Geert Buelens

Geert Buelens

Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972.

Geert Buelens is een Vlaamse intellectueel met een vaste stek in Nederland. Als hoogleraar Nederlandse letterkunde in Utrecht heeft hij naam en faam als cultuurhistoricus, ondermeer met zijn boek De jaren zestig. Cultuurhistoricus betekent ook maatschappijcriticus, zoals duidelijk blijkt uit zijn nieuwste werk. De titel vat de hoofdlijn samen: ongeveer alles wat we tegenwoordig weten over de klimaatchaos en de noodzakelijke maatregelen om het tij te keren, wisten we een halve eeuw geleden ook al, maar we zijn vergeten dat we het wisten.

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Géraldine Schwarz, die in De geheugenlozen. De herinnering als wapen tegen populisme toont hoe wij in Europa nog nauwelijks beseffen op welke manier het fascisme de vorige eeuw voet aan de grond gekregen heeft (zie hier) en hoe dit zich tegenwoordig dreigt te herhalen. Net zoals Schwarz legt Buelens haarfijn uit wat er tijdens en na de jaren zeventig gebeurd is, waarom de toenmalige bewustwording verdween en welke conclusies we daaruit kunnen en moeten trekken. De voorbije week werd het tweede deel gepubliceerd van het IPCC-rapport, het klimaatpanel van de VN, met de zoveelste wetenschappelijke onderbouwing van wat al een halve eeuw bekend is. In mijn krant van 1 maart werd de berichtgeving daarover weggemoffeld naar bladzijde 19 (!) terwijl het frontpaginanieuws zou moeten zijn. En ja, ik besef hoe belangrijk de oorlog in Oekraïne is, maar met verkeerde prioriteiten zal het ons in een zeer nabije toekomst vele malen heter of natter onder de voeten worden.

Sedert Freud weten we dat vergeten nooit neutraal is, maar deel uitmaakt van onze manier van emotioneel functioneren. Vergeten is een zusje van ontkenning (‘Wir haben das nicht gewusst’), gebeurt op grond van angst en kan collectief plaatsgrijpen. In het geval van de klimaatontkenning werd het vergeten zorgvuldig georchestreerd door de gecombineerde acties van bepaalde politieke groepen en de industrie, met letterlijk dodelijke gevolgen tot vandaag de dag. Buelens legt dit bloot en toont hoe grote energiebedrijven al heel vroeg weet hadden van de problemen die zijzelf veroorzaakten, op welke schaal ze leugens en bedrog verspreid hebben en hoe ze dat nog steeds doen.

Eerst nog dit: in weerwil van het onderwerp leest het boek bijzonder aangenaam, zeker voor lezers die de jaren zeventig min of meer bewust meegemaakt hebben. Buelens komt zeer beslagen op het ijs, beschikt over een uitstekende pen en als cultuurhistoricus schildert hij herkenbare beelden, van de toenmalige televisieseries (De Vlaamse jeugdreeks De kat, James Herriots All creatures great and small) tot de spaarpunten die je bij benzinestations kon inruilen tegen ‘geschenken’, beelden die mij telkens een brede glimlach van herkenning bezorgden.

Grenzen aan de groei
Met wat we vandaag weten is het ongelooflijk om vast te stellen hoeveel we vijftig jaar terug al wisten. In het jaar 1972 werd Grenzen aan de groei gepubliceerd, het rapport van de club van Rome – hun metingen en bijbehorende voorspellingen zijn grotendeels correct gebleken, behalve dat ze te rooskleurig waren. De impact van het rapport was bij de publicatie veel groter dan wij vandaag beseffen, ook al omdat een aantal milieurampen in de voorafgaande jaren het publiek wakker geschud hadden. In april ‘72 pakten wereldkranten zoals Le Monde, La Stampa, Die Welt en The Times uit met een gezamenlijke milieubijlage van tien pagina’s, waardoor de milieucrisis in Europa hét centrale debat werd.

Wat we al helemaal vergeten zijn, is dat overheden het rapport aanvankelijk ernstig namen – veel toenmalige politici hadden een natuurwetenschappelijke achtergrond, wat tegenwoordig nog nauwelijks het geval is. Bovendien was de invloed van lobbygroepen stukken kleiner. Zo werd 1972 een sleuteljaar in de Amerikaanse milieubescherming en kregen in Japan een reeks bedrijven strenge straffen opgelegd voor de door hen veroorzaakte milieuverontreiniging.

De centrale vaststelling van het rapport is vandaag de olifant in de kamer: de oorzaak van onze ecologische moord en zelfmoord ligt in het economische systeem. Groei verloopt niet lineair, wel exponentieel, met als gevolg dat er om de zoveel tijd een verdubbeling gebeurt van een vorige verdubbeling. Een voorbeeld: in 2000 reden er vier keer meer vrachtwagens op onze wegen dan in 1980; in 2020 waren dat er acht keer meer, en straks zijn het er zestien keer meer, met op de achtergrond een zestien maal hogere productie en consumptie; dergelijke toenames zijn een structureel gevolg van een jaarlijkse economische groei van drie procent. De oplossing is nog steeds dezelfde als in 1972; in het kielzog van het rapport vatte het boek A blueprint for survival die oplossing samen in een nieuwe term: de kringloopsamenleving.

In de publieke aandacht voor het rapport en de daarbij aansluitende beleidsbeslissingen herkent Buelens de tweede faze van een typische evolutie. In een aanvangsperiode was de kennis over het onderwerp slechts bij een kleine groep aanwezig. Vervolgens ontstond er een collectieve bewustwording, ook al als gevolg van een paar spectaculaire milieurampen. Deze tweede faze bood een momentum voor structurele veranderingen, maar helaas werd de kans niet benut. Daarna kwam er een periode van ontmoediging, gevolgd door halfslachtige regelgevingen die de illusie schiepen dat er toch iets gedaan werd. In de wetenschappelijk meetbare werkelijkheid bleef de vervuiling alleen maar toenemen.

Hoe sla je een revolutie neer? Door ze zelf te leiden
Dat vervolg met halfslachtige regelgevingen was geen toeval. Tijdens de tweede faze had de bewustwording ook een ander effect: een economisch machtige toplaag besefte dat de oplossingen geld zouden kosten. Hun geld. Nog in hetzelfde jaar 1972 werd de Amerikaanse Business Roundtable opgericht, een economische en financiële lobbygroep die vanaf dat ogenblik doelbewust zowel de overheid als de publieke opinie begon aan te sturen. Aan dergelijke lobbygroepen hebben we minstens twee valse overtuigingen te danken. De eerste is dat we moeten kiezen voor ofwel tewerkstelling en vooruitgang, ofwel stagnatie en armoede. De tweede is dat de teloorgang van het milieu de schuld is van de individuele burger die een te grote ecologische voetdruk zou hebben.

Beide stellingen zijn niet alleen verkeerd, het zijn bovendien leugens. De economische groei heeft vanaf 1980 vooral gezorgd voor een alsmaar groter wordende kloof tussen rijk en arm (zie hiervoor de uitstekende studie van twee jonge Nederlanders). Dat is in Europa en zeker in België veel minder het geval dan in de V.S., maar ook bij ons nemen de werkende armen toe. Wat de tweede misvatting betreft: de oorzaak van de klimaatverandering ligt in ons economisch systeem, en daar kan een individuele burger weinig aan verhelpen. Voor wie hieraan mocht twijfelen: in 2020 hebben wij, als verzameling individuen, onze ‘voetafdruk’ gigantisch verkleind, omwille van de lockdown. Toch bedroeg de daling van de CO2-uitstoot slechts 6,4 procent, want het grootverbruik ging gewoon door.

Buelens haalt hier zijn historische kennis boven: machtshebbers overleven revoluties door ze naar zich toe te trekken en in de ‘juiste’ banen te leiden – juist in functie van hun eigen belang. Vanaf 1980 evolueren we naar een wereldorde waarin het kapitalisme en de vrijemarkt alles bepalend worden. Overal komen er rechtse kabinetten aan de macht, met Ronald Reagan die als tweederangsacteur naast Margaret Thatcher de rol van zijn leven speelt. Onder het motto ‘There is no such a thing as a society, there are only individuals’ zullen zij winstmaximalisatie voor een kleine groep voorop stellen. Wetten en regelgevingen genomen door vorige regeringen worden zorgvuldig ontmanteld, en Reagan haalt zelfs de door Carter geïnstalleerde zonnepanelen van het dak van het Witte Huis. In de coulissen zorgen lobbygroepen ervoor dat zwaar gesponsorde denktanks de overheid ‘helpen’ bij het uitschrijven van richtlijnen en milieuwetgevingen. Uitdrukkingen zoals ‘Een beter milieu begint bij jezelf’ (kabinet Lubbers III) en ‘ecologische voetafdruk’ legden zowel het probleem als de oplossing bij de individuele burger die vanaf dat ogenblik nog maar eens een schuldgevoel aangepraat wordt. Beheers de taal, en je beheerst het denken, die les leerden de denktanks bij Orwell (1984) en Huxley (Heerlijke nieuwe wereld).

In 1989 werd de val van de Berlijnse muur met gejubel onthaald als de grote overwinning van de vrijemarkt en het einde van de geschiedenis – wie nog om natuur maalde, was een in de seventies achtergebleven idioot. De beurzen bleven stijgen, net zoals de hoeveelheid broeikasgassen en het aantal zieken en zelfs doden ten gevolge van milieuverontreiniging. Naar natuurwetenschappers werd er niet langer geluisterd, dat waren linkse zeurpieten, toch?

Afterparty en kater
Na 2000 is het feestje voorbij en begint de afterparty, zij het zonder dat de feestgangers het beseffen. Naast de ecologische ramp heeft de mondiale vrijemarkt een tweede desastreus gevolg: een toenemende sociale ongelijkheid. De kater komt er in 2008 met de eerste bankencrisis. Nog eens tien jaar later wordt de omvang van de catastrofe duidelijk, zowel sociaal, politiek, ideologisch als ecologisch.

Wat eveneens duidelijk wordt, is het succes van de misleiding. Tussen 1990 en 2018 is de uitstoot van broeikasgassen met maar liefst 57 procent toegenomen en ontsnapt er geen enkel land meer aan de gevolgen van de klimaatchaos. Toch bleef een meerderheid van de bevolking gekant tegen de noodzakelijke wijzigingen. ‘Groen’ klonk als een scheldwoord, verkozen overheden bleven ongestraft subsidies uitdelen aan fossiele industrieën en aan volledig foute vormen van landbouw. Zelfs het gebruik van belastinggeld om bedrijven te betalen voor het opruimen van de vervuiling die ze zelf hadden veroorzaakt, riep nauwelijks protest op. ‘Ecomodernisten’ namen de plaats in van klimaatontkenners en spiegelden geruststellende futuristische oplossingen voor.

En dan kwam corona. Voor wie het nog niet mocht beseffen: de omvang en de snelheid van de pandemie hebben we te danken aan onze groeiverslaving en de bijbehorende ontbossing en onzinnige mondiale transportsystemen, iets wat in de berichtgeving over de pandemie nauwelijks toegelicht werd. De wereld stond stil en zoiets helpt om na te denken.

Verander de wereld, begin bij je overheid
Revoluties (de Amerikaanse, de Franse, de Russische) hebben vaak een intellectueel-ideologische aanloop, waarna de straat overneemt en het verstand verdwijnt. Hedendaagse revoluties zijn anders: ze gebruiken wetenschappelijke argumenten en hebben de straat vervangen door de rechtbank. Goed geïnformeerde burgers verenigen zich in collectieven (ondermeer Urgenda in Nederland, Grootouders voor het klimaat in België) die hun eigen overheid voor de rechter dagen. Het is ondertussen een wereldwijde trend, met jongeren die het voortouw nemen. Zelfs individuele burgers slagen daarin – denk aan Thomas Goorden die in België het Pfos-schandaal aankaartte en aantoonde hoe de overheid nagelaten heeft haar bevolking te beschermen. Het laatste voorbeeld in Nederland betreft de verlenging van de A15-snelweg; deze wordt hoogst waarschijnlijk door een rechter verboden (zie hier).

Ondertussen zijn de eerste veroordelingen uitgesproken en ondernemen burgercollectieven ook tegen bedrijven juridische stappen. In Nederland gaat de stichting Milieudefensie (die haar vijftigste verjaardag viert, zie https://milieudefensie.nl ) de dertig grootste vervuilers aanspreken en desgevallend voor de rechtbank dagen. Rechters doen hun werk – dat wil zeggen: ze passen de wet toe – en worden vervolgens door een bepaald slag Vlaamse politici uitgescholden voor ‘activistisch’. Dergelijke politici voelen de bui hangen, want de kans is groot dat zij het komende decennium eveneens een dagvaarding in hun bus zullen vinden. Ook dat is vooruitgang, bij vroegere revoluties werden ze afgevoerd naar het schavot.

Twee bevolkingsgroepen laten uitdrukkelijk van zich horen: senioren, hand in hand met hoogopgeleide jongvolwassenen en scholieren. Zij hebben geen onderzoekscommissies meer nodig om te weten waar onze prioriteiten liggen, zij weten dat ‘groene groei’ de zoveelste leugen is en dat duurzaamheid het belangrijkste criterium moet worden voor elke beleidsbeslissing.

Het tij is duidelijk aan het keren. Wie de tekens aan de wand leest, begrijpt dat we niet alleen op een economische maar ook op een politieke aardverschuiving afstevenen. Zeker in België zijn de traditionele politieke partijen heel erg bang voor de volgende verkiezingen, en terecht. Ze zijn hun laatste restje geloofwaardigheid kwijt, hun belangenvermengingen met een vervuilende landbouw en industrie is nog nooit zo duidelijk geworden, net zoals hun falen in de bescherming van de burger (het dodelijke gebrek aan controle op kinderdagverblijven en op rust- en verzorgingstehuizen is het laatste voorbeeld).

Het kan anders. Tijdens de aanvangsperiode van de pandemie is de overheid wèl in staat gebleken om ingrijpende maatregelen te nemen, zowel voor individuele burgers als voor het bedrijfsleven, met het oog op de volksgezondheid. Het is geen toeval dat regeringen toen goed geluisterd hebben naar wetenschappers. Buelens schrijft terecht dat we dergelijke maatregelen als een generale repetitie moeten beschouwen voor vergelijkbare ingrepen met het oog op de noodzakelijke structurele veranderingen van ons economisch systeem. En ook in dat geval moet er geluisterd worden naar wetenschappers, zeker als hun bevindingen telkens opnieuw bevestigd worden.

Corona heeft een nieuw momentum gecreëerd, deze keer moeten we het gebruiken.

 

Geert Buelens (2021)
Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972.
Amsterdam: Querido Facto, 323 pagina’s.
ISBN 978 90 214 3672 2