vanaf 1970: kanker wordt een ziekte van het DNA. Dat inzicht opent de weg naar gerichte therapieën, die inspelen op specifieke moleculaire afwijkingen in kankercellen. In plaats van alles te vernietigen wat snel groeit, probeert de oncologie precies datgene te blokkeren wat de tumor aandrijft. De impact op patiënten is aanzienlijk. Niet alleen stijgt hun overlevingskans, hun levenskwaliteit wordt stukken beter. De problemen zijn er nog – resistentie, bijwerkingen en zeker in de Angelsaksische wereld de onbetaalbaarheid voor een groot deel van de bevolking. In België en Nederland beseffen wij nauwelijks in wat voor luxe wij op dat vlak leven – behandelingen die elders in de wereld onbetaalbaar zijn, krijg je hier nagenoeg gratis.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong><strong>Spectaculaire vooruitgang</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">De heruitgave met vier nieuwe hoofdstukken brengt het verhaal tot in het heden, en dat is nodig, want sinds 2010 hebben zich opnieuw een aantal ontwikkelingen voorgedaan die het veld ingrijpend hebben veranderd.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De meest in het oog springende is de opkomst van de immunotherapie. In plaats van de tumor rechtstreeks aan te vallen, richt deze aanpak zich op het immuunsysteem. Door zogenaamde checkpointremmers te gebruiken wordt de natuurlijke afweer opnieuw geactiveerd. Voor sommige patiënten – vooral bij melanoom en bepaalde longkankers – heeft dit geleid tot langdurige remissies die vroeger ondenkbaar waren.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Mukherjee beschrijft het type patiënt dat tot voor kort symbool stond voor de grenzen van de oncologie: een vijftiger met uitgezaaid melanoom, met een prognose die in maanden gemeten werd. Chemotherapie bood nauwelijks effect. De nieuwste behandelingen doen de tumoren krimpen en zelfs verdwijnen. De patiënt is niet genezen in de klassieke zin, maar komt in een toestand die vroeger eenvoudigweg niet bestond: langdurige controle door het eigen immuunsysteem.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarnaast is er de verdere uitbouw van de precisiegeneeskunde. Door genetische analyse van tumoren kan men behandelingen steeds beter afstemmen op de individuele patiënt. Dit leidt tot gerichte therapieën die zowel effectiever als minder toxisch zijn dan klassieke chemotherapie. Tegelijk toont Mukherjee de beperkingen: tumoren zijn heterogeen en evolueren, waardoor resistentie een terugkerend probleem blijft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze evolutie komt er een andere blik op de patiënt. Hij is niet langer de zoveelste anonieme drager van een bepaalde kanker, wel iemand met een specifiek moleculair profiel. Een niet-roker van middelbare leeftijd krijgt de diagnose longkanker – op zich al een afwijking van het klassieke patroon. Analyse van de tumor toont een bepaalde mutatie. In plaats van een zware chemokuur krijgt hij een tablet, dagelijks in te nemen.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/siddharta-mukherjee/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>D.W. Winnicott</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=d-w-winnicott</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 13 May 2026 04:48:18 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4149</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>D.W. Winnicott</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kind, gezin en buitenwereld.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Hoe luidt het cliché ook alweer? Fransen zijn warrige intellectuelen met een voorkeur voor moeilijke woorden en lange zinnen die je drie keer moet lezen met een potlood in de hand; Duitsers bouwen systemen en structuren waarin ze vervolgens zelf verloren lopen; Britten doen gewoon voort. Veralgemeningen zijn altijd te veralgemenend, maar de Duitse psychiater Emil Kraepelin, de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan en de Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald W. Winnicott passen alvast in het plaatje. Systemen verouderen snel, intellectuele diepgang is een langer leven beschoren, pragmatiek is van alle tijden.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Psychoanalyse</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Psychoanalyse heeft een reputatie die haar zelden helpt: ingewikkelde theorieën, een zwaar jargon en eindeloze gevechten tussen en binnen verschillende scholen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Tegen die achtergrond is het werk van Donald W. Winnicott (1896–1971) een opmerkelijke uitzondering: minder theorie, meer observatie; minder dogma, meer ‘keep calm and carry on’. Belangrijk om weten is dat hij van opleiding geen psychiater maar een kinderarts was, die al snel zijn aandacht verlegde naar de interactie tussen moeder en kind en het belang van de omgeving heel sterk in rekening bracht.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze uitbreiding veroorzaakte hij een paradigmaverschuiving in het psychoanalytische denken: van een exclusief accent op het onbewuste en de driften naar de bestudering van de interactie met de omgeving en de impact daarvan op de ontwikkeling van het kind. Dat hij bovendien als pediater hoofdzakelijk normale kinderen in zijn praktijk zag, vaak met overbezorgde moeders, hielp ook. Winnicott is dé psychoanalyticus van de opvoeding.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>The Child, the Family, and the Outside World</em> verscheen oorspronkelijk in 1964 en werd in 2021 opnieuw uitgebracht in de befaamde ‘Penguin Classics’-reeks. Zestig jaar na datum bevestigde die heruitgave hoe sterk Winnicotts reputatie is blijven groeien. Nog altijd geldt hij als een van de meest invloedrijke denkers over de vroege ontwikkeling van het kind en over de rol van de omgeving daarin. Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap. De vertaling <em>Kind, gezin en buitenwereld</em> maakt een klassieker uit de twintigste-eeuwse kinderpsychologie toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een revolutie door de eenvoud</em></h3>
<p style="font-weight: 400;">Het boek is opgebouwd uit drie delen: moeder en kind, het gezin, de buitenwereld. Winnicott volgt de baby vanaf de eerste weken na de geboorte tot het moment waarop het zijn plaats in de sociale wereld begint te vinden. Hij beschrijft situaties die elke ouder herkent: een kind dat niet wil slapen, een peuter die plotseling agressief wordt, een kleuter die een lievelingsknuffel niet kan missen. Die alledaagse voorbeelden vormen de basis voor bredere psychologische inzichten.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat Winnicott onderscheidt van zijn collega’s is zijn bijna radicale eenvoud en alledaagse taalgebruik. Veel teksten uit het boek zijn gebaseerd op wat we vandaag de dag podcasts zouden noemen – hij gaf vijftig uiteenzettingen op de BBC-radio over opvoeding waarbij hij zich rechtstreeks tot moeders richtte. Zijn uitgangspunt kan samengevat worden in een van zijn bekendste stellingen: er bestaat eigenlijk geen baby, alleen een baby-met-moeder. Met andere woorden: de ontwikkeling van een kind kan niet begrepen worden zonder de relatie met degene die voor het kind zorgt.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert alvast een eerste begrip op dat eigenlijk geen echt begrip is, maar iets wat je zo voor je kunt zien: een <em>holding environment</em>, een ouder die een baby vasthoudt, voedt en geruststelt, als basis voor een omgeving waarin het kind zich veilig genoeg voelt om een zelfbeeld te ontwikkelen. Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert een tweede begrip op – ook alweer geen echt begrip – dat in onze tijden van overbezorgde ouders zo mogelijk nog belangrijker is: de <em>good enough mother</em>. In plaats van een ideale perfecte opvoeding te schetsen, benadrukte Winnicott dat ouders simpelweg goed genoeg moeten zijn. In de beginperiode houdt dit in dat zij zich nagenoeg volledig moeten afstemmen op de behoeften van de baby – wat Winnicott ‘primaire moederlijke betrokkenheid’ noemt – maar daarna mogen, ja, moeten ze stap voor stap ‘fouten’ maken. Door die geleidelijke teleurstellingen en de bijbehorende frustraties leert het kind dat de wereld niet volledig naar zijn wensen gevormd is en ontwikkelt het een realistischer verhouding tot de werkelijkheid. Het geniale van deze gedachte is dat ze ouders tegelijk geruststelt en toch verantwoordelijk maakt. Perfectie is niet nodig, maar een betrouwbare, liefdevolle aanwezigheid wel. Winnicott verdedigde hiermee expliciet het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een derde belangrijk begrip is het <em>transitional object</em>: een knuffelbeest of ander object dat voor het jonge kind een bijzondere betekenis krijgt (het nam zelfs iconische proporties aan dankzij striptekenaar Schulz, die peuter Linus in de Peanuts-reeks steevast met zijn dekentje laat rondzeulen). Vandaag kijkt men daar vooral vertederd naar en vergeet men ondertussen de o zo belangrijke functie ervan. Het is de eerste stap naar het ultieme doel van de opvoeding: dat onze kinderen ons kunnen achterlaten en hun eigen plaats in de buitenwereld veroveren. Het transitioneel object is een ding in de tussenruimte, tussen ouders en peuter, dat helpt om de stap te zetten van volledige afhankelijkheid naar een eigen innerlijke wereld. Opvallend en typisch voor zijn stijl is dat Winnicott in dit boek het begrip zelf niet eens gebruikt, terwijl hij wel de uitleg geeft en het accent legt op de uitbreiding ervan: het spel, nog zo’n centraal thema in zijn denken.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Al spelend ontdekt het kind een overgangsgebied tussen innerlijke fantasie en externe werkelijkheid. Voor Winnicott reikt dit overgangsgebied veel verder dan de kindertijd. Kunst, religie en cultuur bevinden zich volgens hem in dezelfde ruimte tussen fantasie en werkelijkheid. Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, wel een basisvorm van menselijke creativiteit.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een subtiele moraal</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Wat Winnicotts werk zo belangrijk maakt, is dat zijn psychoanalytische visie tegelijk een subtiele moraal bevat. Niet in de vorm van regels of voorschriften, maar in de vorm van een houding tegenover het kind.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>D.W. Winnicott</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Kind, gezin en buitenwereld.</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Hoe luidt het cliché ook alweer? Fransen zijn warrige intellectuelen met een voorkeur voor moeilijke woorden en lange zinnen die je drie keer moet lezen met een potlood in de hand; Duitsers bouwen systemen en structuren waarin ze vervolgens zelf verloren lopen; Britten doen gewoon voort. Veralgemeningen zijn altijd te veralgemenend, maar de Duitse psychiater Emil Kraepelin, de Franse psychoanalyticus Jacques Lacan en de Britse kinderarts en psychoanalyticus Donald W. Winnicott passen alvast in het plaatje. Systemen verouderen snel, intellectuele diepgang is een langer leven beschoren, pragmatiek is van alle tijden.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Psychoanalyse</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Psychoanalyse heeft een reputatie die haar zelden helpt: ingewikkelde theorieën, een zwaar jargon en eindeloze gevechten tussen en binnen verschillende scholen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Tegen die achtergrond is het werk van Donald W. Winnicott (1896–1971) een opmerkelijke uitzondering: minder theorie, meer observatie; minder dogma, meer ‘keep calm and carry on’. Belangrijk om weten is dat hij van opleiding geen psychiater maar een kinderarts was, die al snel zijn aandacht verlegde naar de interactie tussen moeder en kind en het belang van de omgeving heel sterk in rekening bracht.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Met deze uitbreiding veroorzaakte hij een paradigmaverschuiving in het psychoanalytische denken: van een exclusief accent op het onbewuste en de driften naar de bestudering van de interactie met de omgeving en de impact daarvan op de ontwikkeling van het kind. Dat hij bovendien als pediater hoofdzakelijk normale kinderen in zijn praktijk zag, vaak met overbezorgde moeders, hielp ook. Winnicott is dé psychoanalyticus van de opvoeding.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><em>The Child, the Family, and the Outside World</em> verscheen oorspronkelijk in 1964 en werd in 2021 opnieuw uitgebracht in de befaamde ‘Penguin Classics’-reeks. Zestig jaar na datum bevestigde die heruitgave hoe sterk Winnicotts reputatie is blijven groeien. Nog altijd geldt hij als een van de meest invloedrijke denkers over de vroege ontwikkeling van het kind en over de rol van de omgeving daarin. Het boek is tegelijk een historische tekst en een verrassend actuele gids voor ouderschap. De vertaling <em>Kind, gezin en buitenwereld</em> maakt een klassieker uit de twintigste-eeuwse kinderpsychologie toegankelijk voor de Nederlandstalige lezer.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een revolutie door de eenvoud</em></h3>
<p style="font-weight: 400;">Het boek is opgebouwd uit drie delen: moeder en kind, het gezin, de buitenwereld. Winnicott volgt de baby vanaf de eerste weken na de geboorte tot het moment waarop het zijn plaats in de sociale wereld begint te vinden. Hij beschrijft situaties die elke ouder herkent: een kind dat niet wil slapen, een peuter die plotseling agressief wordt, een kleuter die een lievelingsknuffel niet kan missen. Die alledaagse voorbeelden vormen de basis voor bredere psychologische inzichten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat Winnicott onderscheidt van zijn collega’s is zijn bijna radicale eenvoud en alledaagse taalgebruik. Veel teksten uit het boek zijn gebaseerd op wat we vandaag de dag podcasts zouden noemen – hij gaf vijftig uiteenzettingen op de BBC-radio over opvoeding waarbij hij zich rechtstreeks tot moeders richtte. Zijn uitgangspunt kan samengevat worden in een van zijn bekendste stellingen: er bestaat eigenlijk geen baby, alleen een baby-met-moeder. Met andere woorden: de ontwikkeling van een kind kan niet begrepen worden zonder de relatie met degene die voor het kind zorgt.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert alvast een eerste begrip op dat eigenlijk geen echt begrip is, maar iets wat je zo voor je kunt zien: een <em>holding environment</em>, een ouder die een baby vasthoudt, voedt en geruststelt, als basis voor een omgeving waarin het kind zich veilig genoeg voelt om een zelfbeeld te ontwikkelen. Een peuter groeit niet zomaar uit tot een autonoom individu, dat kan slechts dankzij een omgeving die het kind eerst volledig ondersteunt en geleidelijk meer zelfstandigheid toelaat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat levert een tweede begrip op – ook alweer geen echt begrip – dat in onze tijden van overbezorgde ouders zo mogelijk nog belangrijker is: de <em>good enough mother</em>. In plaats van een ideale perfecte opvoeding te schetsen, benadrukte Winnicott dat ouders simpelweg goed genoeg moeten zijn. In de beginperiode houdt dit in dat zij zich nagenoeg volledig moeten afstemmen op de behoeften van de baby – wat Winnicott ‘primaire moederlijke betrokkenheid’ noemt – maar daarna mogen, ja, moeten ze stap voor stap ‘fouten’ maken. Door die geleidelijke teleurstellingen en de bijbehorende frustraties leert het kind dat de wereld niet volledig naar zijn wensen gevormd is en ontwikkelt het een realistischer verhouding tot de werkelijkheid. Het geniale van deze gedachte is dat ze ouders tegelijk geruststelt en toch verantwoordelijk maakt. Perfectie is niet nodig, maar een betrouwbare, liefdevolle aanwezigheid wel. Winnicott verdedigde hiermee expliciet het vertrouwen in het gewone ouderschap tegen de toenemende invloed van deskundigen die gezinnen wilden vertellen hoe ze moesten opvoeden.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een derde belangrijk begrip is het <em>transitional object</em>: een knuffelbeest of ander object dat voor het jonge kind een bijzondere betekenis krijgt (het nam zelfs iconische proporties aan dankzij striptekenaar Schulz, die peuter Linus in de Peanuts-reeks steevast met zijn dekentje laat rondzeulen). Vandaag kijkt men daar vooral vertederd naar en vergeet men ondertussen de o zo belangrijke functie ervan. Het is de eerste stap naar het ultieme doel van de opvoeding: dat onze kinderen ons kunnen achterlaten en hun eigen plaats in de buitenwereld veroveren. Het transitioneel object is een ding in de tussenruimte, tussen ouders en peuter, dat helpt om de stap te zetten van volledige afhankelijkheid naar een eigen innerlijke wereld. Opvallend en typisch voor zijn stijl is dat Winnicott in dit boek het begrip zelf niet eens gebruikt, terwijl hij wel de uitleg geeft en het accent legt op de uitbreiding ervan: het spel, nog zo’n centraal thema in zijn denken.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Al spelend ontdekt het kind een overgangsgebied tussen innerlijke fantasie en externe werkelijkheid. Voor Winnicott reikt dit overgangsgebied veel verder dan de kindertijd. Kunst, religie en cultuur bevinden zich volgens hem in dezelfde ruimte tussen fantasie en werkelijkheid. Spelen is niet alleen een activiteit van kinderen, wel een basisvorm van menselijke creativiteit.</p>
<h3 style="font-weight: 400;"><em>Een subtiele moraal</em></h3>
<p style="font-weight: 400;"><em> </em>Wat Winnicotts werk zo belangrijk maakt, is dat zijn psychoanalytische visie tegelijk een subtiele moraal bevat. Niet in de vorm van regels of voorschriften, maar in de vorm van een houding tegenover het kind.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/d-w-winnicott/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Seizoensdenker</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/seizoensdenker/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=seizoensdenker</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Sat, 09 May 2026 05:04:34 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4143</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Seizoensdenker</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf september heb ik de eer de ‘seizoensdenker’ te zijn voor het komende seizoen van het concertgebouw in Brugge. In dit<a href="https://www.youtube.com/watch?v=tFxT3C0tK2Y&#38;t=1s"> filmpje</a> licht ik mijn vier bijdragen toe. De toelichting vind je <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/seizoensdenker-paul-verhaeghe">hier</a>  en het programma van <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/onze-seizoensbrochure-is-er">het volledige seizoen</a> staat online.</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Seizoensdenker</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Vanaf september heb ik de eer de ‘seizoensdenker’ te zijn voor het komende seizoen van het concertgebouw in Brugge. In dit<a href="https://www.youtube.com/watch?v=tFxT3C0tK2Y&amp;t=1s"> filmpje</a> licht ik mijn vier bijdragen toe. De toelichting vind je <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/seizoensdenker-paul-verhaeghe">hier</a>  en het programma van <a href="https://www.concertgebouw.be/nl/onze-seizoensbrochure-is-er">het volledige seizoen</a> staat online.</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Kristien Hens</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/kristien-hens/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=kristien-hens</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 29 Apr 2026 05:08:15 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4133</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Kristien Hens</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Denken met microben</em></strong></h2>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein boekje over de kleinste wezens dat je na de lectuur met een ander zelf- en wereldbeeld achterlaat, mooi toch? Kristien Hens, hoogleraar bio-ethiek speelt dat klaar in een essay van nauwelijks zeventig pagina’s, geschreven in een onderhoudende, zelfs speelse toon (het kind dat ze ooit was, kijkend door de microscoop van haar mama, is nog altijd springlevend).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschap, hoe exact en genuanceerd ook, komt tot ons langs standaardverhalen waarmee we naar de wereld kijken. Denken doen we nauwelijks, na-denken des te meer. Tot voor kort leverde het neodarwinisme – evolutie berust op competitie, meritocratie is au fond een biologisch gegeven – de verklaring voor zo ongeveer alles, met als gevolg dat we er onze maatschappij op afstemden (‘the war for talent’) en onze identiteit aan afmaten (van alfa males tot losers).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een dominant verhaal verklaart gedrag en kenmerken en suggereert dat dit gedrag en die kenmerken ‘natuurlijk’ zijn, met als impliciete boodschap dat ze ook ‘normaal’ zijn. Dit is een klassieke redeneerfout, met zware gevolgen waar we ons nauwelijks van bewust zijn. De overtuiging dat onze op wetenschap gebaseerde blik neutraal is, klopt voor geen meter. Een wetenschappelijke revolutie is net revolutionair omdat ze een andere blik toelaat, wat na verloop van tijd een ander standaardverhaal oplevert. De huidige revolutie en het op komst zijnde nieuwe verhaal corrigeren de overtuigingen van het vorige op vlak van identiteit, autonomie en onze plaats in het groter geheel. Correctie houdt niet dat het vorige verhaal fout was, wel selectief en beperkt, waardoor we blind waren en grotendeels nog steeds zijn voor alles wat niet in het vorige plaatje past.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vandaag de dag bevinden we ons in een overgangsperiode naar een nieuw wetenschappelijk paradigma. Tijdens een dergelijke overgang wordt er iets duidelijk dat we na verloop van tijd opnieuw vergeten: dat elk verhaal over de wereld morele implicaties met zich meebrengt. Een vanzelfsprekende kennis heeft volautomatische keuzes tot gevolg; nieuwe kennis verplicht ons om andere keuzes te maken, en maakt ons ervan bewust dat wij altijd al keuzes gemaakt hébben en bijgevolg verantwoordelijk zijn voor de gevolgen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">‘Nieuw’ is relatief, de kerngedachte is ouder: alles hangt met alles samen. Dankzij onderzoek in verschillende takken van de wetenschap begint dit idee stilletjes aan door te dringen in ons denken en zal het straks ook onze keuzes gaan bepalen. De wereld is geen piramidale ordening van afzonderlijke organismen die naast, boven en tegen elkaar aan het werk zijn. Nee, de natuur bestaat uit onderlinge verhoudingen en krachtenvelden; individuele organismen bestaan niet, elk ding is een voorlopig product van die verhoudingen waarin zowel samenwerking als competitie een rol spelen. Autonomie is een illusie, en bovendien nog een gevaarlijke ook, zeker in combinatie met een megalomaan zelfbeeld dat vooral een illustratie van domheid is.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Het onderwerp waarmee Hens het nieuwe paradigma uiteenzet en de morele implicaties illustreert, dwingt tot nederigheid: de microben.  Met tal van fascinerende voorbeelden toont ze hoe ook microben onze werkelijkheid bepalen, in verhoudingen waar wederzijdse afhankelijkheid centraal staat. Dit gaat in tegen het nog steeds dominante verhaal gebaseerd op een populistische lezing van Darwin, waarbij de competitie tussen alles wat leeft de mens tot heerser van de natuur zou gemaakt hebben. Eén voorbeeld: het microbioom (de verzameling microben in ons darmstelsel) beïnvloedt onze gezondheid, ons humeur en zelfs onze persoonlijkheid. De helft van de cellen in ons lichaam zijn strikt genomen niet eens menselijk. Zelfs het idee van verwantschap is aan herziening toe: alles wat onder hetzelfde dak leeft leeft (dieren inbegrepen) bezit een vergelijkbaar microbioom.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">In de overgang naar een nieuw denkkader kunnen we ons bewust worden van de morele implicaties. Met de woorden van Kristien Hens: “Nadenken over welke verhalen je vertelt en hoe die verhalen de werkelijkheid mede vormgeven, is een fundamenteel onderdeel van de bio-ethiek”. Dat nadenken was altijd al nodig, omdat de mens op basis van technologie de wereld veranderd heeft en zal blijven veranderen, tot voor kort vanuit de overtuiging dat wij nu eenmaal bovenaan de piramide staan. Dat zelfbeeld klopt niet langer, we zijn onderdeel van een groter geheel, alles wat wij doen heeft een impact op dat geheel en dus ook op onszelf. De keuzes die we maken of weigeren te maken, hebben telkens zowel reële als morele implicaties.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">In deze tijd van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies als gevolg van onze impact, is dat bewust kiezen meer dan ooit nodig. Dit mooie essay legt uit waarom.</p>
<h6></h6>
<h6></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Kristien Hens (2025)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Denken met microben</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Letterwerk, Questa-reeks, 68 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 8349 062 5</strong></h6>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Kristien Hens</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Denken met microben</em></strong></h2>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een klein boekje over de kleinste wezens dat je na de lectuur met een ander zelf- en wereldbeeld achterlaat, mooi toch? Kristien Hens, hoogleraar bio-ethiek speelt dat klaar in een essay van nauwelijks zeventig pagina’s, geschreven in een onderhoudende, zelfs speelse toon (het kind dat ze ooit was, kijkend door de microscoop van haar mama, is nog altijd springlevend).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wetenschap, hoe exact en genuanceerd ook, komt tot ons langs standaardverhalen waarmee we naar de wereld kijken. Denken doen we nauwelijks, na-denken des te meer. Tot voor kort leverde het neodarwinisme – evolutie berust op competitie, meritocratie is au fond een biologisch gegeven – de verklaring voor zo ongeveer alles, met als gevolg dat we er onze maatschappij op afstemden (‘the war for talent’) en onze identiteit aan afmaten (van alfa males tot losers).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een dominant verhaal verklaart gedrag en kenmerken en suggereert dat dit gedrag en die kenmerken ‘natuurlijk’ zijn, met als impliciete boodschap dat ze ook ‘normaal’ zijn. Dit is een klassieke redeneerfout, met zware gevolgen waar we ons nauwelijks van bewust zijn. De overtuiging dat onze op wetenschap gebaseerde blik neutraal is, klopt voor geen meter. Een wetenschappelijke revolutie is net revolutionair omdat ze een andere blik toelaat, wat na verloop van tijd een ander standaardverhaal oplevert. De huidige revolutie en het op komst zijnde nieuwe verhaal corrigeren de overtuigingen van het vorige op vlak van identiteit, autonomie en onze plaats in het groter geheel. Correctie houdt niet dat het vorige verhaal fout was, wel selectief en beperkt, waardoor we blind waren en grotendeels nog steeds zijn voor alles wat niet in het vorige plaatje past.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vandaag de dag bevinden we ons in een overgangsperiode naar een nieuw wetenschappelijk paradigma. Tijdens een dergelijke overgang wordt er iets duidelijk dat we na verloop van tijd opnieuw vergeten: dat elk verhaal over de wereld morele implicaties met zich meebrengt. Een vanzelfsprekende kennis heeft volautomatische keuzes tot gevolg; nieuwe kennis verplicht ons om andere keuzes te maken, en maakt ons ervan bewust dat wij altijd al keuzes gemaakt hébben en bijgevolg verantwoordelijk zijn voor de gevolgen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">‘Nieuw’ is relatief, de kerngedachte is ouder: alles hangt met alles samen. Dankzij onderzoek in verschillende takken van de wetenschap begint dit idee stilletjes aan door te dringen in ons denken en zal het straks ook onze keuzes gaan bepalen. De wereld is geen piramidale ordening van afzonderlijke organismen die naast, boven en tegen elkaar aan het werk zijn. Nee, de natuur bestaat uit onderlinge verhoudingen en krachtenvelden; individuele organismen bestaan niet, elk ding is een voorlopig product van die verhoudingen waarin zowel samenwerking als competitie een rol spelen. Autonomie is een illusie, en bovendien nog een gevaarlijke ook, zeker in combinatie met een megalomaan zelfbeeld dat vooral een illustratie van domheid is.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Het onderwerp waarmee Hens het nieuwe paradigma uiteenzet en de morele implicaties illustreert, dwingt tot nederigheid: de microben.  Met tal van fascinerende voorbeelden toont ze hoe ook microben onze werkelijkheid bepalen, in verhoudingen waar wederzijdse afhankelijkheid centraal staat. Dit gaat in tegen het nog steeds dominante verhaal gebaseerd op een populistische lezing van Darwin, waarbij de competitie tussen alles wat leeft de mens tot heerser van de natuur zou gemaakt hebben. Eén voorbeeld: het microbioom (de verzameling microben in ons darmstelsel) beïnvloedt onze gezondheid, ons humeur en zelfs onze persoonlijkheid. De helft van de cellen in ons lichaam zijn strikt genomen niet eens menselijk. Zelfs het idee van verwantschap is aan herziening toe: alles wat onder hetzelfde dak leeft leeft (dieren inbegrepen) bezit een vergelijkbaar microbioom.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">In de overgang naar een nieuw denkkader kunnen we ons bewust worden van de morele implicaties. Met de woorden van Kristien Hens: “Nadenken over welke verhalen je vertelt en hoe die verhalen de werkelijkheid mede vormgeven, is een fundamenteel onderdeel van de bio-ethiek”. Dat nadenken was altijd al nodig, omdat de mens op basis van technologie de wereld veranderd heeft en zal blijven veranderen, tot voor kort vanuit de overtuiging dat wij nu eenmaal bovenaan de piramide staan. Dat zelfbeeld klopt niet langer, we zijn onderdeel van een groter geheel, alles wat wij doen heeft een impact op dat geheel en dus ook op onszelf. De keuzes die we maken of weigeren te maken, hebben telkens zowel reële als morele implicaties.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">In deze tijd van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies als gevolg van onze impact, is dat bewust kiezen meer dan ooit nodig. Dit mooie essay legt uit waarom.</p>
<h6></h6>
<h6></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Kristien Hens (2025)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Denken met microben</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Letterwerk, Questa-reeks, 68 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 90 8349 062 5</strong></h6>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Freek Van de Velde</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/freek-van-de-velde/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=freek-van-de-velde</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 22 Apr 2026 04:52:47 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4126</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Freek Van de Velde</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving. </em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een boek dat vier herdrukken krijgt op korte tijd, is of pulp of zeer goed. Als het een wetenschappelijk onderbouwde studie is, dan weet je dat het tot de tweede groep behoort. <em>Wat taal verraadt</em> begint ogenschijnlijk bescheiden – “een kleine geschiedenis” – maar blijkt al snel ambitieuzer dan de ondertitel doet vermoeden. Het boek ontvouwt zich als een brede reflectie op de verwevenheid van taal en mens: wij geven taal vorm, maar worden er tegelijk zelf door gevormd. Als hoogleraar taalkunde beschrijft Van de Velde taal niet als louter communicatie, maar als een kracht met een eigen dynamiek, diep verankerd in ons brein en onze cultuur. Hij spreekt in dat verband over een bio-cultureel fenomeen dat zich in ons denken heeft genesteld en vandaaruit doorwerkt in hoe we de wereld waarnemen en interpreteren. Dat perspectief sluit aan bij inzichten uit zowel de twintigste-eeuwse continentale tradities als de hedendaagse cognitieve wetenschappen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De originaliteit van het boek zit minder in die these zelf dan in de manier waarop ze hier wordt uitgewerkt: helder, goed gedocumenteerd en met zichtbaar vertelplezier. De opbouw is doordacht. In een geleidelijke beweging verkent de auteur eerst de biologische basis (brein en evolutie), vervolgens de sociale dimensie (cultuur en geschiedenis), om uiteindelijk uit te komen bij de individuele ervaring van de spreker. Zo ontstaat een breed beeld waarin taalkunde zich toont als een discipline die voortdurend verbindingen legt met andere domeinen, van biologie tot geschiedenis. Wie taal herleidt tot regels en correctheid, krijgt hier een ruimer en vruchtbaarder perspectief aangereikt.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat opvalt, is de stijl. Van de Velde schrijft zoals de betere hoogleraren college geven: speels, associatief, licht ironisch, en met een aanstekelijk enthousiasme voor zijn onderwerp. Dat enthousiasme vertaalt zich onder meer in een overvloedig gebruik van metaforen en vergelijkingen: taal verschijnt als een levend ecosysteem, als iets dat groeit, woekert en zich aanpast. Die beelden maken abstracte processen concreet en bijna tastbaar, maar tegelijk is er een keerzijde. Wat eerst verheldert, kan op termijn ook verzadigen: de overvloed laat de lezer soms weinig ruimte om het voorgaande te laten bezinken. Af en toe lijkt de stijl zichzelf te willen overtreffen, als een demonstratie van virtuositeit. Ik denk dan onwillekeurig aan Goethe: „In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister“.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarmee raken we aan een belangrijke spanning bij boeken geschreven door wetenschappers: die tussen toegankelijkheid en eruditie. Van de Velde mikt duidelijk op een breed publiek en slaagt daar grotendeels in. De toon is vlot en uitnodigend, maar onder die lichtheid schuilt een hoge informatiedichtheid. Voor wie bereid is aandachtig te lezen, is dat een kwaliteit. Als ervaren lezer vind ik de omgekeerde verhouding (veel woorden, weinig informatie) maar niks, en dat is hier heel zeker niet het geval. Het boek biedt inhoud in een compacte vorm.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat ik bijzonder belangrijk vind, is de min of meer impliciete stellingname die bijna overal terugkeert. Van de Velde stelt taal niet voor als een neutraal doorgeefluik, wel als een kracht die onze realiteit mede bepaalt. Ze beïnvloedt hoe we de wereld waarnemen, hoe we redeneren, en – nog belangrijker – hoe we naar onszelf en naar anderen kijken.  Voor sommigen is dat een oud debat, voor anderen een vaststelling. Van de Velde brengt het zonder dogmatiek  en laat ruimte voor de lezer om zelf de consequenties te overdenken. Die consequenties zijn er tegenwoordig in overvloed en ik geef meteen de allerbelangrijkste. De les die de linkse Antonio Gramsci meegaf vanuit zijn gevangeniscel in de jaren dertig (wil je de maatschappij veranderen, dan moet je eerst taalkundige hegemonie verwerven om daarlangs het denken van mensen aan te sturen) werd literair verwoord door George Orwell, met de ‘Newspeak’ in zijn dystopische roman ‘1984’. Ondertussen wordt dit volop in praktijk gebracht door ultrarechtse denktanks, op een doordachte en sluwe manier waardoor hun taal en daarmee hun gedachtengoed bij veel mensen letterlijk vanzelfsprekend geworden is. Gelukkig is er Trump, die door zijn combinatie van narcisme en domheid de achterliggende agenda steeds meer open en bloot prijsgeeft.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Verschillende talen zijn verschillend in de manier waarop ze de werkelijkheid opdelen en ordenen. Een ander taalgebruik geeft ons een andere toegang tot de werkelijkheid en vervolgens een andere manier van aanpak. We zijn ons daar veel te weinig van bewust, waardoor we belangrijke keuzes uit handen geven, keuzes die steevast moreel van aard zijn.  Net zoals de taal zelf beweegt het boek zich voortdurend op dat snijvlak tussen observatie en interpretatie. Niet alles is even strak gedoseerd, maar de bandbreedte is indrukwekkend. Ik heb ervan genoten.</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Freek Van de Velde (2024)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving. </em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Tielt: Lannoo Campus, 238 pagina’s.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 94 014 9970 5</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Freek Van de Velde</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving. </em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Een boek dat vier herdrukken krijgt op korte tijd, is of pulp of zeer goed. Als het een wetenschappelijk onderbouwde studie is, dan weet je dat het tot de tweede groep behoort. <em>Wat taal verraadt</em> begint ogenschijnlijk bescheiden – “een kleine geschiedenis” – maar blijkt al snel ambitieuzer dan de ondertitel doet vermoeden. Het boek ontvouwt zich als een brede reflectie op de verwevenheid van taal en mens: wij geven taal vorm, maar worden er tegelijk zelf door gevormd. Als hoogleraar taalkunde beschrijft Van de Velde taal niet als louter communicatie, maar als een kracht met een eigen dynamiek, diep verankerd in ons brein en onze cultuur. Hij spreekt in dat verband over een bio-cultureel fenomeen dat zich in ons denken heeft genesteld en vandaaruit doorwerkt in hoe we de wereld waarnemen en interpreteren. Dat perspectief sluit aan bij inzichten uit zowel de twintigste-eeuwse continentale tradities als de hedendaagse cognitieve wetenschappen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De originaliteit van het boek zit minder in die these zelf dan in de manier waarop ze hier wordt uitgewerkt: helder, goed gedocumenteerd en met zichtbaar vertelplezier. De opbouw is doordacht. In een geleidelijke beweging verkent de auteur eerst de biologische basis (brein en evolutie), vervolgens de sociale dimensie (cultuur en geschiedenis), om uiteindelijk uit te komen bij de individuele ervaring van de spreker. Zo ontstaat een breed beeld waarin taalkunde zich toont als een discipline die voortdurend verbindingen legt met andere domeinen, van biologie tot geschiedenis. Wie taal herleidt tot regels en correctheid, krijgt hier een ruimer en vruchtbaarder perspectief aangereikt.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat opvalt, is de stijl. Van de Velde schrijft zoals de betere hoogleraren college geven: speels, associatief, licht ironisch, en met een aanstekelijk enthousiasme voor zijn onderwerp. Dat enthousiasme vertaalt zich onder meer in een overvloedig gebruik van metaforen en vergelijkingen: taal verschijnt als een levend ecosysteem, als iets dat groeit, woekert en zich aanpast. Die beelden maken abstracte processen concreet en bijna tastbaar, maar tegelijk is er een keerzijde. Wat eerst verheldert, kan op termijn ook verzadigen: de overvloed laat de lezer soms weinig ruimte om het voorgaande te laten bezinken. Af en toe lijkt de stijl zichzelf te willen overtreffen, als een demonstratie van virtuositeit. Ik denk dan onwillekeurig aan Goethe: „In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister“.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Daarmee raken we aan een belangrijke spanning bij boeken geschreven door wetenschappers: die tussen toegankelijkheid en eruditie. Van de Velde mikt duidelijk op een breed publiek en slaagt daar grotendeels in. De toon is vlot en uitnodigend, maar onder die lichtheid schuilt een hoge informatiedichtheid. Voor wie bereid is aandachtig te lezen, is dat een kwaliteit. Als ervaren lezer vind ik de omgekeerde verhouding (veel woorden, weinig informatie) maar niks, en dat is hier heel zeker niet het geval. Het boek biedt inhoud in een compacte vorm.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Wat ik bijzonder belangrijk vind, is de min of meer impliciete stellingname die bijna overal terugkeert. Van de Velde stelt taal niet voor als een neutraal doorgeefluik, wel als een kracht die onze realiteit mede bepaalt. Ze beïnvloedt hoe we de wereld waarnemen, hoe we redeneren, en – nog belangrijker – hoe we naar onszelf en naar anderen kijken.  Voor sommigen is dat een oud debat, voor anderen een vaststelling. Van de Velde brengt het zonder dogmatiek  en laat ruimte voor de lezer om zelf de consequenties te overdenken. Die consequenties zijn er tegenwoordig in overvloed en ik geef meteen de allerbelangrijkste. De les die de linkse Antonio Gramsci meegaf vanuit zijn gevangeniscel in de jaren dertig (wil je de maatschappij veranderen, dan moet je eerst taalkundige hegemonie verwerven om daarlangs het denken van mensen aan te sturen) werd literair verwoord door George Orwell, met de ‘Newspeak’ in zijn dystopische roman ‘1984’. Ondertussen wordt dit volop in praktijk gebracht door ultrarechtse denktanks, op een doordachte en sluwe manier waardoor hun taal en daarmee hun gedachtengoed bij veel mensen letterlijk vanzelfsprekend geworden is. Gelukkig is er Trump, die door zijn combinatie van narcisme en domheid de achterliggende agenda steeds meer open en bloot prijsgeeft.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Verschillende talen zijn verschillend in de manier waarop ze de werkelijkheid opdelen en ordenen. Een ander taalgebruik geeft ons een andere toegang tot de werkelijkheid en vervolgens een andere manier van aanpak. We zijn ons daar veel te weinig van bewust, waardoor we belangrijke keuzes uit handen geven, keuzes die steevast moreel van aard zijn.  Net zoals de taal zelf beweegt het boek zich voortdurend op dat snijvlak tussen observatie en interpretatie. Niet alles is even strak gedoseerd, maar de bandbreedte is indrukwekkend. Ik heb ervan genoten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Freek Van de Velde (2024)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wat taal verraadt. Een kleine geschiedenis van brein tot beschaving. </em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Tielt: Lannoo Campus, 238 pagina’s.</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 94 014 9970 5</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Griet Vandermassen</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/griet-vandermassen/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=griet-vandermassen</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 15 Apr 2026 05:09:48 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4120</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Griet Vandermassen</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wie is er bang voor sekseverschillen?</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Sommige boeken bevestigen je ideeën, andere nodigen je uit om je meningen tegen het licht te houden. Het boek van Griet Vandermassen behoort tot die tweede categorie. Wie de inhoudsopgave leest, weet dat dit geen braaf werk is: van incels tot kindermoord, van Tinder tot transgender, van poppen en zwaarden tot Nobelprijswinnaars in de economie. Het geheel wordt samengehouden door een centrale these: een kind is geen klomp klei die naar believen gekneed kan worden, biologie doet ertoe, ook wanneer het over sekseverschillen gaat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De ‘klomp klei’-opvatting was eind vorige eeuw algemeen verspreid onder intellectuelen – de seksuele revolutie illustreerde wat ze probeerde te weerleggen: dat gender en seks nooit neutrale onderwerpen zijn. Wat wij daarover denken en schrijven weerspiegelt onze cultuur en onze eigen ervaringen, meestal zonder dat we daarbij stilstaan. In de inleiding expliciteert Vandermassen haar eigen traject: van een oorspronkelijk accent op de overtuiging die gender reduceert tot een product van opvoeding naar een perspectief gebaseerd op onderzoek, in haar geval voornamelijk de evolutionaire psychologie. Vandermassen toont hoe ze op basis daarvan haar oorspronkelijke ideeën bijstelde.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Een essaybundel met ruggengraat</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Formeel is het boek een bundeling van herwerkte columns die ze maandelijks in <em>De Standaard</em> publiceerde. Het effect laat zich gevoelen in de leesbaarheid: elk hoofdstuk heeft een duidelijke focus, een prikkelende titel en een stevige pointe. Toch is het niet zomaar een bundeling, de herwerking en thematische opbouw geven het boek een duidelijke ruggengraat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Stilistisch is het een genoegen om te lezen. Ze schrijft helder en zonder jargon, ze durft stellingen scherp te formuleren en gebruikt vaak ironische wendingen die het betoog lucht geven. De passages over stationsromannetjes versus porno of over de seksuele rariteitenclub zijn tegelijk informatief en lichtvoetig. De lichtvoetigheid is geen synoniem van oppervlakkigheid. De kracht van Vandermassen ligt in haar vermogen om empirisch onderzoek (longitudinale studies, crossculturele analyses, persoonlijkheidsmetingen, arbeidseconomisch onderzoek) te combineren met concrete voorbeelden. Tinder, voetbal, IT-carrières, MeToo en onderwijsdata maken statistische bevindingen herkenbaar, hier en daar zelfs tastbaar.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Haar verdienste is ondermeer het oproepen van vragen die niet altijd voor de hand liggen. Waarom zijn er zo weinig vrouwelijke Harvey Weinsteins? Waarom kiezen meisjes in gendergelijke landen minder vaak voor STEM? Waarom is mannelijk groepsgedrag anders dan vrouwelijk? Waarom verlaten hoogintelligente vrouwen vaker de ratrace? In haar antwoorden houdt ze (gelukkig maar) rekening met maatschappelijk bepaalde structurele ongelijkheden, maar ze plaatst die in een breder kader van gemiddelde sekseverschillen, bijvoorbeeld op vlak van seksuele opwinding, competitiedrang en partnerkeuze. Dat leidt soms tot verrassende conclusies, met als belangrijkste dat meer gelijkheidwaardigheid grotere verschillen zichtbaar kan maken. Dat druist in tegen een wijdverbreide intuïtie – precies daarom is het waardevol dat iemand het zorgvuldig uitwerkt.</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Alle voordeel hep zijn nadeel</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;">Een nadeel van de columnvorm is dat complexe kwesties noodgedwongen compact behandeld worden; het genre laat geen diepgravende analyse toe. Vandermassen prikkelt, polariseert, zet aan tot nadenken en nodigt de meer wetenschappelijk georiënteerde lezer uit om zelf verder op zoek te gaan. In een appendix geeft ze de nodige literatuur mee (mijn aanvulling: lees <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/vasili-grossman-en-robert-sapolsky/">Robert Sapolsky,  <em>Behave. Waarom we van nature goed en slecht zijn: een biologische blik</em></a>).</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een tweede typisch columneffect is het optuigen van een stroman: een foute verklaring of opvatting wordt toegeschreven aan een bepaalde, als homogeen voorgestelde groep die daarna vakkundig neergesabeld wordt. Die verklaringen of opvattingen zijn inderdaad fout, ze unilateraal toeschrijven aan ‘de genderstudies’, ‘het patriarchaat’ of ‘het feminisme’ is te zwart-wit en vaak zelfs gedateerd. Een iets explicietere erkenning van de interne variatie zou het debat sterker maken; ik denk bijvoorbeeld aan een spitse column over het feminisme en de reden waarom de huidige, in een nieuw keurslijf geduwde vrouwen er hun neusje voor ophalen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat iemand zijn mening radicaal herziet op grond van goede argumenten kan ik alleen maar toejuichen, maar vaak gaat dat gepaard met een al te veel overhellen in de andere richting. Het risico bestaat dat wij onze teleurstelling in het ene verklaringsmodel (alles is opvoeding) verwerken door unilateraal over te stappen naar de tegenovergestelde opvatting (alles is biologie). Vermoedelijk zijn we cognitief voorgeprogrammeerd om in of – of termen te redeneren, terwijl de ervaring uitwijst dat en – en meestal dichter bij de realiteit staat. De dans tussen de twee partners is complexer dan één choreografie kan vatten, op de koop toe zijn ze vaak met drie. Ik denk dat we er voor dit onderwerp zelfs een volwaardige vierde aan moeten toevoegen: naast het biologische, het sociale en het individueel-psychologische nu ook het digitale, met de ‘socials’ en AI. Vandermassen erkent gelukkig de complexiteit, maar haar voorkeur is overduidelijk en speelt haar hier en daar parten.</p>
<p>&#160;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Verademing</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Het boek levert een intellectueel prikkelende bijdrage aan een eeuwenoude kwestie die vandaag ontaard is een verhit debat, waar ideologie de plaats ingenomen heeft van de vroegere religieuze moraal. Vandermassen combineert haar eigen blik met wetenschappelijke ambitie, en polemische scherpte met humor en empathie voor beide seksen. De lezer hoeft het niet altijd met haar eens te zijn, maar wordt uitgenodigd om eigen meningen kritisch te bevragen. In deze gepolariseerde tijden is dat een verademing.</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Griet Vandermassen (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wie is er bang voor sekseverschillen?</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Antwerpen: Houtekiet, 216 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN </strong><strong>9789057209215</strong></h6>
<p>&#160;</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Griet Vandermassen</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wie is er bang voor sekseverschillen?</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">Sommige boeken bevestigen je ideeën, andere nodigen je uit om je meningen tegen het licht te houden. Het boek van Griet Vandermassen behoort tot die tweede categorie. Wie de inhoudsopgave leest, weet dat dit geen braaf werk is: van incels tot kindermoord, van Tinder tot transgender, van poppen en zwaarden tot Nobelprijswinnaars in de economie. Het geheel wordt samengehouden door een centrale these: een kind is geen klomp klei die naar believen gekneed kan worden, biologie doet ertoe, ook wanneer het over sekseverschillen gaat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De ‘klomp klei’-opvatting was eind vorige eeuw algemeen verspreid onder intellectuelen – de seksuele revolutie illustreerde wat ze probeerde te weerleggen: dat gender en seks nooit neutrale onderwerpen zijn. Wat wij daarover denken en schrijven weerspiegelt onze cultuur en onze eigen ervaringen, meestal zonder dat we daarbij stilstaan. In de inleiding expliciteert Vandermassen haar eigen traject: van een oorspronkelijk accent op de overtuiging die gender reduceert tot een product van opvoeding naar een perspectief gebaseerd op onderzoek, in haar geval voornamelijk de evolutionaire psychologie. Vandermassen toont hoe ze op basis daarvan haar oorspronkelijke ideeën bijstelde.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Een essaybundel met ruggengraat</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Formeel is het boek een bundeling van herwerkte columns die ze maandelijks in <em>De Standaard</em> publiceerde. Het effect laat zich gevoelen in de leesbaarheid: elk hoofdstuk heeft een duidelijke focus, een prikkelende titel en een stevige pointe. Toch is het niet zomaar een bundeling, de herwerking en thematische opbouw geven het boek een duidelijke ruggengraat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Stilistisch is het een genoegen om te lezen. Ze schrijft helder en zonder jargon, ze durft stellingen scherp te formuleren en gebruikt vaak ironische wendingen die het betoog lucht geven. De passages over stationsromannetjes versus porno of over de seksuele rariteitenclub zijn tegelijk informatief en lichtvoetig. De lichtvoetigheid is geen synoniem van oppervlakkigheid. De kracht van Vandermassen ligt in haar vermogen om empirisch onderzoek (longitudinale studies, crossculturele analyses, persoonlijkheidsmetingen, arbeidseconomisch onderzoek) te combineren met concrete voorbeelden. Tinder, voetbal, IT-carrières, MeToo en onderwijsdata maken statistische bevindingen herkenbaar, hier en daar zelfs tastbaar.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Haar verdienste is ondermeer het oproepen van vragen die niet altijd voor de hand liggen. Waarom zijn er zo weinig vrouwelijke Harvey Weinsteins? Waarom kiezen meisjes in gendergelijke landen minder vaak voor STEM? Waarom is mannelijk groepsgedrag anders dan vrouwelijk? Waarom verlaten hoogintelligente vrouwen vaker de ratrace? In haar antwoorden houdt ze (gelukkig maar) rekening met maatschappelijk bepaalde structurele ongelijkheden, maar ze plaatst die in een breder kader van gemiddelde sekseverschillen, bijvoorbeeld op vlak van seksuele opwinding, competitiedrang en partnerkeuze. Dat leidt soms tot verrassende conclusies, met als belangrijkste dat meer gelijkheidwaardigheid grotere verschillen zichtbaar kan maken. Dat druist in tegen een wijdverbreide intuïtie – precies daarom is het waardevol dat iemand het zorgvuldig uitwerkt.</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong></p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Alle voordeel hep zijn nadeel</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;">Een nadeel van de columnvorm is dat complexe kwesties noodgedwongen compact behandeld worden; het genre laat geen diepgravende analyse toe. Vandermassen prikkelt, polariseert, zet aan tot nadenken en nodigt de meer wetenschappelijk georiënteerde lezer uit om zelf verder op zoek te gaan. In een appendix geeft ze de nodige literatuur mee (mijn aanvulling: lees <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/vasili-grossman-en-robert-sapolsky/">Robert Sapolsky,  <em>Behave. Waarom we van nature goed en slecht zijn: een biologische blik</em></a>).</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Een tweede typisch columneffect is het optuigen van een stroman: een foute verklaring of opvatting wordt toegeschreven aan een bepaalde, als homogeen voorgestelde groep die daarna vakkundig neergesabeld wordt. Die verklaringen of opvattingen zijn inderdaad fout, ze unilateraal toeschrijven aan ‘de genderstudies’, ‘het patriarchaat’ of ‘het feminisme’ is te zwart-wit en vaak zelfs gedateerd. Een iets explicietere erkenning van de interne variatie zou het debat sterker maken; ik denk bijvoorbeeld aan een spitse column over het feminisme en de reden waarom de huidige, in een nieuw keurslijf geduwde vrouwen er hun neusje voor ophalen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Dat iemand zijn mening radicaal herziet op grond van goede argumenten kan ik alleen maar toejuichen, maar vaak gaat dat gepaard met een al te veel overhellen in de andere richting. Het risico bestaat dat wij onze teleurstelling in het ene verklaringsmodel (alles is opvoeding) verwerken door unilateraal over te stappen naar de tegenovergestelde opvatting (alles is biologie). Vermoedelijk zijn we cognitief voorgeprogrammeerd om in of – of termen te redeneren, terwijl de ervaring uitwijst dat en – en meestal dichter bij de realiteit staat. De dans tussen de twee partners is complexer dan één choreografie kan vatten, op de koop toe zijn ze vaak met drie. Ik denk dat we er voor dit onderwerp zelfs een volwaardige vierde aan moeten toevoegen: naast het biologische, het sociale en het individueel-psychologische nu ook het digitale, met de ‘socials’ en AI. Vandermassen erkent gelukkig de complexiteit, maar haar voorkeur is overduidelijk en speelt haar hier en daar parten.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h4 style="font-weight: 400;"><strong><em>Verademing</em></strong></h4>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Het boek levert een intellectueel prikkelende bijdrage aan een eeuwenoude kwestie die vandaag ontaard is een verhit debat, waar ideologie de plaats ingenomen heeft van de vroegere religieuze moraal. Vandermassen combineert haar eigen blik met wetenschappelijke ambitie, en polemische scherpte met humor en empathie voor beide seksen. De lezer hoeft het niet altijd met haar eens te zijn, maar wordt uitgenodigd om eigen meningen kritisch te bevragen. In deze gepolariseerde tijden is dat een verademing.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Griet Vandermassen (2026)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Wie is er bang voor sekseverschillen?</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Antwerpen: Houtekiet, 216 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN </strong><strong>9789057209215</strong></h6>
<p>&nbsp;</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Tim Brys en François Levrau</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/tim-brys-en-francois-levrau/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=tim-brys-en-francois-levrau</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Wed, 11 Mar 2026 06:15:48 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4114</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Tim Brys en François Levrau</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>En toen was er AI. </em></strong><strong><em>Hoe mens blijven te midden van machines?</em></strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"></h2>
<p style="font-weight: 400;">Artificiële Intelligentie, AI dus, valt het voorbije jaar niet meer weg te denken. Om de zoveel tijd kunnen we in de media lezen welke fantastische mogelijkheden en dodelijke risico’s ons te wachten staan, in termen die mij telkens doen denken aan een verkooppraatje vermomd als SWOT-analyse (strenghts, weaknesses, opportunities, threats). De aanpak van Tim Brys (computerwetenschapper) en François Levrau (filosoof) is gelukkig van een ander en hoger niveau. Het effect van een baanbrekende technologie mag dan veel te maken hebben met de technologie op zich, toch zullen de belangrijkste gevolgen het effect zijn van de dominante ideologie waarbinnen zij ontwikkeld, gepromoot en gebruikt wordt. Dat is al geruime tijd de laatste versie van het kapitalisme, beter bekend als de neoliberale efficiëntielogica. Diens effecten op mens en samenleving zijn ondertussen heel erg voelbaar, de vraag is hoe en op welke manier AI daar een rol in zal spelen. Dit is het belangrijkste onderwerp van het boek, met op de achtergrond een pertinent thema: wie willen wij zijn of worden?</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Hun antwoord formuleren de auteurs in twaalf onderling verbonden essays, telkens met een sprekende titel (‘De sociale mens’; ‘De vrije mens’; ‘De overbodige mens’…) die elk op zich al de moeite waard zijn. In wat volgt beperk mij tot een selectie, het boek zelf is natuurlijk rijker.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Echt is slecht!</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Beeldmateriaal was ooit een weergave van de werkelijkheid, tegenwoordig stellen we ons de vraag of een filmpje echt of ‘fake’ is. Als oplossing worden we hier en daar wat tips and tricks aangereikt om echt van vals te onderscheiden. Soms zijn die bruikbaar, maar ze gaan voorbij aan een fundamenteler en gevaarlijker gevolg van AI-gegenereerd materiaal. Het deed me veel plezier dat Levrau zijn bespreking baseert op Baudrillard, een Franse cultuurfilosoof die al heel vroeg aantoonde hoe de werkelijkheid in vier stappen vervangen kan worden door een nabootsing, die vervolgens de realiteit zelf gaat bepalen. Zo berustte de aardbeismaak in aardbei-ijs in de eerste versies op echte aardbeien. Vervolgens werd de smaak kunstmatig aangemaakt, met een uitdrukkelijke verschuiving (bijvoorbeeld zoeter). In de derde fase keert die kunstmatige smaak overal terug (in yoghurt, in snoep) en gaan mensen haar gebruiken als referentiepunt &#8211; dit is hoe een aardbei hoort te smaken. Ten slotte komt de smaak op zich te staan, er is nauwelijks nog een verband met de oorspronkelijke werkelijkheid.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vervang in deze beschrijving eens het woordje aardbei door seks, en aardbei-ijs door porno? Wat er vandaag in bed gebeurt, is vaak al fase drie: een poging tot ‘echte’ seks in navolging van wat het digitale scherm toont. Alsof dat al niet problematisch genoeg is, installeert AI nu een uitbreiding naar liefdesverhoudingen: met een chatbot kan je urenlang romantische en erotische conversaties voeren; handige digi-boys genereren daarbij aansluitende AI-seksfilmpjes, en klaar komt Kees. De AI-versie gaat een eigen leven leiden, de werkelijkheid hoeft niet langer. Wanneer het dan toch tot echte seks komt, tot echt praten met een echte ander, dan blijkt die altijd inferieur te zijn aan de digitale versie. Help!</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Kennis en informatie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Meerdere essays handelen over de vraag of AI kan bijdragen tot onze kennisontwikkeling. Het antwoord is gelaagd: ervaren wetenschappers die gebruik maken van AI om databanken te doorzoeken, diagnostische patronen te herkennen in medische beeldvorming en aan hypothesetoetsing te doen, die zijn terecht verrukt over de mogelijkheden. Maar wat met de wetenschappers van morgen? Vandaag worden kinderen en jongeren opgeleid in scholen die de digitale logica willens nillens omarmen; AI zal dat nog substantieel uitbreiden. Het is nog maar de vraag of zij, eens afgestudeerd, nog over dezelfde vaardigheden zullen beschikken als hun voorgangers. Nu al (dus zonder AI) ligt zowel het kennisniveau als het begrijpend lezen stukken lager dan vroeger, net zoals hun mathematische inzichten &#8211; de computer doet het toch voor hen? Dit is zonder twijfel een krachtig argument om het onderwijs tussen zes en achttien zoveel mogelijk toe te spitsen op het kritisch en creatief denkvermogen, in plaats van jongeren te leren hoe ze dit kunnen uitbesteden aan de digitale wereld. In dezelfde lijn ligt het gevaar van zogenaamde ‘sociale’ media. Hebben we echt onderzoek nodig om te ‘bewijzen’ dat de ontwikkeling van kinderen in het gedrang komt wanneer ze dagelijks meerdere uren naar inhoudsloze reels op TikTok kijken, aangestuurd door algoritmes die hen tot consumeren, magerzucht en genderdysforie aanzetten?</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">De impact op kinderen is, denk ik, het krachtigste voorbeeld om te begrijpen dat het probleem niet bij de digitale wereld in het algemeen en bij AI in het bijzonder ligt. Het probleem zit hem in de achterliggende ideologie en de bijbehorende bedoeling. In eerste instantie lag het accent simpelweg op winstmaximalisatie, waarbij mensen aangezet worden om zoveel mogelijk te consumeren, met gerichte reclameboodschappen gebaseerd op hun internetzoekgedrag. Al snel kwamen de digitale lords tot de vaststelling dat ze naast fast food ook overtuigingen konden promoten, en andere dan weer ridiculiseren. Dat in het recente verleden politieke verkiezingen met en langs de sociale media zwaar beïnvloed werden op grond van valse berichten, is ondertussen aangetoond (<em>Cambridge Analytica,</em> iemand?). Tegenwoordig haalt een meerderheid van de mensen hun informatie niet meer uit onafhankelijke nieuwsbronnen, wel uit digitale platforms en media. De achterliggende sturingsmechanismen (de algoritmes) hebben tot gevolg dat ‘gebruikers’ meer en meer terecht komen bij extremere opvattingen, zonder kans op kritische reflectie.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;">Overconsumptie, desinformatie en radicalisering zijn gevolgen van de wijze waarop het internet vandaag functioneert; de kans dat AI dit nog vele malen versterkt, is levensgroot. Deze functioneringswijze is niet inherent aan de digitale wereld op zich, wel aan de achterliggende ideologie. Het is niet zo moeilijk om een andere functioneringswijze te bedenken, zonder deze nadelen en met een maximalisatie van de voordelen. Denk aan een zoekalgoritme dat kritische antwoorden oplevert, met voor- en tegenargumenten (bijvoorbeeld over het al dan niet verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd), en vervolgens de keuze aan de lezer overlaat.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Manipulatie, surveillance en autonomie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een bekend onderwerp is de manipulatie die uitgaat van AI-gestuurde systemen.&#8230; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/tim-brys-en-francois-levrau/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Tim Brys en François Levrau</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>En toen was er AI. </em></strong><strong><em>Hoe mens blijven te midden van machines?</em></strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"></h2>
<p style="font-weight: 400;">Artificiële Intelligentie, AI dus, valt het voorbije jaar niet meer weg te denken. Om de zoveel tijd kunnen we in de media lezen welke fantastische mogelijkheden en dodelijke risico’s ons te wachten staan, in termen die mij telkens doen denken aan een verkooppraatje vermomd als SWOT-analyse (strenghts, weaknesses, opportunities, threats). De aanpak van Tim Brys (computerwetenschapper) en François Levrau (filosoof) is gelukkig van een ander en hoger niveau. Het effect van een baanbrekende technologie mag dan veel te maken hebben met de technologie op zich, toch zullen de belangrijkste gevolgen het effect zijn van de dominante ideologie waarbinnen zij ontwikkeld, gepromoot en gebruikt wordt. Dat is al geruime tijd de laatste versie van het kapitalisme, beter bekend als de neoliberale efficiëntielogica. Diens effecten op mens en samenleving zijn ondertussen heel erg voelbaar, de vraag is hoe en op welke manier AI daar een rol in zal spelen. Dit is het belangrijkste onderwerp van het boek, met op de achtergrond een pertinent thema: wie willen wij zijn of worden?</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Hun antwoord formuleren de auteurs in twaalf onderling verbonden essays, telkens met een sprekende titel (‘De sociale mens’; ‘De vrije mens’; ‘De overbodige mens’…) die elk op zich al de moeite waard zijn. In wat volgt beperk mij tot een selectie, het boek zelf is natuurlijk rijker.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Echt is slecht!</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Beeldmateriaal was ooit een weergave van de werkelijkheid, tegenwoordig stellen we ons de vraag of een filmpje echt of ‘fake’ is. Als oplossing worden we hier en daar wat tips and tricks aangereikt om echt van vals te onderscheiden. Soms zijn die bruikbaar, maar ze gaan voorbij aan een fundamenteler en gevaarlijker gevolg van AI-gegenereerd materiaal. Het deed me veel plezier dat Levrau zijn bespreking baseert op Baudrillard, een Franse cultuurfilosoof die al heel vroeg aantoonde hoe de werkelijkheid in vier stappen vervangen kan worden door een nabootsing, die vervolgens de realiteit zelf gaat bepalen. Zo berustte de aardbeismaak in aardbei-ijs in de eerste versies op echte aardbeien. Vervolgens werd de smaak kunstmatig aangemaakt, met een uitdrukkelijke verschuiving (bijvoorbeeld zoeter). In de derde fase keert die kunstmatige smaak overal terug (in yoghurt, in snoep) en gaan mensen haar gebruiken als referentiepunt &#8211; dit is hoe een aardbei hoort te smaken. Ten slotte komt de smaak op zich te staan, er is nauwelijks nog een verband met de oorspronkelijke werkelijkheid.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Vervang in deze beschrijving eens het woordje aardbei door seks, en aardbei-ijs door porno? Wat er vandaag in bed gebeurt, is vaak al fase drie: een poging tot ‘echte’ seks in navolging van wat het digitale scherm toont. Alsof dat al niet problematisch genoeg is, installeert AI nu een uitbreiding naar liefdesverhoudingen: met een chatbot kan je urenlang romantische en erotische conversaties voeren; handige digi-boys genereren daarbij aansluitende AI-seksfilmpjes, en klaar komt Kees. De AI-versie gaat een eigen leven leiden, de werkelijkheid hoeft niet langer. Wanneer het dan toch tot echte seks komt, tot echt praten met een echte ander, dan blijkt die altijd inferieur te zijn aan de digitale versie. Help!</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Kennis en informatie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Meerdere essays handelen over de vraag of AI kan bijdragen tot onze kennisontwikkeling. Het antwoord is gelaagd: ervaren wetenschappers die gebruik maken van AI om databanken te doorzoeken, diagnostische patronen te herkennen in medische beeldvorming en aan hypothesetoetsing te doen, die zijn terecht verrukt over de mogelijkheden. Maar wat met de wetenschappers van morgen? Vandaag worden kinderen en jongeren opgeleid in scholen die de digitale logica willens nillens omarmen; AI zal dat nog substantieel uitbreiden. Het is nog maar de vraag of zij, eens afgestudeerd, nog over dezelfde vaardigheden zullen beschikken als hun voorgangers. Nu al (dus zonder AI) ligt zowel het kennisniveau als het begrijpend lezen stukken lager dan vroeger, net zoals hun mathematische inzichten &#8211; de computer doet het toch voor hen? Dit is zonder twijfel een krachtig argument om het onderwijs tussen zes en achttien zoveel mogelijk toe te spitsen op het kritisch en creatief denkvermogen, in plaats van jongeren te leren hoe ze dit kunnen uitbesteden aan de digitale wereld. In dezelfde lijn ligt het gevaar van zogenaamde ‘sociale’ media. Hebben we echt onderzoek nodig om te ‘bewijzen’ dat de ontwikkeling van kinderen in het gedrang komt wanneer ze dagelijks meerdere uren naar inhoudsloze reels op TikTok kijken, aangestuurd door algoritmes die hen tot consumeren, magerzucht en genderdysforie aanzetten?</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">De impact op kinderen is, denk ik, het krachtigste voorbeeld om te begrijpen dat het probleem niet bij de digitale wereld in het algemeen en bij AI in het bijzonder ligt. Het probleem zit hem in de achterliggende ideologie en de bijbehorende bedoeling. In eerste instantie lag het accent simpelweg op winstmaximalisatie, waarbij mensen aangezet worden om zoveel mogelijk te consumeren, met gerichte reclameboodschappen gebaseerd op hun internetzoekgedrag. Al snel kwamen de digitale lords tot de vaststelling dat ze naast fast food ook overtuigingen konden promoten, en andere dan weer ridiculiseren. Dat in het recente verleden politieke verkiezingen met en langs de sociale media zwaar beïnvloed werden op grond van valse berichten, is ondertussen aangetoond (<em>Cambridge Analytica,</em> iemand?). Tegenwoordig haalt een meerderheid van de mensen hun informatie niet meer uit onafhankelijke nieuwsbronnen, wel uit digitale platforms en media. De achterliggende sturingsmechanismen (de algoritmes) hebben tot gevolg dat ‘gebruikers’ meer en meer terecht komen bij extremere opvattingen, zonder kans op kritische reflectie.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;">Overconsumptie, desinformatie en radicalisering zijn gevolgen van de wijze waarop het internet vandaag functioneert; de kans dat AI dit nog vele malen versterkt, is levensgroot. Deze functioneringswijze is niet inherent aan de digitale wereld op zich, wel aan de achterliggende ideologie. Het is niet zo moeilijk om een andere functioneringswijze te bedenken, zonder deze nadelen en met een maximalisatie van de voordelen. Denk aan een zoekalgoritme dat kritische antwoorden oplevert, met voor- en tegenargumenten (bijvoorbeeld over het al dan niet verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd), en vervolgens de keuze aan de lezer overlaat.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Manipulatie, surveillance en autonomie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Een bekend onderwerp is de manipulatie die uitgaat van AI-gestuurde systemen.&hellip; <a href="https://boekenblog.paulverhaeghe.com/tim-brys-en-francois-levrau/" class="read-more">Lees verder </a></p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
		<item>
		<title>Josephine Quinn</title>
		<link>https://boekenblog.paulverhaeghe.com/josephine-quinn/?utm_source=rss&#038;utm_medium=rss&#038;utm_campaign=josephine-quinn</link>
		
		<dc:creator><![CDATA[Paul Verhaeghe]]></dc:creator>
		<pubDate>Fri, 06 Mar 2026 05:31:28 +0000</pubDate>
				<category><![CDATA[Boekenblog]]></category>
		<guid isPermaLink="false">https://boekenblog.paulverhaeghe.com/?p=4108</guid>

					<description><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Josephine Quinn</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">De overtuiging dat “het Westen” in gevaar is, heerst al sedert begin vorige eeuw, enkel de inkleuring verandert (het rode gevaar, het gele gevaar, het blonde gevaar). Maar wat dat Westen precies is — een cultuur, een waardenpakket, een geografische ruimte of een politieke mythe? — blijft opvallend vaag. In <em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em> ontleedt de Britse historica Josephine Quinn dat vanzelfsprekende begrip. Haar conclusie is even eenvoudig als confronterend: het Westen bestaat niet zoals wij denken dat het bestaat. Die conclusie maakt ze duidelijk in een monumentaal boek van ruim zeshonderd pagina’s. Ze schrijft geen geschiedenis van het Westen, maar een geschiedenis over het <em>denkbeeld</em> dat wij ongeweten hebben over dat Westen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Identiteit is een constructie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Haar stelling is glashelder: het klassieke verhaal van de westerse beschaving — van Athene naar Rome, via het christendom naar de Verlichting en uiteindelijk de moderne democratie — is grotendeels een negentiende-eeuwse constructie. Als narratief werd het ontwikkeld om een gevoel van Europese superioriteit te legitimeren, voornamelijk in de context van imperialisme en kolonisatie.</p>
<p style="font-weight: 400;">Die superioriteit wordt steevast gekoppeld aan een geïdealiseerde versie van Griekenland en Rome. Quinn toont aan dat ook deze samenlevingen producten waren van intensieve uitwisselingen met Afrika, het Nabije Oosten en Azië. De geschiedenis groeit niet als een boom met afzonderlijke wortels, maar als een netwerk van voortdurende contacten, migraties en culturele vermenging.</p>
<p style="font-weight: 400;">Net daarom laat ze haar boek starten in Byblos, een handelsstad waar 2000 jaar voor onze tijdrekening goederen, ideeën en mensen uit verschillende werelden samenkwamen. Vanaf dat moment ontvouwt ze een verhaal waarin handelsroutes, diplomatieke contacten, religieuze invloeden en technologische overdrachten de echte motor vormen van historische veranderingen.</p>
<p style="font-weight: 400;">Wie nog gelooft in een zuiver Europese oorsprong van democratie, wetenschap of rationaliteit, krijgt pagina na pagina voorbeelden van culturele kruisbestuiving voorgeschoteld: het alfabet via Fenicische tussenstappen, wiskundige kennis uit Babylonië en India, intellectuele overdrachten via de islamitische wereld naar middeleeuws Europa. ‘Zuivere’ culturen zijn een politieke constructie die een complexe geschiedenis verdoezelen in functie van eigentijdse bedoelingen.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Geschiedenis als verbondenheid</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Voor zover ik daar als niet-historicus zicht op heb, is Quinn origineel in haar uitgangspunt: ze verwerpt simpelweg het idee van afzonderlijke beschavingen. In plaats daarvan beschrijft ze geschiedenis als een proces van voortdurende verbinding. Archeologie, genetisch onderzoek en klimaatveranderingen spelen daarbij een belangrijke rol. Nieuwe DNA-studies tonen bijvoorbeeld migratiepatronen die oudere ideeën over etnisch homogene volkeren ondergraven — een argument dat Quinn gebruikt om ook die vorm van ‘zuiverheid’ als historische fictie te ontmaskeren. Voor hedendaagse historici is dat vanzelfsprekend, maar buiten academische kringen blijft het idee van een homogeen Westen met een oorspronkelijke cultuur en bevolking bijzonder levendig — in het huidige politieke discours zelfs meer dan ooit. Vandaar het belang van deze ontmaskering: er heeft nooit een zuiver Europese cultuur bestaan, onze traditionele opvatting staat ver van de morsige historische realiteit.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Hoe sterkte ook een zwakte kan zijn</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>De grootste kracht van <em>Het westen</em> is tegelijk een potentiële zwakte: de schaal. Op zeshonderd pagina’s bestrijkt het boek ongeveer vierduizend jaar geschiedenis van een geografisch gebied dat loopt van Brittannië tot Centraal-Azië en van Scandinavië tot de Sahara. Dat levert een intellectueel opwindende leeservaring op waarbij elk hoofdstuk een nieuw venster opent (Fenicische zeehandel, Perzische rijken, Romeinse globalisering, islamitische vertaalbewegingen, Mongoolse handelsnetwerken). Ik las het boek als een reeks briljante mini-essays – je kan het rustig een week aan de kant leggen, en dan aan het volgende hoofdstuk beginnen.</p>
<p style="font-weight: 400;">Net die sterkte brengt een gevaar met zich mee. Als lezer reis je voortdurend verder voordat het net beschreven historisch moment volledig kan bezinken. Ook de overkoepelende structuur is niet altijd even zichtbaar. Dat wordt nog versterkt door wat op zich een positief kenmerk van het boek is: de soepele stijl, met gevoel voor detail (barnsteen uit de Oostzee in Myceense graven, Egyptisch ivoor op Kreta, Romeinse culten afkomstig uit het oosten). Zulke voorbeelden maken haar centrale thesis tastbaar, toch voor wie de hoofdstelling voor ogen blijft houden.</p>
<p>&#160;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Politiek onder de oppervlakte</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Na zeshonderd pagina’s blijft vooral één inzicht hangen: geschiedenis is rommeliger, hybrider en anders dan de klassieke beschavingsverhalen suggereren. Innovaties ontstaan zelden in isolatie. Europa verschijnt niet langer als oorsprong, maar als een dynamisch kruispunt. Wie dit boek uit heeft, kijkt  anders naar het verleden, én naar de manier waarop wij verhalen over onszelf construeren.</p>
<p style="font-weight: 400;">Je moet al heel wereldvreemd zijn om de hedendaagse implicaties van dit boek niet te zien. Door het Westen als historische constructie te beschouwen, raakt Quinn aan actuele discussies over identiteit, migratie en geopolitiek. Daarmee legt ze ongewild een uiterst interessant spanningsveld bloot: ze ontmantelt ons begrip van “het Westen” en toont tegelijk hoe krachtig zulke collectieve verhalen zijn. Ironisch genoeg bevestigt haar studie daarmee indirect waarom mensen eraan blijven vasthouden. Als analyticus doet dit mij natuurlijk denken aan onze eigen verhalen, over onszelf en onze familiale herkomst, waar we ons aan vasthouden tot we erin verloren lopen; in het ideale geval krijgen we dan de kans om vast te stellen dat het constructies zijn die weliswaar houvast boden maar na verloop van tijd vooral ballast werden.</p>
<p style="font-weight: 400;">Geschiedenis als ontdekking of als bevestiging? Kiezen voor de ontdekking is in ieder geval boeiender, dit boek levert daar een perfecte illustratie van.</p>
<p>&#160;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Josephine Quinn (2025)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam: Thomas Rap, 623 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 94 004 1147 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;">
</p>]]></description>
										<content:encoded><![CDATA[<h2 style="font-weight: 400;"><strong>Josephine Quinn</strong></h2>
<h2 style="font-weight: 400;"><strong><em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em></strong></h2>
<p style="font-weight: 400;">De overtuiging dat “het Westen” in gevaar is, heerst al sedert begin vorige eeuw, enkel de inkleuring verandert (het rode gevaar, het gele gevaar, het blonde gevaar). Maar wat dat Westen precies is — een cultuur, een waardenpakket, een geografische ruimte of een politieke mythe? — blijft opvallend vaag. In <em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em> ontleedt de Britse historica Josephine Quinn dat vanzelfsprekende begrip. Haar conclusie is even eenvoudig als confronterend: het Westen bestaat niet zoals wij denken dat het bestaat. Die conclusie maakt ze duidelijk in een monumentaal boek van ruim zeshonderd pagina’s. Ze schrijft geen geschiedenis van het Westen, maar een geschiedenis over het <em>denkbeeld</em> dat wij ongeweten hebben over dat Westen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Identiteit is een constructie</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Haar stelling is glashelder: het klassieke verhaal van de westerse beschaving — van Athene naar Rome, via het christendom naar de Verlichting en uiteindelijk de moderne democratie — is grotendeels een negentiende-eeuwse constructie. Als narratief werd het ontwikkeld om een gevoel van Europese superioriteit te legitimeren, voornamelijk in de context van imperialisme en kolonisatie.</p>
<p style="font-weight: 400;">Die superioriteit wordt steevast gekoppeld aan een geïdealiseerde versie van Griekenland en Rome. Quinn toont aan dat ook deze samenlevingen producten waren van intensieve uitwisselingen met Afrika, het Nabije Oosten en Azië. De geschiedenis groeit niet als een boom met afzonderlijke wortels, maar als een netwerk van voortdurende contacten, migraties en culturele vermenging.</p>
<p style="font-weight: 400;">Net daarom laat ze haar boek starten in Byblos, een handelsstad waar 2000 jaar voor onze tijdrekening goederen, ideeën en mensen uit verschillende werelden samenkwamen. Vanaf dat moment ontvouwt ze een verhaal waarin handelsroutes, diplomatieke contacten, religieuze invloeden en technologische overdrachten de echte motor vormen van historische veranderingen.</p>
<p style="font-weight: 400;">Wie nog gelooft in een zuiver Europese oorsprong van democratie, wetenschap of rationaliteit, krijgt pagina na pagina voorbeelden van culturele kruisbestuiving voorgeschoteld: het alfabet via Fenicische tussenstappen, wiskundige kennis uit Babylonië en India, intellectuele overdrachten via de islamitische wereld naar middeleeuws Europa. ‘Zuivere’ culturen zijn een politieke constructie die een complexe geschiedenis verdoezelen in functie van eigentijdse bedoelingen.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Geschiedenis als verbondenheid</strong></p>
<p style="font-weight: 400;">Voor zover ik daar als niet-historicus zicht op heb, is Quinn origineel in haar uitgangspunt: ze verwerpt simpelweg het idee van afzonderlijke beschavingen. In plaats daarvan beschrijft ze geschiedenis als een proces van voortdurende verbinding. Archeologie, genetisch onderzoek en klimaatveranderingen spelen daarbij een belangrijke rol. Nieuwe DNA-studies tonen bijvoorbeeld migratiepatronen die oudere ideeën over etnisch homogene volkeren ondergraven — een argument dat Quinn gebruikt om ook die vorm van ‘zuiverheid’ als historische fictie te ontmaskeren. Voor hedendaagse historici is dat vanzelfsprekend, maar buiten academische kringen blijft het idee van een homogeen Westen met een oorspronkelijke cultuur en bevolking bijzonder levendig — in het huidige politieke discours zelfs meer dan ooit. Vandaar het belang van deze ontmaskering: er heeft nooit een zuiver Europese cultuur bestaan, onze traditionele opvatting staat ver van de morsige historische realiteit.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Hoe sterkte ook een zwakte kan zijn</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>De grootste kracht van <em>Het westen</em> is tegelijk een potentiële zwakte: de schaal. Op zeshonderd pagina’s bestrijkt het boek ongeveer vierduizend jaar geschiedenis van een geografisch gebied dat loopt van Brittannië tot Centraal-Azië en van Scandinavië tot de Sahara. Dat levert een intellectueel opwindende leeservaring op waarbij elk hoofdstuk een nieuw venster opent (Fenicische zeehandel, Perzische rijken, Romeinse globalisering, islamitische vertaalbewegingen, Mongoolse handelsnetwerken). Ik las het boek als een reeks briljante mini-essays – je kan het rustig een week aan de kant leggen, en dan aan het volgende hoofdstuk beginnen.</p>
<p style="font-weight: 400;">Net die sterkte brengt een gevaar met zich mee. Als lezer reis je voortdurend verder voordat het net beschreven historisch moment volledig kan bezinken. Ook de overkoepelende structuur is niet altijd even zichtbaar. Dat wordt nog versterkt door wat op zich een positief kenmerk van het boek is: de soepele stijl, met gevoel voor detail (barnsteen uit de Oostzee in Myceense graven, Egyptisch ivoor op Kreta, Romeinse culten afkomstig uit het oosten). Zulke voorbeelden maken haar centrale thesis tastbaar, toch voor wie de hoofdstelling voor ogen blijft houden.</p>
<p>&nbsp;</p>
<p style="font-weight: 400;"><strong>Politiek onder de oppervlakte</strong></p>
<p style="font-weight: 400;"><strong> </strong>Na zeshonderd pagina’s blijft vooral één inzicht hangen: geschiedenis is rommeliger, hybrider en anders dan de klassieke beschavingsverhalen suggereren. Innovaties ontstaan zelden in isolatie. Europa verschijnt niet langer als oorsprong, maar als een dynamisch kruispunt. Wie dit boek uit heeft, kijkt  anders naar het verleden, én naar de manier waarop wij verhalen over onszelf construeren.</p>
<p style="font-weight: 400;">Je moet al heel wereldvreemd zijn om de hedendaagse implicaties van dit boek niet te zien. Door het Westen als historische constructie te beschouwen, raakt Quinn aan actuele discussies over identiteit, migratie en geopolitiek. Daarmee legt ze ongewild een uiterst interessant spanningsveld bloot: ze ontmantelt ons begrip van “het Westen” en toont tegelijk hoe krachtig zulke collectieve verhalen zijn. Ironisch genoeg bevestigt haar studie daarmee indirect waarom mensen eraan blijven vasthouden. Als analyticus doet dit mij natuurlijk denken aan onze eigen verhalen, over onszelf en onze familiale herkomst, waar we ons aan vasthouden tot we erin verloren lopen; in het ideale geval krijgen we dan de kans om vast te stellen dat het constructies zijn die weliswaar houvast boden maar na verloop van tijd vooral ballast werden.</p>
<p style="font-weight: 400;">Geschiedenis als ontdekking of als bevestiging? Kiezen voor de ontdekking is in ieder geval boeiender, dit boek levert daar een perfecte illustratie van.</p>
<p>&nbsp;</p>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Josephine Quinn (2025)</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong><em>Het westen. Een 4000-jarige geschiedenis</em></strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>Amsterdam: Thomas Rap, 623 pagina’s</strong></h6>
<h6 style="font-weight: 400;"><strong>ISBN 978 94 004 1147 0</strong></h6>
<p style="font-weight: 400;">
</p>]]></content:encoded>
					
		
		
			</item>
	</channel>
</rss>
